Grote, grijze slierten rook komen vanaf de overkant van de straat ons huis binnen waaien. Het stinkt in alle kamers naar verbrand plastic. Mijn dochter klaagt over branderige ogen. Vanuit het donker zie ik dat de buren weer eens uit frustratie hun vuilnis in brand hebben gestoken. Sinds het huisvuil al twee weken niet is opgehaald, puilen de vuilnisbakken in onze straat uit. Rattenkolonies hebben er hun intrek genomen. Mijn dochter gruwelt.

Het is bijna aan een georganiseerd land als Nederland niet uit te leggen dat de vuilniswagen niet kan komen, omdat die kapot is. En vraag me niet waarom dat vehikel nog steeds niet is gemaakt. Daar krijg je in Indonesië al geen antwoord op.

Ik weet wel dat deze aftandse bak al lang geleden naar de schroothoop verbannen had moeten worden. Maar het heeft geen zin me te ergeren of boos te worden. We zijn overgeleverd aan een handjevol particuliere vuilnisophalers. Die met hun rammelende vrachtwagentjes de dagelijks 6500 ton geproduceerde afval in de metropool, zoveel als tien Olympische zwembaden vol, natuurlijk nooit aan kunnen. Het stadsbestuur bekommert zich niet om het afval.

Ik blijf me verbazen hoe in deze opkomende economische wereldmacht Indonesië, waar luxe warenhuizen als paddenstoelen uit de grond schieten, niet eens een fatsoenlijke vuilnisophaaldienst bestaat. De meeste Indonesiërs gooien hun afval in de rivieren die dwars door de stad stromen. Met als gevolg dat tijdens het regenseizoen het opgehoopte afval behoorlijke overstromingen veroorzaakt. 

Zoals in de kampung, het buurtje, aan de rivier waar we de volgende dag door heen proberen te fietsen. We zijn op weg naar de school van mijn dochter. De snelste en de veiligste route gaat dwars door dit buurtschap. Maar we komen niet ver. Na aanhoudende tropische stortbuien staat het stinkende rivierwater inmiddels in de huizen. We besluiten door het water te waden in plaats van een half uur door het drukke verkeer om te rijden. We voelen plastic, kapotte teenslippers en niet te benoemen andere viezigheid langs onze voeten glijden. Mijn dochter moppert dat we in Jakarta op een bantar gabang, een vuilnisbelt, wonen. Ze heeft gelijk. Overal in de stad is vuilnis zichtbaar.

Een paar dagen later is de roestige bak van de vuilnismannen weer in onze straat. Voor mijn deur staat er een met een sigaret in zijn mond en de rekening. Met een lachend gezicht vertelt de vuilnisman dat de prijs ondertussen met dertig procent is verhoogd. Er lag te veel afval in mijn bak. Ja, dat is na twee weken nogal wiedes. Ik begin zijn glimlach te begrijpen. Of was die staking soms bedoeld om de prijs op te drijven en werd als reden aangevoerd dat de wagen kapot was om ons murw te krijgen? Na twee weken ben ik de viezigheid voor de deur inderdaad behoorlijk zat en betaal met stalen gezicht.

 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
wilma2

Over de auteur

Wilma van der Maten woont in Jakarta en werkt als freelance journalist voor onder andere OneWorld, het Parool, DPD, VPRO, VRT en Elsevier.
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief