“We zagen ze aankomen, de Syrische vluchtelingen – één voor één. Ze hadden alles wat ze hadden achtergelaten. We vingen ze op in onze huizen, we ondersteunden ze in kampen. Ik werkte in één van de klinieken gedurende die tijd en deed wat ik kon om deze mensen te ondersteunen. Nu, een paar maanden later is alles veranderd. Plotseling ben ík degene die met mijn familie moest vluchten. Nu zijn wij degenen die op zoek zijn naar veiligheid en huisvesting. Nu zijn wij degenen die alles verloren hebben.”

In een rokerige hotellobby in Koerdistan praten we met een Irakese dokter. Hij werkte in een van de Artsen zonder Grenzen klinieken voor Syrische vluchtelingen. Een paar maanden later is hij zelf vluchteling. Hij is blij dat hij ons weer gevonden heeft en hoopt nu bij te dragen in de zorg voor zijn eigen bevolking, de Irakese vluchtelingen.

Plotseling ben ík degene die met mijn familie moest vluchten.

Weggerukt
Hij vertelt verder: “nu zie ik mijn ouders zitten. Weggerukt van ons thuis, van ons land, onze boomgaard. Twee mensen in een vreemde stad, in een flatje, drie hoog. Maar ik heb geluk, mijn familie heeft geluk. Ik ben een dokter en ook mijn broers en zussen zijn goed opgeleid. Wij kunnen een appartement huren hier in Koerdistan. Velen kunnen dat niet.”

“De jeugd vindt een manier om zich aan te passen, voor de ouderen is dat het moeilijkst. Zij zijn het meest kwetsbaar, hebben vaak chronische ziektes, ze kenden weinig anders dan hun eigen dorp, hun eigen gemeenschap, waar ze opgroeiden en hun kinderen groot brachten, hun kleinkinderen geboren zagen worden. Velen zijn kinderen verloren of van hun familie gescheiden door het geweld.”

Trotse dames
Terwijl de dokter vertelt gaan de beelden van wat ik de afgelopen weken heb aanschouwd door mijn hoofd. Oude dames zonder tanden die me door hun huis rondleiden. Of eigenlijk, de onafgebouwde huizen waarin ze met hun familie verblijven; betonnen bouwsels, afgeschermd met blauw plastic, wat kartonnen dozen op de grond. Trotse dames die me duidelijk vertellen wat ze nodig hebben: dekens, verwarming, matrassen. Maar als ik ze vraag naar waar ze vandaan komen, naar hun verhaal, breekt er iets. Tranen.

Of de vrouwen in het kamp, tenten op elkaar gepropt, met 1000 onbekenden op een veldje, met maar een paar plastic wc’s, kleren wassend en brood bakkend tussen het afval.

Maar als ik vraag naar hun verhaal, breekt er iets.

Dit was mijn huis
Eén dame blijft op mijn netvlies staan. Terwijl we door het kamp rondliepen kwam ze naar ons toe. In haar handen had ze twee foto’s geklemd. ‘Dit is mijn huis,’ zei ze. Ik zag een totaal platgebrand huis op de foto’s. ‘Dit was mijn huis. Alles is weg.’ We praten even en ze vertelt haar verhaal, over al het geweld en haar vlucht. Over hoe ze nu leeft, over de kou die de jicht in haar botten alleen maar erger maakt.

We vervolgen onze weg door het kamp. Als we weggaan, staat ze nog steeds op dezelfde plaats. Ze heeft haar foto’s nog steeds in haar hand geklemd. Ze staart ernaar, vol ongeloof. Gebogen door verdriet, verstijfd door de kou, bevroren in de tijd.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Maartje Hoetjes werkt sinds 2007 voor Artsen zonder Grenzen (AzG), heeft meerdere missies gedaan en is lid van het noodhulpteam. Van …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief