Kafkaesk. Een beter woord kan ik niet verzinnen voor de gang van zaken op de Tsjadische ambassade in Niamey, de hoofdstad van Niger, het armste land ter wereld, waar mijn reisgenoot en ik visa gaan aanvragen.

Alleen al de entrée. Nadat we een roestige poort in de muur rondom de ambassade open hebben geduwd en een verlepte poging tot tuin zijn overgestoken, lopen we het openstaande gebouw binnen. Niemand te zien. Wel een stuk of zes gifgroen geverfde deuren, die net als de vuilgele muren lekker aan het afbladderen zijn. Op die muren zijn alleen de zwarte schimmelplekken nóg wat beter zichtbaar.

Maar eens op wat van de deuren kloppen. En warempel, bij poging nummer vier doet een rimpelig mannetje in djellaba open. Een brede glimlach splijt zijn gezicht, en hoffelijk gebaart hij ons plaats te nemen aan zijn bureau. Pontificaal daarvoor staat een tv waarop door alle beeldruis nog net een Mad Max-film uit de jaren ‘80 met Mel Gibson te ontwaren is. Gelukkig staat het geluid kanonhard.

Ah, we komen voor visa, knikt het mannetje bedachtzaam. Daarvoor moeten we een verdieping hoger zijn. Even later staan we in eenzelfde ruimte – veel deuren, geen mensen – als op de begane grond. Een flakkerende tl-buis maakt de sfeer hinog wat extra desolaat.

Weer kloppen dan maar, met hetzelfde resultaat: bij deur nummer drie of vier worden we door een oudere man in djellaba gezeteld aan zijn bureau. Nog voor we iets kunnen zeggen loopt hij ineens woordloos de deur uit. Na een minuut of tien ga ik maar eens op de gang kijken, waar hij net een andere deur uit komt. De badkamer annex wc, zo blijkt. Ik wissel hem af. Net schoon genoeg om op de loszittende bril te gaan zitten.

Bij terugkeer in het kantoortje zit de man op zijn knieën, voorhoofd tegen de grond, naast de stoel van mijn reisgenoot. Dus daarom was hij naar de badkamer: wassen voor het middaggebed.

Dat is nauwelijks gedaan of er komt een tweede man binnen. Die begint een eindeloze discussie met onze gastheer. Pas nadat hem wat bankbiljetten in handen zijn gefrommeld verdwijnt hij.

Wij mogen intussen beginnen aan de papierwinkel die in deze regio vaste prik is bij elke grensovergang of ambassade. Als ik klaar ben en de man mijn gekrabbel verveeld maar langdurig controleert, zie ik aan de muur een krantenpagina hangen met daarop de militairen afgebeeld die afgelopen voorjaar een succesvolle coup pleegden na een dreigende hongersnood: President Le Chef d’Escadron Salou Djibo, Secretaire Permanent Colonel Abdoulaye Badie, Commandant Moctar Amadou Mounkaila, enzovoort. Altijd handig om te weten wie ook alweer de nieuwe gezagsdragers zijn.

Als ook de formulieren van mijn reisgenoot van voor naar achter en van onder naar boven zijn bekeken kunnen we inrukken. Morgen zullen de visa er zijn. We hebben er beiden een hard hoofd in.

De volgende morgen sloffen we met tegenzin opnieuw de ambassade in. Daar blijken – krijg nou wat – onze visa voor ons klaar te liggen. Soms zit het tegen, soms zit het mee (of was het nou andersom?).

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief