Ik kan me herinneren dat ik mijn vader een keer zag huilen. Ik was nog jong maar zal het nooit vergeten. Het maakt indruk, zo’n grote man in tranen zien. Daarna heb ik dat ook nooit meer meegemaakt en het leek erop dat de stelling klopte dat mannen – behalve mijn vader dan – niet huilen. Totdat ik in vreemdelingenbewaring migranten ging bezoeken. Het blijkt een grens- en leeftijdsoverschrijdend fenomeen te zijn. Nu moet je wel echt van nep weten te onderscheiden, want er worden ook tranen geveinsd. Soms moeilijk te herkennen, maar als men al begint te snikken voordat het gesprek is begonnen is het meestal niet helemaal zuiver.

Bij Ahmed uit Marokko was het echt. Een jongen van begin twintig die te lang was blijven hangen bij vrienden hier in Nederland. Zijn visum was al een poosje verlopen toen hij tegen een agent opliep en ter fine van uitzetting gedetineerd werd.
Het verschilt van persoon tot persoon hoe je daar mee omgaat. Op de schaal van weerbaarheid heb je grofweg aan het ene uiterste de doorgewinterde of hardcore illegaal die het systeem van binnen en buiten kent en zich, zo lijkt althans, weet te schikken in zijn lot. Aan het andere uiterste heb je zeg maar de systeemonderschattende, groene illegaal, die zich behoorlijk geïntimideerd voelt door zijn gevangenschap en er geen raad mee weet.
Tot die laatste categorie behoorde Ahmed. Hiermee moet je altijd uiterst voorzichtig met je woorden omgaan, omdat iemand in stress al snel tot verdraaiing van die woorden komt in de richting van zijn hoop. Zijn hoop was om stantepede naar het consulaat te gaan voor een reisdocument om diezelfde dag nog uit te reizen. Dat gaat zo snel niet en een zenuwslopende periode brak voor hem aan. Elke dag weer lag er een verzoekbrief voor een gesprek op mijn bureau. Als ik hem ging bezoeken trof ik hem al snel aan, want of hij zat zelf in de buurt van de deur, of hij werd direct opgehaald door een afdelingsgenoot of bezorgde bewaker. Iedereen kende Ahmed. En iedereen probeerde op zijn manier zijn lijden een beetje te verzachten. Landgenoten door onvoorwaardelijk voor hem klaar te staan als tolk, en bewakers door mij te bellen en te vragen naar de laatste stand van zaken. Een bewaker, een kleine Molukse man met een Harry Potter-brilletje, praatte hem steeds moed in door hem te herinneren aan Allah’s mededogen; Inshallah, het komt allemaal goed.
Op een dag kwam ik hem weer bezoeken, maar hoorde dat hij er niet was. Hij was in de isoleercel gezet. Snikkend en met rooddoorlopen ogen zat hij te vertellen dat hij er niets van begreep. ‘Heb je gevochten, iets raars gedaan?’, zat ik te vissen. ‘Voor helemaal niks zit ik hier’, verzekerde hij mij. Potverdorie, met welk recht …?! Strijdlustig hing ik aan de telefoon met het afdelingshoofd. Zijn versie van het verhaal was alleen anders. Ahmed had stampei gemaakt en gedreigd met suïcide als hij niet onmiddellijk werd vrijgelaten. Uit veiligheidsoverwegingen hadden ze hem in de isoleercel geplaatst om hem met een camera vierentwintig uur per dag in de gaten te kunnen houden.
Ahmed was geknakt; een weerloos vogeltje in een zware storm. Dat klinkt overdreven, alsof hij met middeleeuws marteltuig tot het uiterste werd gedreven, maar hij wist het simpelweg geen plek te geven. Ik moet eruit, eruit, eruit, was de gedachte die bezit van hem had genomen. De verkeerde mindset, probeerde zijn lotgenoten hem bij te brengen, die nu ook wel een beetje moe van hem begonnen te worden.

Toen brak de verlossende dag aan dat hij op bezoek mocht bij de consul en een reisdocument kreeg waarmee we een vlucht konden boeken. Dit keer zag ik er niet tegen op opgewacht te worden. Weer vloeiden er tranen. Ditmaal van geluk.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief