Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 4 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

Nurisam (53) weet het nog als de dag van gisteren. In 1997 kwamen vier politieagenten naar haar toe terwijl ze maïs aan het planten was. “Mevrouw, u kunt hier geen maïs meer planten”, deelden ze haar mee. Toen zij een verklaring vroeg meldden de agenten dat de grond vanaf nu door een oliepalmplantage gebruikt zou gaan worden.

Het stuk grond waar Nurisam die dag maïs plantte behoort al sinds jaar en dag tot haar familie. Veel mensen in Koto Baru hadden een stuk grond. Ze gebruikten het om groente en fruit op te verbouwen. “We oogstten altijd gezamenlijk, en verdeelden de winst onder onze gemeenschap”, legt Nurisam uit.

Nurisam2_OneWorld
Nurisam (53) Beeld door: Milieudefensie / Ed Wray

Met de hulp van de politie konden de eigenaren van het plantagebedrijf PT PMJ (onderdeel van Wilmar) vanaf 1996 veel mensen in Koto Baru van hun grond verjagen. Mensen moesten gedwongen verhuizen, waarop hun huizen en zelfs de moskee in brand werden gestoken. Alles om plaats te maken voor de plantage van Wilmar. “Hoe kan het dat bedrijven als Wilmar opeens eigenaar zijn van ons land? Het is onbegrijpelijk, en nu hebben we nog slechts één maïsveld over”, vertelt Nurisam.

De rol van Nederlandse banken

In een recent rapport onderzocht Milieudefensie welke Nederlandse banken in de afgelopen acht jaar geld investeerden in Wilmar. Uit dat onderzoek komt naar voren dat ABN AMRO, ING en Rabobank grote investeringen maakten in het omstreden bedrijf. Zo verstrekten de ABN AMRO en de Rabobank samen met andere banken een lening van 2,2 miljard euro aan een dochteronderneming van Wilmar in 2017. ING verstrekte vorig jaar zelfs een ‘duurzaamheidslening’ à 129 miljoen euro aan Wilmar. De milieubeweging noemt het onbegrijpelijk dat onze banken nog steeds geld steken in bedrijven als Wilmar, en wil dan ook dat de banken zo snel mogelijk uit deze foute sector stappen.

PakArmis_OneWorld
Pak Armis, dorpsleider in Koto Baru. Beeld door: Milieudefensie / Ed Wray

Pak Armis is een van de dorpsleiders in Koto Baru. Sinds de komst van Wilmars plantage PT PMJ in 1996 probeert hij de onrechtmatige overname van hun land ongedaan te maken. “Sinds 1996 hebben we ons verzet door bezwaarbrieven naar de overheid te sturen”, zo licht Pak Armis toe. Maar tot nu toe gaf de overheid daar geen gehoor aan.

“We voelen ons geïntimideerd door Wilmar”, stelt Pak Armis. De gemeenschap is ervan overtuigd dat de politie samenwerkt met de plantage PT PMJ, om de inwoners van Koto Baru te criminaliseren. Pak Armis werd zelf al tweemaal opgepakt, en eenmaal aangehouden: “In 2011 hielden politieagenten ons aan met de boodschap dat wij niet naar ons eigen land mochten. Als we niet zouden vertrekken, zouden zij onze gemeenschap verwoesten. Zij dwongen ons te verhuizen, ver weg van de plantage. Ook zeiden ze dat dat hun recht was, want het was hun land. Maar het is ons land!”

Op 6 april 2016 gaf PT PMJ de politie de opdracht verschillende mensen uit Koto Baru te arresteren. Ze zouden een gedeelte van de oogst van de plantage gestolen hebben. Pak Armis vertelt dat die aantijging op lucht is gebaseerd: “Dat hebben we helemaal niet gedaan!” Tegen de personen die op die dag opgepakt werden wordt nu een celstraf van anderhalf jaar geëist.

Er moet 2.446 hectare aan gemeenschappelijk land terug worden gegeven, alleen dan kan onze gemeenschap weer in vrede leven

RSPO-klacht

Na jarenlang vruchteloos verzet besloten de gedupeerden in Koto Baru afgelopen mei een klacht in te dienen bij de RSPO, het certificatie-orgaan voor duurzaam geproduceerde palmolie, opgericht door de industrie zelf.

De Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO) werd in 2004 in het leven geroepen door verschillende bedrijven (waaronder Unilever), het Wereld Natuur Fonds en de Maleisische Palmolie Associatie (MPOA). De organisatie werkt met een certificatiemodel. Zodra een boer, molen of raffinaderij lid is van de RSPO, moet het aan bepaalde productievoorwaarden voldoen. De palmolie die op deze manier geproduceerd wordt mag het RSPO-keurmerk dragen, en kan daarmee (in theorie) voor een hogere prijs verkocht worden. Zo probeert de RSPO globale standaarden op het gebied van duurzaamheid en mensenrechten te realiseren. Veel milieubewegingen zijn kritisch op de overtuiging van RSPO om de gehele palmolie-industrie te kunnen verduurzamen via een keurmerk.

Palm oil fruit, ca. 20kg

Deel van Dossier

Palmolie dossier

Palmolie zit verborgen in allerhande producten, maar is evenzo omstreden.

Bedrijven kunnen alleen lid worden van de RSPO als zij aan bepaalde kwalificaties voldoen. Hieronder valt ook het recht op vrije, voorafgaande en geïnformeerde instemming (in het Engels FPIC: free, prior and informed consent) van de bevolking vóór de aanleg van een plantage. In de nieuwe RSPO-klacht stellen de bewoners van Koto Baru dat dit mensenrecht door de plantage is geschonden. Ze eisen een einde aan de dreiging die Wilmar vormt in samenwerking met de politie. Daarnaast eisen ze rehabilitatie van de aangetaste gebieden in het mangrovebos en veenmoeras, de Bating Ampu-rivier en de moskee die werd platgegooid voor de aanleg van de plantage. Maar bovenal eisen de bewoners hun grond terug.

Koloniale erfenis

De schending van landrechten, zoals door PT PMJ in Koto Baru, is vanwege ingewikkelde wetgeving rondom landbeheer een veelvoorkomend probleem in Indonesië. Deze problematische wetgeving is mede door de koloniale invloed van Nederland gevormd. Toen Indonesië nog een kolonie van Nederland was, hebben de Nederlanders in 1848 een nieuwe wetgeving gemaakt die hen zelf meer rechten gaf dan de Indonesiërs. Nadat Indonesië onafhankelijk werd in 1945 hebben de rijkere Indonesiërs die aan de macht kwamen zichzelf in deze geprivilegieerde rechtspositie gezet, terwijl de armere rurale gemeenschappen opgescheept bleven met onzekere en versplinterde vormen van traditionele wetgeving. De problematiek rondom landrechtenschending in Indonesië kan daarom gedeeltelijk als koloniale erfenis gezien worden, en de facilitering van landrechtenschending door Nederlandse banken via hun investeringen als neokoloniaal.

PakArmis2_OneWorld
Pak Armis Beeld door: Milieudefensie / Ed Wray

“In 1945 is Indonesië onafhankelijk verklaard. Maar wat er nu met ons stuk land gebeurt is méér dan bezetting. De bezetters zijn nooit verplichtingen met onze overheid aangegaan. Wilmar heeft simpelweg ons land afgepakt, zonder enige afspraak”, vertelt Pak Armis.

Dit koloniale verleden impliceert ook dat het niet volstaat wanneer Nederlandse banken slechts hun handen van deze problematische industrie aftrekken. Er zou enkel een investeringsgat ontstaan, dat andere banken vullen. Het zou een situatie creëren waarbij Nederlandse banken hun handen kunnen wassen in onschuld (zij investeren dan immers niet meer in die foute sector), terwijl de situatie in de palmolie-industrie zelf niet verbetert.

De kans is groot dat banken uit Maleisië, Singapore, of Indonesië zelf de investeringen overnemen, aangezien de meeste investeringen in de palmolie-industrie uit deze landen komen (zie de Forest and Finance-database). Tot nu toe grijpen banken dit gegeven aan als een excuus om hun investeringen in problematische bedrijven als Wilmar juist wél voort te zetten. Ze beargumenteren alleen via investeringen een positieve invloed op de palmoliesector uit te kunnen oefenen, omdat ze dan bepaalde duurzaamheidsvoorwaarden en sociale voorwaarden aan de bedrijven kunnen stellen. Rolf Schipper van Milieudefensie legt uit waarom dat helaas niet zo werkt: “Al sinds 2001 spreken we banken aan op de misstanden in de palmolie-industrie, maar nog steeds zijn landroof en ontbossing aan de orde van de dag. Het stoppen van die geldstroom zou een signaal zijn naar de palmoliebedrijven dat het zo echt niet langer kan. En als grote internationale banken als Rabobank, ING en ABN AMRO die stap zetten, zullen andere banken zeker volgen.”

Vrachtwagen_OneWorld
A truck leaves PT PMJ, a Wilmar palm oil company enroute to a factory in which the oil will be rendered from the fruit Tuesday May 22, 2018.(Photo/Ed Wray) Beeld door: Milieudefensie / Ed Wray

Milieudefensie pleit er dan ook voor dat banken hun energie gaan stoppen in het verbeteren van hun eigen investeringsbeleid, en zich publiekelijk hard gaan maken voor duidelijke (bindende) regelgeving op het vlak van financiële dienstverlening en bedrijfsvoering. Zo kunnen banken hun steun uitspreken voor het Europese Actieplan voor Duurzame Financiering (European Action Plan on Financing Sustainable Growth), waarin sterke duurzaamheidscriteria en regelgeving worden ontwikkeld voor Europese financiële instellingen.

Ook kunnen banken hun steun uitspreken voor een bindend VN-verdrag over bedrijfsvoering en mensenrechten (UN Treaty on Business and Human Rights). Wanneer dit bindende verdrag er komt, kunnen sancties opgelegd worden aan bedrijven die mensenrechten schenden. Op die manier kunnen internationale standaarden gerealiseerd worden waar álle bedrijven en banken zich aan moeten houden.

Luister niet alleen naar ons verhaal, maar vertel het vooral door. Niet alleen in West-Sumatra en Indonesië, maar verspreid het over de hele wereld.

Ondertussen blijven mensen als Nurisam en Pak Armis de dupe van de huidige stand van zaken in de palmolie-industrie, en dat is onacceptabel. Zij hopen dat het delen van hun verhaal, wat slechts één verhaal is van vele, bij kan dragen aan de transitie tot een duurzame en verantwoorde palmolie-industrie. Via deze link kan ook jij je onvrede over het investeringsbeleid van ABN, ING en Rabobank tonen. Ruim 50.000 mensen gingen je voor.

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€4 per maand)
foto-veerle-B

Veerle Boekestijn

Veerle Boekestijn is freelance journalist
Profielpagina

Advertentie

banneralleppo