In het afgelegen stadje Lulimba, in het oosten van de Democratische Republiek Congo, is het moeilijk werken als arts. Lange afstanden maken deel uit van de amper te vatten extremen in dit enorme land, dat barst van de kostbare mineralen, maar waar één kind op vijf sterft voor het vijf jaar oud is. Van de 153.473 kilometer wegen op de kaart van Congo, een land met een oppervlakte 2/3 zo groot als dat van Europa, is slechts 2.749 kilometer verhard. Zodra we de buitenwijken verlaten rond Bukavu, de grootste stad in Zuid-Kivu, houdt het asfalt op.
Aan het woord is Chris Bird, kinderarts voor Artsen zonder Grenzen in Oost-Congo.

Ik ben op weg naar Lulimba, een klein, afgelegen stadje in het oosten van de DRC op zo’n 300 kilometer van Bukavu. De reis duurt twee dagen in een 4×4 wagen. Vliegen kan niet, want de landingsbaan die in een ver verleden door een intussen verlaten missiepost werd aangelegd, zou er vandaag compleet onbruikbaar bij liggen. De auto schudt en schokt over de stoffige wegen, in de rivieren die we oversteken spetteren massa’s kinderen water in het, en er zijn korte ontmoetingen met gewapende mannen: het is werkelijk onmogelijk om me te concentreren op het Franse grammaticaboek op mijn schoot. Mijn eigen reis naar de DRC als arts heeft iets langer geduurd. Voor ik geneeskunde ging studeren, werkte ik als journalist aan het front in Bosnië en Afghanistan.
Vluchtelingen, burgeroorlogen, politieke conflicten … Dat waren de verhalen waar ik over schreef. Journalisten worden naar ziekenhuizen en klinieken gezogen als muggen naar het licht. Daar vinden ze de meest grimmige getuigen van het lijden van volkeren die gebukt gaan onder conflicten. Ik sprak in veel oorlogssituaties met artsen en verpleegkundigen, en hoe meer ik met hen praatte, hoe moeilijker het werd om gewoon in een hoekje notities te staan nemen terwijl zij hun leven waagden om zieken en gewonden te helpen, vaak met het absolute minimum aan medicatie en uitrusting.

Ik hing mijn notitieboekje aan de wilgen en schreef me in Londen in aan een medische universiteit. Tien jaar later rijd ik langs een marineblauw geverfd café met de naam Clinique de la Soif (de Dorstkliniek), en maak me zorgen over de plotse uitbreiding van mijn klinische opdracht. Als arts in Groot-Brittannië behandel ik patiënten op een drukke spoedafdeling, waar ik me geen zorgen hoef te maken of er wel antibiotica of röntgenapparaten beschikbaar zijn.

De DRC bengelt ergens onderaan de Human Development Index van de VN, en er is niet veel voorhanden. Ik ben al gewaarschuwd dat ik niet alleen consultaties zal moeten doen, maar bijvoorbeeld ook te maken zal krijgen met bevoorraden van het ziekenhuis, mogelijk grootschalige uitbraken van cholera of mazelen, en het opstarten van behandelingen tegen tuberculose en hiv, twee ziekten met een complexe pathologie en sociale gevolgen die overal moeilijk te behandelen zijn, laat staan in het afgelegen Lulimba.

Als we aankomen, zien we dat onze vrachtwagen met zowat een ton kostbare medicatie in een hoek van 45 graden op de weg staat, weggezakt in de modder op de hoofdstraat. Er is geen stroom in de uit modder en stro opgetrokken hutten. Wanneer het team van Artsen zonder Grenzen aankomt in het plaatselijke ziekenhuis, twee gelijkvloerse gebouwen van modderbaksteen en met een ijzeren dak, vertellen we het aanwezige personeel wat we van plan zijn met gratis gezondheidszorg. Die avond haalt het personeel vol enthousiasme de handgeschreven prijslijsten van de muur.

Nog diezelfde nacht doet het nieuws de ronde en de volgende dag staat er plots een massa vrouwen in kleurige stoffen, met in hun armen hoestende kinderen met koorts. Ze verzamelen zich voor de bouwvallige kliniek voor een gratis consult. Georges, één van de verpleegkundigen, staat er een beetje verloren bij in zijn witte jas. “Nu het gratis is, zal iedereen komen!” zegt hij.
In september, vóór Artsen zonder Grenzen hier aankwam, kwamen er 231 patiënten naar het ziekenhuis. Tijdens onze eerste week hebben wij er meer dan 300 gezien.
Het ziekenhuis ligt op een kleine grasheuvel aan de voet van het Mitumba-gebergte. De pracht van de streek contrasteert met de wanhopige situatie van de bevolking. Op mijn eerste dag vond ik op de afdeling pediatrie een peuter van 14 maanden oud, die 5 kilogram woog. Hij lijdt aan marasmus, een ernstige vorm van ondervoeding met het typische ingezakte gezicht als van een oude man. Hij moet een versleten bed delen met een ander ziek kind, want er zijn niet genoeg wiegjes. Dat is gevaarlijk, want het immuunsysteem van een ondervoed kind kan maar moeilijk infecties bestrijden.
Verpleger Pierre en ik behandelen momenteel de tuberculose die mogelijk aan de basis van de ondervoeding ligt, en ondertussen beginnen we ook met een therapeutisch voedingsprogramma. Pierre heeft hier heel wat meer ervaring mee dan ik, en hij is optimistisch. De artsen in het ziekenhuis, Serge en Albert, vroegen me om een keizersnede bij te wonen in de operatiezaal: een kale ruimte, zonder elektriciteit of lampen. Het personeel moet het overdag stellen met het licht dat door het plastic dakraam naar binnen valt, en ’s nachts zit er niets anders op dan hoofdlampen te gebruiken. Het zag er niet naar uit dat de baby het zou overleven, de baarmoeder was gescheurd. De operatie diende om het leven van de moeder te redden. Maar nadat we de longetjes een paar keer hadden opgeblazen met de beademingsballon, begon het meisje te huilen. Moeder en kind maken het goed.

Het is het conflict in de DRC dat aan de basis ligt van de gezondheidsproblemen in Lulimba. In 2009 werd het ziekenhuis aangevallen door een gewapende groepering, die veel van de toen al beperkte middelen plunderde of vernielde. De nood is hier hoog, maar er zijn gebieden die nog veel afgelegener liggen. Ik kan me alleen maar voorstellen hoe de situatie daar is. Om in Lulimba te komen, moesten we door een gebied dat Foret 17 genoemd wordt, en dat bekend staat om het banditisme en de sterke aanwezigheid van de vele gewapende groeperingen die door Zuid-Kivu trekken. Aan een geïsoleerde gezondheidspost in de buurt zei de hoofdverpleegster dat honderden dorpelingen de bossen in gevlucht waren door recente gevechten. Zij hebben nu geen hulp meer in hun strijd tegen malaria, longontsteking, diarree en andere behandelbare ziektes, die in Congo echter nog steeds te veel levens kosten…

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief