Bijna driekwart van de 1,3 miljard mensen onder de armoedegrens (en 70% van de ondervoede kinderen) woont in een land dat niet arm is, zoals India, China, Zuid-Afrika en Brazilië, aldus een Britse studie uit 2010. Daar is het essentieel dat de eigen overheid en de welgestelde bevolking (meer) investeren in armoedebestrijding in eigen land. Dit ligt politiek vaak moeilijk, daarom is (meer) druk van ‘onderop’ essentieel. Moderne ontwikkelingssamenwerking in dergelijke landen zou eigenlijk niet langer lokale ontwikkelingsorganisaties, klein en groot, moeten steunen die “de armen” helpen met het doen van noodzakelijke investeringen. Daartoe is immers de eigen overheid prima in staat. Moderne ontwikkelingsamenwerking in midden inkomenslanden zouden zich moeten concentreren op het versterken van het vermogen van lokale organisaties om voorzieningen bij die overheid te claimen en geld op te halen bij de welgestelde middenklasse en rijke bovenlaag in de eigen samenleving.

Uit Brazilië, India en Zuid-Afrika hebben de grote Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zich al teruggetrokken, of zij zijn daar mee bezig. Dat geldt in veel mindere mate voor kleine, particuliere initiatieven: georganiseerde groepen mensen in Nederland die, veelal als vrijwilliger, vooral nog druk bezig zijn met het doen van investeringen in onderwijs, gezondheidszorg, schoon water, zonne-energie, etc. Zij hebben in die landen gereisd of gewerkt, ook in de arme delen ervan. Zij zijn betrokken geraakt bij een school, een ziekenhuis, een vrouwengroep, een dorp waar zij mensen tegen kwamen die iets wilden doen aan de slechte omstandigheden en de armoede. En zij willen daarbij helpen. Kleinschalig en concreet. Wetend dat hun bijdrage niet alles oplost. Er ontstaat een projectidee dat belangrijk en duidelijk genoeg is om er in Nederland geld voor te kunnen werven. En dat prioritair is voor de school, het ziekenhuis, de vrouwengroep etc. Maar soms ook kostenverhogend. Als een school uitbreiding met nieuwe klaslokalen krijgt, bijvoorbeeld, moeten er ook extra leerkrachten komen en dus extra salarissen betaald. Daar zou de eigen overheid zorg voor moeten dragen en vaak bestaat er wetgeving die dat ook voorschrijft. Maar dat weet het dorpshoofd, de directeur van de dorpsschool, het districtsziekenhuis, de lokale gezondheidspost of de voorzitster van het lokale vrouwencomité vaak niet. En als ze het wel weten: er is in veel landen moed nodig om machthebbers aan te durven spreken op hun verantwoordelijkheden. En er zijn vaardigheden nodig om daarbij succesvol te zijn.

Voorwaarde: goede relatie
Wanneer Particuliere Initiatieven (PI) en hun partnerorganisaties (door Wilde Ganzen Project Eigenaren – PE- genoemd) samen met een projectvoorstel voor medefinanciering bij Wilde Ganzen komen, dan kijkt Wilde Ganzen of aan een groot aantal voorwaarden is voldaan. Een heel belangrijke is de kwaliteit van de relatie tussen het PI en de PE. Heeft het PI goed onderzocht of het door de PE gevraagde project wel echt prioriteit heeft in de ogen van de lokale bevolking? Is de relatie tussen beide aanvragers voldoende gelijkwaardig? Zijn er andere voorzieningen in de nabije omgeving waardoor eenzelfde bijdrage als aan Wilde Ganzen gevraagd, elders niet méér effect zou hebben? Wat is de kosten-baten verhouding überhaupt? Heeft de PE een goede bestuurssamenstelling? Hebben PI en PE een goede ‘track record’? Enzovoort.

Maar Wilde Ganzen speelt in de PE – PI-relatie een rol die vaak verder reikt dan de beoordeling van een specifiek project. Om de deskundigheid en de kwaliteit van het werk van PI te bevorderen, biedt Wilde Ganzen in Nederland trainingen aan over de projectcyclus, interculturele communicatie, financiële planning en beheer, en dergelijke. Daar horen zogeheten ‘kennisdocumenten’ bij de zaak nog eens kernachtig samenvatten en die ook beschikbaar zijn voor organisaties die niet in staat waren onze trainingen te volgen. Dit alles: projectfinanciering én versterking van het PI, gebeurt met behulp van door Wilde Ganzen zelf geworven, particulier geld.

Geld verwerven in eigen land
Overzee ondersteunt Wilde Ganzen PE om hen sterker te maken bij hun pogingen om in eigen land geld te verwerven voor hun ontwikkelingswerk. Dit gebeurt eveneens door middel van trainingen en andere vormen van toegang tot informatie. Vier grote, gerenommeerde ontwikkelingsorganisaties in de midden inkomenslanden Brazilië, India, Zuid-Afrika en Kenia hebben hun activiteiten uitgebreid met een door Wilde Ganzen ontworpen programma om de eigen middenklasse te bewegen tot meer steun aan armoedebestrijding. Waarbij tegelijkertijd het initiatief en de inspanning ‘aan de basis’ gestimuleerd en beloond worden: een lokale groep die voor een passend, klein project zelf de helft van de benodigde fondsen bij  elkaar ophaalt, mag rekenen op verdubbeling daarvan met geld dat een mix is van (steeds meer) ‘middenklasse geld’ en (een afnemende) subsidie uit Nederland. De Wilde Ganzen partners financieren dus de helft van de begroting van kleine, meestal op kinderen gerichte projecten. De andere helft wordt door de gemeenschappen opgebracht waar de kinderen leven, waardoor zij, meer dan wanneer alle geld uit Nederland zou komen, écht Project Eigenaar zijn. De lokale groepen uit genoemde gemeenschappen worden getraind in het werven van fondsen en het benaderen van de overheid. Dit programma is een zaak van zeer lange adem, omdat het in elk land een grote cultuuromslag betekent. Wilde Ganzen ontvangt hiervoor een subsidie van de Nederlandse overheid.

Eigenlijk zou iedereen die projecten in ontwikkelingslanden steunt, dus zowel Particuliere Initiatieven als de grote, ‘gevestigde’ organisaties, moeten investeren in het versterken van de capaciteit van lokale ontwikkelingsorganisaties om in hun eigen omgeving fondsen te werven. Maar ook in het verspreiden van kennis en de ontwikkeling van de moed en vaardigheden die deze lokale organisaties nodig hebben om hun eigen overheid aan te spreken op diens verantwoordelijkheid. Dat geldt zeker voor midden inkomenslanden.

Capaciteit versterken
Nu investeren particuliere gevers graag in concrete projecten die snelle resultaten bieden. Zij geven niet graag geld voor het versterken van de capaciteit om fondsen te werven of om rechten te claimen bij overheden: zaken die een langere adem vergen en waarvan de uitkomst dus niet direct zichtbaar is; ja, zelfs ongewis is.

De Nederlandse ontwikkelingssubsidies van de toekomst zou daarom juist moeten investeren in het versterken van de kennis en capaciteiten die in ontwikkelingslanden nodig zijn om het heft écht in eigen hand te nemen. Daar hoort zeker steun aan een goed functionerend politieel en justitieapparaat bij en aan vakbonden en samenwerking tussen politieke partijen. Maar ook de inzet van Particuliere Initiatieven die goed samenwerken met hun partners, de Project Eigenaren, is belangrijk. Namelijk om mensen in Nederland op een heel directe wijze bij ontwikkelingsprojecten te blijven betrekken. En om met inzet van hun expertise en hun financiële bijdragen op zoveel mogelijk locaties samen met de PE een aanzet tot beter onderwijs, een betere toekomst te geven: een schoolgebouw, een gezondheidspost, kleinschalige groenteproductie, noem maar op.

Geld van de Nederlandse overheid kan een belangrijke meerwaarde daaraan geven, door diezelfde PE te steunen bij het vergroten van hun kennis van de lokale wetgeving, het versterken van hun fondswerving, en het vergroten van hun ‘claim making capacity’. Zo krijgt het begrip ‘medefinanciering’ een nieuwe inhoud: het koppelen van particulier geld ten behoeve van eenvoudige investeringen aan overheidsgeld ten behoeve van capaciteitsversterking en beleidsbeïnvloeding. Door een optimale mengsmering van particuliere en overheidsmiddelen kunnen we lokale organisaties helpen hun overheden te dwingen en de rijkere middenklasse over te halen om méér te doen aan armoedebestrijding in eigen land. Dat zal naar onze vaste overtuiging zeker in de midden inkomenslanden waar driekwart van alle armen op de wereld leeft, rijpe vruchten afwerpen. En naarmate lokale fondswerving succesvoller wordt en de lokale overheden – onder druk van de eigen bevolking – hun verantwoordelijkheid oppakken, kan de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking afgebouwd worden. Maar eerst moet er verder geïnvesteerd worden.

Robert Wiggers is adjunctdirecteur van Wilde Ganzen. Wilde Ganzen verstrekt fondsen aan particuliere initiatieven op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Jaarlijks steunt de organisatie ongeveer vijfhonderd projecten wereldwijd.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief