Als er een volk is die reizen in het bloed heeft dan zijn het de Mongolen. Als afstammelingen van de grote Dzjengis Khan die in de 13e eeuw al zwervend de halve wereld veroverde, zal het dan ook niet vreemd klinken dat veel Mongolen hun geluk beproeven in het buitenland. Velen van hen komen terecht in de auto-industrie in Tsjechië, om van daaruit verder Europa binnen te trekken. Ook Nederland herbergt Mongoolse migranten, die vroeg of laat – inherent aan het migrantenbestaan – op een punt komen dat ze terugkeer naar het vaderland overwegen. Wat heeft Mongolië hen te bieden en vice versa?   

Alsof we een vrieskist binnenstappen. De lucht fonkelt als de zee op een zomerse dag. Betoverende weerkaatsing van de zon op minuscule ijskristallen. Diep ademhalen zonder te hoesten lukt niet. De koude, ijle lucht slaat direct op je longen.
Ook het asfalt lijkt niet opgewassen tegen het extreme Mongoolse landklimaat. Mijn collega en ik zijn zojuist afgehaald van het vliegveld en rijden de hoofdstad Ulaanbaatar binnen over een brede weg vol scheuren en kuilen. Ik moet denken aan Luigi Falorni’s film ‘The Story of the Weeping Camel’, en besef me dat we hier een ander soort Mongolië gaan zien. Misschien niet zo romantisch als die van de nomadische kamelenherders van de Gobiwoestijn, maar minstens zo interessant.
Realiteit is dat jaarlijks zo’n 40.000 mensen van het platteland naar de hoofdstad trekken. Dit versnelde urbanisatieproces zet de teller op 1,3 miljoen mensen in Ulaanbaatar, bijna de helft van de totale populatie. De zwerfgenen van Dzjengis Khan ten spijt leiden steeds meer Mongolen een sedentair bestaan.

We passeren een kolencentrale, een kolossaal gevaarte dat dikke rookpluimen uitbraakt over de stad. Een lompe stad naar Russisch model met overheidsgebouwen en pleinen zonder menselijke maat. Geen kinderachtig gedoe, maar gewoon een stad die macht moet uitstralen en vooral functioneel is.
We zijn hier op bezoek bij ons kantoor om iets te leren over de Mongoolse situatie in en rondom de stad en de uitwerking van onze hulp aan teruggekeerde Mongoolse migranten. Ons bezoek hadden we niet beter kunnen timen, want het is Tsagaan Sar, het Mongoolse Nieuwjaarsfeest. Dat betekent dat we onze interviews doen rondom rijkelijk gevulde tafels met traditioneel eten. Te gast bij zeven migrantenfamilies; zeven keer schapenvlees, paardenmelk en wodka. Op een na, wegens gezondheidsproblemen, maken alle families het goed. Het geld dat ze ter beschikking is gesteld door ons herintegratieprogramma is geïnvesteerd in landbouwgrond, winkels, een transportbedrijf, naaiatelier en autowasserette. Dat laatste is erg slim, gelet op de stoffige, gepekelde straten en het arsenaal aan grote terreinwagens. Tel uit je winst.

De overheid ziet ze graag terugkomen, Mongolen in de diaspora. Het land dat economisch een indrukwekkende groei doormaakt door de opbrengsten van de mijnbouw heeft namelijk mensen nodig. Nog geen drie miljoen mensen leven in dit onmetelijke land. Overheidsfunctionarissen die we spreken maken het duidelijk: ‘We now need to invest in human capital.’ De economische cijfers zijn goed, maar het is slechts een kleine elite die er echt van profiteert. De Hummer-dichtheid in deze stad spreekt boekdelen. Een stevige middenklasse ontbreekt. Dat wil de overheid veranderen, want ze weet dat de mijnen ooit uitgeput raken. Er is ze alles aan gelegen om te investeren in bijvoorbeeld het beroepsonderwijs en midden- en kleinbedrijf.
Een belangrijke schakel in dit proces, zo wordt benadrukt, vormen de teruggekeerde migranten die het westerse concept ‘de klant is koning’ importeren. Inderdaad kan in Mongolië de klantenservice een tikkeltje beter. In een supermarkt zijn we getuige van een Bananasplit-achtige scène waarin de cassière uit een groentekist nog net de laatste krop sla weggrist die een klant ook wilde. Nonchalant steekt de cassière de sla in haar handtas en neemt weer plaats achter de kassa. De klant staat er even beteuterd bij en loop dan verder. Een ander voorbeeld ondervind ik zelf in ons hotel wanneer ik als ontbijt een gebakken ei bestel. De keukenhulp gaat er direct mee aan de slag op het fornuis dat staat opgesteld aan de rand van de ontbijtzaal. Als het klaar is neemt de keukenhulp vervolgens plaats aan een lege tafel en begint voor mijn neus in alle rust het ei te verorberen. Daarna wordt mijn ei gebakken.  

Restanten van het communisme zijn nog aanwezig. Een systeem is niet zomaar uit de mensen verdwenen. Op de 10e verdieping van een luxueus warenhuis waar ze Gucci en Armani verkopen drink ik koffie in een Italiaanse espressobar. Buiten vriest het 25 graden. Mijn oog valt op een interview in de Ulaanbaatar Post met de minister van Grondstoffen & Energie. Hij vat de situatie waarin Mongolië zich bevindt kernachtig samen: ‘Mongolia is on the verge of either huge success or big failure’. Zal Mongolië met haar jonge democratie en markteconomie tot wasdom komen? Ik zie uit naar een volgend bezoek en laat me aan het ontbijt weer graag verrassen.

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief