De week voor 30 juni word ik platgebeld door vrienden en familie uit Egypte “Wanneer kom je? Je moet er wel zijn, dit moet je meemaken. Vergeet je gitaar niet. Het wordt een feest!”. Geïnstalleerd achter 2 laptops, TV en 3 mobiele telefoons, volg ik vanuit m’n huiskamer in Den Haag de ontwikkelingen. Ik bel m'n neef die zijn dagen dienstplicht aftelt op een legerbasis in de woestijn. “Maak je geen zorgen. El-Sisi heeft het onder controle. Dit is een goede gast. Hij zorgt er wel voor dat deze verrader vertrekt. Terwijl wij getraind worden om tegen de Israëliërs te vechten, sluit Morsi deals met de joden, ongelooflijk toch! Misschien zie ik je in Cairo als je komt. Ze zeggen dat we gaan ingrijpen”.

 

Morsi verdedigt zijn legitimiteit. Tientallen keren herhaalt hij zijn bestaansrecht in z'n toespraak. De schoenen in de lucht op de twee hoofdpleinen in Cairo beweren dat ze in de meerderheid zijn, legitimiteit onthaald. Een motie van wantrouwen, ingediend door het enig erkende en werkende instituut: de straat. Het leger besluit de motie uit te voeren.

 

Ik vlieg naar Egypte en begin m’n weg naar Tahrir. Uren later, na veel blokkades, beschietingen en demonstrerende Moslim Broeders ontweken te hebben, parkeren we midden op het plein. Ik stap uit en word direct onthaald door een vrolijke groep schminkers en vlaggenverkopers en krijg een poster van El-Sisi in m’n handen gedrukt. Het doet me een beetje denken aan Koninginnendag: muziek, vlaggen, kraampjes met gadgets (vooral de groene laser-pen doet het goed) en hapjes. Ik gooi de poster op de achterbank van de auto “Vind je hem niet knap?” knipoogt m’n tante, terwijl ze haar poster een kus geeft en grapt “hij heeft ten minste niet zo’n lelijke baard”.

 

Baard of geen baard, ik krijg een beetje de kriebels van de verheerlijking van wederom een leider.

 

Thuis zet ik de poster van El-Sisi naast het rijtje portretten die m’n vader heeft ingelijst: Mohamed Naguib, Anwar Sadat en z’n favoriet Gamal Abdel-Nasser. Ik vraag me af: zal over een aantal decennia Mubarak er toch als gewaardeerde oud-president tussen komen te staan, niet voor wat hij heeft gedaan maar voor hoe minder slecht hij het deed ten opzichte van zijn opvolger?

 

De deurbel gaat. Tamer, m’n lieve trouwe vuilnisman heeft gehoord dat ik terug ben. Ik moet mezelf inhouden hem niet te omhelzen. Z’n ogen stralen wanneer ik zijn hand schud, nog net niet kus uit respect. Z’n eeuwige tandeloze lach en de zware bundel afval op z'n kleine, oude rug staan me nog de hele dag bij. Welke president zal zorgen dat hij eindelijk met pensioen kan gaan?

 

Traditiegetrouw  loop ik verdwaald de garage in om de ochtend te starten met een kop zoete thee met de deurman en z’n gezin. Ik kom de nieuwe deurman tegen en herinner me dat ze er niet meer zijn. Na 20 jaar voor de flat en haar bewoners te hebben gezorgd, zijn ze er vorig jaar uitgegooid. Uit de garage. Niemand in de flat kwam voor ze op toen ze werden beschuldigd van diefstal – de aanklager had connecties bij de politie, het zou toch niet baten. Ik bel Menaem op. “Heeey, je bent toch gekomen! Ik zei toch vorige week dat je tegen je vader moest zeggen dat er niets aan de hand is. Egypte is een veilig land. We zijn Syrië niet. Zit je alleen in de flat? Je mag ook bij ons logeren!”

 

Ik maak een praatje met m’n nieuwe deurman en vraag hem of de tram wel rijdt. Ik wil naar Rabaa el Adaweya, het territorium van de Moslim Broederschap. “Ben je gek geworden? Ze maken je af. Ze zien meteen dat je niet van hier bent. Ze zijn niet te vertrouwen! Honden zijn het!” Ik sta perplex. Niet alleen door zijn aannames maar ook m’n eigen vooroordeel. Is hij zelf dan geen Moslim Broeder?

 

Ik pak een taxi, vermeld m’n bestemming en spring op de achterbank. Twee vragende ogen kijken me via de achteruitkijkspiegel aan. “Je maakt een grapje? Naar de Moslim Broeders toe?”. Ik antwoord dat ik serieus ben en vraag of hij bang is me te brengen. Hij grinnikt. “Bang? Voor jou! Ze eten je op!”. Ik stel hem gerust en trek m’n lange zwarte gewaad en sluier tevoorschijn. Hij lacht “oh, dan is het goed. Kom voorin zitten, voor de spiegel. Ik heb ook speldjes voor je hoofddoek, dan glijdt hij niet af” en hij trekt een laatje open. Ik reageer verbaasd op z’n enthousiasme. “Nu kan ik het goedmaken” verklaart hij. “Vorige week vervoerde ik soldaten in m'n taxi die zich omkleedden tot burgers om zich te voegen bij de demonstranten op het Tahrir-plein zodat het er meer leken. Nu rij ik voor het andere kamp”. Ik vraag hem waar hij zich toe berekent. “Niemand. Het is één pot nat”, antwoordt hij. “Maar eerlijk is eerlijk, onder Mubarak vierden we het suikerfeest tenminste nog samen”.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief