Al een week staan ze er, midden op de drukke weg voor mijn huis in Dakar. Een tiental Senegalezen in witte outfits en grote spandoeken waarop te lezen valt: “Nodig: 700 euro om het leven te redden van Adama.” Bij navraag blijkt Adama de pasgeboren zoon te zijn van een van de spandoekdragers. Adama, zo vertelt me de vader, heeft een darmaandoening die hem fataal zal worden als hij niet spoedig geopereerd wordt. Kosten: 700 euro.

Ik heb de man 5000 franc gegeven, ofwel 7,5 euro. Rokend en knetterend op weg naar een interview op mijn brakke ouwe scooter (een waar wonder op wielen, maar da’s voer voor een volgende blog), maalden er daarna gedachten door mijn hoofd die me vaker plagen na dit soort donaties. Had ik niet meer geld moeten geven? Maar hoeveel dan? De volle 700 euro? Eerlijk is eerlijk, ik heb het geld, en is een leven redden niet belangrijker dan mijn bankrekening? Aan de andere kant: ik verdien als freelance journalist al zo weinig, kunnen al die dikke bobo’s in hun glimmende terreinwagens dit niet opknappen? Trouwens, wie zegt me dat het verhaal over zieke Adama überhaupt wel waar is? Misschien is het wel totaal verzonnen, en alleen maar een slinkse manier om mensen geld uit hun zak te kloppen. In een land zo arm als Senegal zijn mensen tot veel in staat om aan geld te komen, zover ben ik inmiddels wel. De Nigeriaanse e-mails met de strekking ‘mijn moeder is ziek, alleen u kunt mij helpen’ zijn wat dat betreft bekend genoeg, nietwaar?

Een vergelijkbaar voorbeeld. Dakar barst van de talibés, volgens de traditie leerlingen van Koranscholen die hun geestelijke vorming een uurtje of wat per dag aanvullen met het vragen om aalmoezen. In werkelijkheid doen de meeste talibés niets anders dan bedelen, rücksichtslos uitgebuit door nep-imams en ander tuig. Je komt ze overal tegen, die groepen haveloze jochies, bijna peuters vaak nog, gewapend met hun plastic bedelnappen. Dat leidt bij mij steeds tot dezelfde vragen: moet ik ze geld geven? Veel mensen hier zeggen: nee nee, niets geven hoor, zo houd je het probleem alleen maar in stand. Tja, daar zit misschien wel wat in. En gaat dat geld hoe dan ook niet toch alleen maar naar hun uitbuiters? Maar ja, je kunt die deerniswekkende ventjes toch niet almaar in de kou laten staan? Gulden middenweg wellicht: ze te eten geven. Maar dan krijg je vaak de volgende scène: ik verlaat een bakker met tien croissants, drie voor mij en zeven voor hen. Ik begin met uitdelen, maar voor ik met mijn ogen kan knipperen stromen er uit alle hoeken en gaten steeds meer talibés toe, wel honderd lijkt het, die vechtend over de grond beginnen te rollen met de paar croissants die ik had uitgedeeld. Het loopt helemaal uit de hand, chaos! Wat te doen de volgende keer?

Ik laat nog van alles en nog wat buiten beschouwing: de vele in zichzelf pratende, totaal vervuilde daklozen die Dakar telt; het meisje met de open, etterende zweer op haar arm die ik trof tijdens een opdracht in een dorp net buiten de stad; de misvormden in rolstoelen die bij elke verkeersopstopping opduiken, et cetera, et cetera, et cetera.

Ik weet niet goed weet hoe ik met dit soort dingen moet omgaan. Ik zou me er helemaal voor kunnen afsluiten – dat doen de meeste buitenlanders hier, maar lijkt me toch niet de goede houding. Iedereen helpen is echter volmaakt onmogelijk. Dan maar af en toe lukraak iemand wat geven? Mijn vraag is eigenlijk: hoe denken jullie hierover?

 

 

 

 

 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief