Hoe meten we welzijn en hoe wordt het bepaald? Sanne Blauw legt uit hoe ze deze vraag in haar proefschrift ‘Well-to-do or doing well?’ beantwoordt.

Sinds jaar en dag gebruiken economen financiële maatstaven om welzijn te meten, zoals het Bruto Nationaal Product (BNP) per hoofd van de bevolking. Deze cijfers hebben hun beperkingen. Het is niet vanzelfsprekend dat mensen die een goed inkomen hebben zich ook prettig voelen. Geld is geen garantie voor een goed huwelijk, een leuke baan of een goede gezondheid. Daarom zijn economen steeds meer geïnteresseerd in non-monetaire maatstaven van welzijn. Eén van die maatstaven is geluk. In mijn proefschrift ga ik in op de vraag hoe ons welzijn wordt bepaald. In de afgelopen jaren heb ik onderzoeksprojecten opgezet waarin ik deze vraag op verschillende manieren belicht. Ik hoop die projecten na mijn promotie voort te zetten en uit te breiden naar andere contexten. 

Welzijn en inkomen
In samenwerking met mijn promotor Philip Hans Franses heb ik eerst naar welzijn op de traditionele manier gekeken: inkomen. Ik reisde naar Uganda om antwoord te krijgen op de vraag: heeft het gebruik van mobiele telefoons effect op economisch welzijn? Het is bekend dat mobiele telefoons ongekend populair zijn in ontwikkelingslanden, maar het is onbekend of ze bijdragen aan het inkomen van de gebruikers. Ik sprak met bijna tweehonderd Ugandezen over hun telefoongebruik. De analyse van het effect van de mobiele telefoon is niet eenvoudig. Immers, het telefoongebruik kan effect hebben op je inkomen, maar het inkomen beïnvloedt tegelijkertijd je telefoongebruik. Econometrische methodes kunnen die twee effecten echter van elkaar scheiden. Aan de hand daarvan kom ik tot de conclusie dat telefoongebruik inderdaad positief bijdraagt aan het inkomen. 

Welzijn in relatie tot anderen
Vervolgens verzamelde ik data in Bolivia. Ditmaal was de onderzoeksvraag: hoe hangt het welzijn af van hoe iemand zich vergelijkt met anderen? Gedurende twee maanden interviewde ik 240 Bolivianen over hun geluksgevoel. Ik mat dat geluk op een tienpuntsschaal; wereldwijd de meest gebruikte methode. Ook vroeg ik hoe ze hun levensstandaard zouden vergelijken met die van de mensen om hen heen, zoals hun buren of familieleden. Wat bleek? Hoe hoger iemand zijn of haar welzijn inschatte ten opzichte van een bepaalde sociale groep, des te gelukkiger diegene was. Mensen gebruiken de omgeving dus als een referentiekader. Vooral familieleden en voormalige klasgenoten waren belangrijk, terwijl buren en collega’s een rol speelden in het verwachte geluk in de toekomst.  

Overdraagbaar geluk
Daarna analyseerde ik of geluk overdraagbaar is, of dat gelukkige mensen elkaar simpelweg opzoeken. Deze twee processen zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden, tenzij je de juiste setting hebt. Die setting vond ik op een verrassende plek: een studentenvereniging. Elk jaar sluit een aantal nieuwe leden zich aan bij de vereniging. Na een paar weken moeten ze groepjes vormen, zogenaamde jaarclubs. Door ze vóór de vorming van die clubs te ondervragen, kon ik achterhalen in hoeverre gelukkige mensen elkaar opzochten in een jaarclub. Een jaar later keek ik of hun geluk was veranderd als gevolg van het geluk van hun clubgenoten. Uit mijn onderzoek bleek dat geluk inderdaad overdraagbaar is. Als een clubgenoot gelukkiger is, is er meer kans dat een andere clubgenoot dat ook is. 

Welzijn en vertrouwen
Tot slot keek ik naar een andere non-monetaire maatstaf van welzijn: vertrouwen. Samen met promovendus David Smerdon onderzocht ik of inkomensongelijkheid wantrouwen kweekt. De nadelige gevolgen van inkomensongelijkheid staan na het boek van Piketty  ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ volop ter discussie. Wat echter minder aandacht krijgt, is hoe die ongelijkheid tot stand is gekomen. Zijn de rijken op een eerlijke of oneerlijke manier aan hun geld gekomen? We onderzochten deze vraag door middel van een computerexperiment. Deelnemers werden ingedeeld in ‘rijk’ en ‘arm’. In één groep was dit willekeurig (oneerlijk), terwijl in de andere groep inkomen werd verdeeld op basis van het aantal correct beantwoorde rekensommen (eerlijk). Vervolgens speelden de deelnemers een spel waarin hun vertrouwen werd gemeten. Grotere inkomensverschillen bleken geen nadelig effect te hebben als het inkomen eerlijk was verdeeld, maar wel als het oneerlijk was verdeeld. Inkomensongelijkheid is dus slecht voor het vertrouwen in elkaar, maar alleen als inkomen op een oneerlijke manier verdeeld wordt.

Kortom: waar je ook woont, je sociale context is belangrijk voor je welzijn. Het maakt uit met wie je contact hebt, hoe je je tot hen verhoudt en hoe groot de verschillen zijn. Je bent wie je kent.

 Sanne Lise Blauw (1986) studeerde Econometrie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Vrijdag 19 december verdedigt ze haar proefschrift “Well-to-do or doing well? Empirical studies of well being and development.” Haar proefschrift is te downloaden via haar website. Naast haar academisch werk, schrijft Sanne over ontwikkelingsthema’s voor Oikocredit Nederland en voor haar eigen blog Out of the Blauw.

 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Sanne Lise Blauw studeerde Econometrie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Vrijdag 19 december 2014 promoveert ze op haar …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief