Op 26 augustus kwam een student uit Guinee aan in Dakar. In een internationale taxi, een grote Peugeot met zeven tot negen passagiers en hun bagage, was hij aangekomen op het stervensdrukke gare routière van de Senegalese hoofdstad. Hij bezocht familie in een volkswijk en werd daar ziek. Misselijk en met diarree ging hij naar de kliniek voor infectieziekten van het moderne ziekenhuis van Fann, waar hij loog over zijn reis. De artsen stelden echter ebola vast en de jongeman moest bekennen dat hij bij een begrafenis was geweest van een familielid in Sierra Leone, die aan ebola bezweken was.

De dokters plaatsten hem meteen in isolatie. De twee huizen waar hij had gelogeerd kwamen onder quarantaine, compleet met gezondheidschecks voor de bewoners. Niemand bleek besmet en de Guineeër verliet twaalf dagen na opname de kliniek en mocht naar huis. In Guinee, welteverstaan.

Senegal en Nigeria zijn zo goed als zeker ebola-vrij, dankzij snel, gericht ingrijpen en een redelijk tot goed functionerend gezondheidsstelsel

Bijna hetzelfde gebeurde eerder in Nigeria, waar op 20 juli een Liberiaan de metropool Lagos binnenvloog, loog over zijn ziekte, die kort daarna toch werd vastgesteld. Een razendsnelle actie volgde, andere patiënten werden geïsoleerd en getest. Uiteindelijk bleek hij twintig mensen besmet te hebben, van wie er acht stierven. Na 31 augustus kwamen er in Nigeria geen nieuwe ebola-gevallen meer bij.

Testen, isoleren, behandelen
Senegal en Nigeria zijn zo goed als zeker ebola-vrij, dankzij snel, gericht ingrijpen en een redelijk tot goed functionerend gezondheidsstelsel. Kunnen de drie zwaar getroffen landen Guinee, Liberia en Sierra Leone daar lering uit trekken – als ze dat al niet doen?

Vooralsnog proberen de autoriteiten er hetzelfde te doen als in Dakar en Lagos: mensen testen, patiënten isoleren en behandelen, en met spoed alle anderen traceren. Hun gezondheidssystemen waren al zwaar overbelast zonder ebola; met deze epidemie erbij staan ze op instorten. Goedgetrainde dokters, verpleegkundigen, laboratoria (Dakar heeft er eentje), beschermende kleding – alles moet worden ingevlogen.

En er is nog een kardinaal verschil. In Senegal en Nigeria arriveerde ebola in de stad. In Guinee niet. “Patient Zero” (het allereerste geval) woonde in een veraf gelegen, verwaarloosd plattelandsgebied, een adembenemend berg-en-regenwoudland, dat zich uitstrekt over Liberia, Guinee, Sierra Leone en Ivoorkust. Maar die schoonheid verhult systematische verwaarlozing. Wat was de reactie van de Liberiaanse regering toen op Kerstavond 1989 een zekere Charles Taylor in datzelfde gebied het begin van een oorlog aankondigde? Ver weg, niet zo belangrijk, het zal wel overgaan. Zes maanden later was de hoofdstad Monrovia een slagveld.

Liegen
Tussen de constatering van het eerste geval in Lagos en de verklaring van de Nigeriaanse minister Onyebuchi Chuwku van gezondheid dat dit “een nationale urgentie” betrof, zat twee weken. Als u dat lang vindt: in Liberia deed men daar drie maanden over. Niet vreemd dus dat activisten de ebola-crisis niet alleen als een gezondheidsvraagstuk zien, maar als bewijs voor de diepe bestuurscrisis waarin de landen gedompeld zijn. Samuel Kofi Woods diende tot mei vorig jaar nog in het kabinet van de Liberiaanse president; op 6 oktober zei hij tijdens een toespraak in Atlanta dat hij de regering zelf een proces wilde aandoen, zo inadequaat had hij de respons op de ebola-uitbraak gevonden.

Er is een fundamenteel wantrouwen tussen burgers en een doorrottende staat – en de donoren houden dit onstabiele bouwwerk in stand

Hetzelfde sentiment heerst in de zwaarst getroffen gebieden. Neem Guinée Forestière, waar “Patient Zero” gevonden werd. Daar arriveerden de laatste 25 jaar honderdduizenden vluchtelingen. Hun aanwezigheid trok een gigantische wissel op de natuur, waar mensen normaalgesproken van kunnen bestaan. Rond de millenniumwisseling werd het gebied zelf een oorlog in getrokken, met verwoestende gevolgen voor de bewoners, hun huizen, hun dorpen en steden. Bovendien bleek hun regering glashard te liegen over wie nu tegen wie aan het vechten was. Al die geschiedenis ligt daar nog. En dan komt ebola.

Porseleinkast
Op 16 september vermoordde een menigte in het dorpje Womey, diep in Guinee Forestière, zeven lokale voorlichters en journalisten. De aanvallers waren overtuigd dat de bezoekers hun dorp kwamen besmetten. Conakry, de hoofdstad, duizend kilometer verderop, en de internationale gemeenschap, nog verder weg, waren geschokt. Ze begrepen het niet, maar ze vroegen ook niet naar het waarom.

Deze week: in een ander stadje in Guinee, Macenta, waar eerder een kliniek van Médecins Sans Frontières was bestormd, zijn na goed overleg de medische teams nu wel welkom. Wie niet als een olifant door een culturele en historische porseleinkast davert, wordt gehoord. Dat is de boodschap uit Guinee Forestière.

Het virus moet onder controle gebracht worden en dat is zwaar werk. Hulp van buitenaf is daarbij helaas keihard nodig. Pas daarna kan het probleem aangepakt worden waar de ebola-crisis een schijnwerper op heeft gezet: het fundamentele wantrouwen tussen burgers en een doorrottende staat – en de donoren die dat onstabiele bouwwerk in stand houden.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
IMG-BP-Ségou

Over de auteur

Bram Posthumus is freelance journalist die vanuit West-Afrika verslag doet. Hij maakt radioreportages voor o.a. Deutsche Welle en Voice of …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief