Leny Kalshoven (76) huilt bittere tranen als ze naar de foto van haar moeder kijkt; een mooie jonge vrouw met gitzwart haar. Het is het enige portret dat ze nog van haar heeft. ‘Mammie’, zoals Leny haar moeder noemt, overleed in 1943 door de ontberingen van het jappenkamp. Leny was zeven toen ze voor haar ogen zag hoe Japanse soldaten haar vader met geweld afvoerden. Zelf verdween ze met haar moeder en twee zusjes in een interneringskamp voor vrouwen.

Leny kan zich het harde leven in het kamp in de Oost-Javaanse stad Surabaya nog goed herinneren. Er was nauwelijks te eten. Haar moeder was lichamelijk niet sterk en werd ernstig ziek. Haar oma, een Indonesische vrouw, wist haar dochter en drie kleinkinderen uit het kamp te krijgen. Maar het was al te laat. “Mammie stierf drie dagen later. Mijn oma begroef haar in de tuin. Waar moesten we met het lichaam naar toe?” herinnert ze zich huilend.

De jonge jaren van Leny en haar zusjes Thea en Betty is een aaneenschakeling van ellende. Na de Japanse capitulatie overleed ook haar grootmoeder. Niemand wist waar hun vader was gebleven. Het enige nog levende familielid tante Lucy, weduwe geworden nadat haar man, de broer van Leny’s vader, ook in het kamp was overleden, weigerde voor de kinderen te zorgen. Ze stopte de meisjes in een weeshuis en vertrok met haar nieuwe echtgenoot naar Amerika.

Het duurde acht jaar voordat het Rode Kruis de zusjes Kalshoven in Surabaya wist op te sporen. Op het treinstation in Jakarta werden ze herenigd met hun vader. “We wisten niet meer hoe hij eruit zag. Toen een man vroeg of wij Leny, Betty en Thea waren, wisten we dat hij onze vader was. We hebben toen zo gehuild”, vertelt Leny.

Naar Nederland kon het gezin niet meer. Vader Kalshoven had zich laten nationaliseren onder druk van Indonesische milities, die hem oppakten nadat hij uit het jappenkamp kwam. Het was augustus 1945. Het toenmalige Nederlands Indië was bevrijd van de Japanse bezetters, maar voor de Hollanders was de oorlog nog niet voorbij. Indonesische revolutionairen probeerden de terugkeer van het koloniale bestuur, dat tijdens de Japanse oorlog was uitgeweken, met geweld tegen te houden. Nederlanders waren het doelwit van hun gruweldaden. “Mijn vader smeekte de Indonesische milities hem in leven te houden. Hij wilde zijn gezin opsporen. Hij mocht in Indonesië blijven op voorwaarde dat hij zijn Nederlandse nationaliteit opgaf.”

Vader Kalshoven trouwde met een Indonesische vrouw. Leny en haar zusjes konden nog twee jaar naar de Nederlandse school tot Nederland in 1949 de soevereiniteit van Indonesië ondertekende. De meisjes, een economische blok aan het been van hun werkloze vader, trouwden al jong. Leny kreeg zeven kinderen van haar Indonesische echtgenoot. “Onze mannen hadden simpele banen. We leefden in armoede.” Terwijl de Kalshovens ooit in rijkdom opgroeiden. “Mijn opa bezat fabrieken in Surabaya. Ook hij overleed in het Jappenkamp. We raakten alles kwijt.”

De Nederlandse staat wenste geen financiële verantwoordelijk voor de Kalshovens te dragen. Ook al had Leny’s vader jarenlang als opzichter bij de Bataafse Petroleum Maatschappij gewerkt, als genationaliseerde Indonesiër kreeg hij geen pensioen of AOW. En de familie kwam ook niet in aanmerking voor een uitkering voor oorlogsslachtoffers. “Onze aanvraag werd geweigerd, omdat we niet konden bewijzen dat we in een kamp zaten. Hoe konden we nog getuigen vinden? We waren nog zo klein!” zegt Leny verontwaardigd.

De zusjes Kalshoven zijn niet de enige Indische Nederlanders die na de dekolonisatie gedwongen in Indonesië achterbleven en vervolgens in de armoede terecht kwamen. Volgens bestuurslid Josta Rumahlaiselan-Pattinama van de stichting Halin die hulp aan Indische Nederlanders biedt, leven er nog 634 Indische Nederlanders in Indonesië die van een hongerloontje moeten zien rond te komen of niet eens een vaste verblijfplaats hebben.

Leny’s man, die zes jaar geleden overleed, liet haar met niets achter. Van Halin krijgt ze veertig euro per maand. Tegenwoordig woont ze samen met haar dochter en kleinkind in een klein huisje in Zuid-Jakarta. De kinderen van deze generatie Indische Nederlanders die de Japanse oorlog mee hebben gemaakt zijn inmiddels allen bejaard. Nederland beschouwen ze nog steeds als een verloren paradijs.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
wilma2

Over de auteur

Wilma van der Maten woont in Jakarta en werkt als freelance journalist voor onder andere OneWorld, het Parool, DPD, VPRO, VRT en Elsevier.
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief