Minister Ploumen lanceerde in 2013  het nieuwe hulp- en handelsbeleid, ook wel gezien als een kindje van het verstandshuwelijk tussen de VVD en PvdA. Vier jaar later is er – met nieuwe verkiezingen voor de deur – nog weinig bekend over de effecten ervan. Op 14 februari, Valentijnsdag, discussieerden experts over dit beleid aan de hand van een discussiepaper geschreven door Kaleidos Research. Onderstaand een verslag van deze bijeenkomst gebaseerd op de zes voornaamste conclusies uit het paper.

1. Rollen verschuiven en organisaties worstelen met hun nieuwe rol
Het paper concludeert dat de rol van Nederlandse organisaties verschuift; het midden en klein bedrijf (MKB) wordt aangespoord om maatschappelijk verantwoord te ondernemen in ontwikkelingslanden. Maatschappelijke organisaties (NGOs) kijken juist steeds meer naar bedrijfsmatige verdienmodellen, ook als gevolg van bezuinigen. De kennis en expertise van maatschappelijke organisaties blijft onderbenut; het beleid is vooral op het bedrijfsleven gericht. Veel organisaties worstelen met hun nieuwe positie: ze moeten om zowel waakhond als constructieve partner van bedrijven en overheden zijn.

De expertmeeting vond plaats op 14 februari in het Humanity House in Den Haag. Dagvoorzitter was Prof. dr. Rolph van der Hoeven (Institute for Social Studies/ Erasmus University Rotterdam). In het panel zaten Irene Visser (directeur Netherlands-African Business Council), Bart Romijn (directeur Partos), Wim Jansen (plv. directeur Directie Buitenlandse Financiële Betrekkingen (BFB) Ministerie van Financiën) en Mechteld Oomen (plv. Deputy Director International Economic Affairs VNO-NCW)

 

 

Marcel Vernooij (directie duurzame ontwikkeling, ministerie van Buitenlandse Zaken) gaf een reactie op de discussie.

 

 

Fedes van Rijn (Wageningen University & Research), presenteerde drie projecten uit de hulp & handelpraktijk op het gebied van de tuinbouw, melkveehouderij en kweekvisserij in Kenya, waar gekeken wordt naar robuuste waardeketens, betrouwbare instituties en veerkrachtige systemen (3R Kenya: Resilient, Robust and Reliable).

Tussen de panelleden is discussie over de opstelling van NGOs ten aanzien van bedrijven. Een panellid stelt dat maatschappelijke organisaties de rol van waakhond op zich moeten blijven nemen. Het is belangrijk dat activistische NGOs een onderwerp als belastingontwijking aan de orde stellen. Een ander panellid stelt daarentegen dat NGOs zich toegankelijker moeten opstellen. Als bedrijven moeten opschuiven naar meer maatschappelijk verantwoord ondernemen, mag je verwachten dat NGOs zich ook openstellen. Zoals een ander panellid stelt; het is goed om kritisch op elkaar te zijn, maar je wilt bij een project in Kenia wel tot een pragmatische oplossing komen. 

Iemand in de zaal meent dat het als NGO lastig is om met private partijen in contact te komen. Een panellid stelt dat communicatie heel belangrijk is. Bedrijven en NGOs spreken vaak een andere taal: als je met bedrijven over ‘gender’ praat, hebben ze geen idee. Je moet dit vertalen naar de praktijk. Dan blijkt dat een bedrijf – zonder dat men het zelf doorheeft – al actief kan zijn op terrein van gender, zoals het veilig thuisbrengen van vrouwelijke werknemers in de avond. 

2. Organisaties moeten bij hun eigen kracht blijven
Organisaties moeten zoeken naar een evenwicht tussen intensieve samenwerking in partnerschappen met bedrijven enerzijds en het behouden van de eigen kernkracht anderzijds. Als organisaties te ver van hun eigen identiteit verwijderd raken, leidt dat tot inefficiëntie. Oftewel: schoenmaker, blijf bij je leest.

Onder de panelleden is enige verwarring over het gebruik van dit gezegde. Deelnemers aan het debat herkennen zich er niet zo in. Zoals een panellid stelt: het is meer ‘working together apart’. Deze tijd vraagt voortdurend om aanpassingen. Het is niet mogelijk om voor altijd te blijven wie je was. Eén van de auteurs van het rapport stelt dat de geïnterviewden aangaven dat organisaties wel kunnen veranderen, maar dat ze wel bij hun kernkracht moeten blijven. Een maatschappelijke organisatie zonder ervaring op het gebied van ondernemen kan bijvoorbeeld niet zo maar aan impact investment doen. 

Deelnemers expert meeting hulp en handel

 

Foto: deelnemers aan de expertmeeting 

3. Het beleid bereikt een smalle groep ondernemers
Het rapport stelt dat bij het hulp- en handelsbeleid een beperkt aantal bedrijven is betrokken. Dit zijn vooral de koplopers die hun zaakjes al redelijk op orde hebben.

Panelleden beamen dat het huidige beleid vooral gericht is op een smalle groep MKBers. De beschikbare financiële instrumenten vereisen ontwikkelingsrelevantie en MVO, wat hoge administratieve lasten met zich meebrengt. Dat zijn drempels waar bedrijven overheen moeten. De bedrijven die nu betrokken zijn, zijn vaak de bedrijven die al een plan hebben liggen om in ontwikkelingslanden te opereren en daar geld voor zoeken. Daarnaast zijn het de bedrijven die een goede toegang hebben tot internationale markten en tot (dure) consultants die hen helpen met de complexe instrumenten. 

Eén panellid stelt dat de grootte van de groep relatief is, en dat er wel degelijk veel is bereikt. Rapportages laten zien dat Buitenlandse Zaken in 2015 in totaal  2105 bedrijven heeft ondersteund, waarvan 465 Nederlandse bedrijven. In 2015 zijn daarnaast 1,2 miljoen boeren getraind en zijn er 220 duizend arbeiders met betere arbeidsomstandigheden bijgekomen. 

4. Er is een gebrek aan uitwisseling, wederzijds leren en opschaling
De beschikbare instrumenten zijn vooral gericht op individuele bedrijven, zo stelt het rapport. Er is nauwelijks aandacht voor het uitwisselen van ervaringen en lessen tussen de verschillende bedrijven of tussen verschillende typen organisaties. Onderlinge uitwisseling is juist van belang met het oog op het innovatieve karakter van de agenda. Koepelorganisaties in Nederland, in partnerlanden en op internationaal niveau zouden beter betrokken moeten worden om de effectiviteit te vergroten.

Een panellid stelt dat handelsmissies laten zien dat de interactie tussen bedrijven belangrijk is. MKBers hebben naast ‘financial constraints’ ook ‘emotional constraints’ om te investeren in ontwikkelingslanden. Als je het hebt over de SDGs, knipperen veel bedrijven met hun ogen. Een ander panellid stelt dat er wel degelijk een aantal initiatieven en organisaties zijn die uitwisseling ondersteunen: denk aan de partnerschappen, het Partnerschip Resource Centre, ECDPM en Agri-ProFocus.

5. De focus ligt vooral op gemakkelijke landen
Nederlandse ondernemingen zijn vooral in de ‘makkelijke’ partnerlanden actief, zo laat het rapport zien. Dit zijn de Engelstalige lagere- tot middeninkomenslanden die politiek stabiel zijn. Bedrijven kiezen vanuit bedrijfsoogpunt voor landen waar men het minste risico loopt. Bovendien is het vertalen van de ingewikkelde instrumenten een uitdaging.

De panelleden beamen dat het beleid uitnodigt tot het investeren in relatief makkelijke landen. Zo blijkt uit een onderzoek van NABC onder MKBers dat de top-10 Afrikaanse partnerlanden nagenoeg allemaal Engelstalige middeninkomenslanden zijn. De belangrijkste uitdaging om kansen te benutten in Afrika, is het vinden van de juiste zakenpartners. Daarnaast speelt toegang tot financiering een belangrijke rol. Hoe ga je bijvoorbeeld om met wisselkoersen of het verplaatsen van geld van het ene land naar het andere? Op een vraag uit de zaal of het wel mogelijk is om bedrijven te interesseren in meer uitdagende landen, antwoordt één van de panelleden dat er over het algemeen wel interesse is van bedrijven, maar dat je het ze wel makkelijk moet maken. Er moet aanbod zijn en bedrijven moeten gedurende een langere periode worden begeleid. Een ander panellid stelt dat je met innovatieve financiering ook in armere of meer complexe landen iets kunt doen.

6. Het beleid is niet coherent genoeg
Het beleid is te weinig samenhangend, zo laat het rapport zien. Er worden bijvoorbeeld nog nauwelijks bruggen geslagen naar belangrijke vraagstukken als klimaatverandering. De samenwerking tussen departementen van het ministerie van Buitenlandse Zaken kan beter, net als de samenwerking tussen ministeries. En hoewel bedrijven aan allerlei voorwaarden moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de instrumenten,  wordt er uiteindelijk vooral naar de economische effecten gekeken, zoals het aantal banen.

Zoals een panellid stelt; het gaat niet om aid en trade, het gaat uiteindelijk om het behalen van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals of SDGs). De SDGs fungeren als een paraplu voor coherentie. Het is een mooi raamwerk en minister Ploumen maakt zich sterk om beleid aan de SDGs te toetsen. Een panellid vraagt zich wel af wat de meerwaarde zou zijn van een dergelijke SDG toets. Zo stelt iemand uit de zaal dat in de effectrapportage de S van sustainability al is toegevoegd, evenals milieu- en sociale beoordelingen. Er is te weinig tijd om dit vraagstuk tijdens deze expert meeting verder te bespreken. 

Het discussiepaper van Kaleidos Research "Shifting Roles – the impact of the Dutch aid and trade agenda on Dutch actors"  is geschreven door Edith van Ewijk, Ries Kamphof, Timo Maas en Marije van Gent op basis van literatuuronderzoek, interviews met deskundigen en een survey onder bedrijven.

 

Sprekers worden in dit artikel niet bij naam genoemd, omdat ze zich op deze manier vrijer konden uiten tijdens het debat. Daarom was de zogeheten Chatham House regel van toepassing.

 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Edith van Ewijk is senior onderzoeker bij Kaleidos Research, onderdeel van stichting NCDO.
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief

Advertentie

OneWorld-online_banner-600×500 + waaier