Zesenhalf jaar woonde ik in Oeganda. En nog altijd kom ik in het Luganda niet verder dan de uitwisseling van beleefdheden. Als ik geluk heb, vang ik nog net op wat mijn gesprekspartner die dag gaat doen, maar dat is het dan ook wel. Wanneer Uganda dezelfde taaleis zou hanteren als Nederland, was ik al een keer gedeporteerd.
Ook na zesenhalf jaar was ik nog altijd een muzungu, een blanke. Iemand die van ver komt en niet helemaal thuishoort in Kampala. Dat heeft voordelen; voor westerse journalisten is het heerlijk werken in Afrika. Ministers, CEO’s en kerkleiders kan je vrij makkelijk spreken. Er is onder brede lagen van de bevolking nog altijd een bepaald respect voor blanken, een curieus koloniaal overblijfsel. Je hebt overigens ook, voornamelijk in wat militantere rastafari-milieus, mensen die zich juist enorm afzetten tegen blanken.

Ook na al die jaren was ik nog altijd een muzungu, een blanke

Mijn integratie krijgt een dikke onvoldoende. Twintig weken Luganda-les is meer dan de gemiddelde expat, maar het is lang niet genoeg. Ik heb diverse Oegandese vrienden gemaakt en ik dronk – voordat ik de alcohol vaarwel zegde – graag een biertje met mijn Eritrese buurman. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat mijn meest nabije vrienden westerlingen waren – merendeel Nederlanders. Nu en dan in het expatwereldje rondhangen is leuk – en kan lucratief zijn. Nederlanders lezen uit Afrika vooral graag verhalen waarin Nederlanders voorkomen; zakenmannen, hulpverleners, brokkenpiloten.

Onderdanigheid
De Oegandese volksaard heb ik nooit volledig onder de knie gekregen. Oké, inmiddels kan ik aan de achternaam horen uit welk stamgebied iemand komt, bezit ik een kanzu (een soort djelabba voor mannen) en eet ik nationale gerechten, zoals matoke-bakbananen, met smaak. Maar ik kan me nog altijd kwaad maken over de onderdanigheid van de gemiddelde Oegandees jegens corrupte leiders, pedofiele schooldirecteuren en stinkend rijke priesters. Ze komen bijna overal mee weg. Ook krijg ik, wanneer ik een homo op straat zie lopen, niet direct de neiging om hem te stenigen. De Oegandese volksaard overnemen? Nee, dank u.

Steun en toeverlaat
Juliet leerde ik al vrij snel kennen. Al die jaren was ze mijn steun en toeverlaat, degene die me door het doolhof van Oegandese gebruiken en omgangsnormen coachte. Die me kalmeerde als ik weer eens woedend was en me terechtwees als ik met mijn Nederlandse botheid de plank missloeg. Nu zijn de rollen omgedraaid. Nu wonen we in mijn land, Nederland, met al haar ongeschreven regels en gedroomde tolerantie.
Nederlanders die in het buitenland stelselmatig samen klitten, Sinterklaas vieren en weigeren lokale talen te leren, eisen van immigranten dat ze zich aan ons aan passen. We klagen over ‘satellietsteden’ waar ‘ze allemaal bij elkaar gaan wonen.’ En we laten ze verplicht inburgeren en integreren. Ze moeten worden zoals wij. Voor zover dat mogelijk is.

De taal leren
Juliet klaagt er niet over, integendeel. Ze wil zo snel mogelijk een baan, maar is er al achtergekomen dat je daarvoor Nederlands moet kunnen spreken. Juliet moet de komende jaren datgene gaan doen waarin ik in Oeganda faalde: de taal perfect leren en integreren.

Integreren. Kan dat überhaupt, of is het een onuitvoerbaar concept waaraan we ons onterecht vast houden?

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
Arne_HiRes_NABC

Over de auteur

Afrika-journalist

Arne Doornebal is Afrika-journalist. 
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief