Ik woon in Dakar nogal paradijselijk, aan de stadsrand in een huis direct aan zee. Beter nog: één van Dakars beste surfspots (niet doorvertellen, maar je kunt in Dakar fantastisch surfen) ligt er nog geen kwartier lopen vandaan. Geen beter begin van je dag dan een zonnige surfsessie.

Inmiddels zijn mijn buurtgenoten er wel zo’n beetje aan gewend, aan de lange bleekscheet die halfnaakt en glimmend van zonnebrandolie voorbij komt kuieren, gewapend met een soort strijkplank. Niettemin krijg ik nog geregeld, hoe zal ik het zeggen… wat meewarige blikken. Ik onthul dan mijn grootste glimlach en zwaai naar iedereen die ik in de peiling krijg. Contact maken werkt in Afrika altijd verbazend goed.

Op het strand wordt ik begroet door een palmbomeneiland een meter of honderd voor de kust. Op het strand zelf liggen honderden smalle, veelkleurige vissersboten. Hier en daar zeult een groep mannen begeleid door ritmisch gezang een boot het zand op. Jong en oud helpt mee, van graatmagere jochies tot voorname grijsaards. Vanuit Ngor, het aan Dakar vastgegroeide dorp grenzend aan het strand, schrijden vrouwen naar de vloedlijn. Ze legen er de emmers afval die op hun hoofden balanceren. De vissenkoppen, ingewanden, etensresten en stukken plastic trekken geiten en katten aan.

Aan het eind van het strand begint een steeg die leidt naar een kleine, door het dorp omsloten baai waar ik te water ga om naar de surfspot te peddelen. Bij het begin ervan staat altijd een geestelijk gestoord meisje in zichzelf verdiept te dansen. Ook haar doneer ik trouw mijn Colgate-glimlach; wellicht dat ik ooit een reactie krijg.

In de steeg slokt de beslotenheid van het dorp me volledig op. Van alle kanten weerklinken geluiden. Flarden muziek, gesprekken, een schaterlach. Ik passeer binnenplaatsen waar vrouwen, omringd door kinderen, heersen over dampende pannen. Ik druk me tegen een muur als een tegenligger me passeert, in elke hand drie glimmende tonijnen.

Het baaitje waar ik uitkom fungeert als dorpsplein. In de schaduw langs de huizen zitten oude mannen en vrouwen, die door voorbijgangers respectvol worden begroet. In pirogues op het strandje hangen mannen en jongens rond. Op de rotsen spelen peuters. ‘Toubab, toubab!’, wijzen ze uitgelaten naar me, ‘blanke, blanke!’. Eentje dobbert rond op een halfvergane surfplank.

Het is een arm dorp, Ngor, zeker, en er is vast geen moer te doen. En toch word ik, elke keer dat ik er kom, bevangen door het gevoel dat het leven zo slecht nog niet is in deze hechte, serene gemeenschap zonder haast.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief