Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 6 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

Het gigantische skelet van een giraffe torent boven ons uit wanneer Quinsy en ik meelopen met de rondleiding door het Rijksmuseum. We hebben dan al een stukje VOC-geschiedenis achter de rug, met decadente kostuums en aandacht voor slavernij. Op de bordjes met omschrijvingen komt constant het woord ‘slaaf’ voor. Quinsy: “Bij de Engelse omschrijving gebruiken ze het woord ‘enslaved’. Waarom dan niet tot slaafgemaakte mens in het Nederlands? Alsof de machtsrelatie die iemand tot slaaf maakt niet benoemd hoeft te worden.” Ik ben het met hem eens. Slaaf klinkt alsof het normaal is om iemand zo te bestempelen.

Maar even terug naar die giraffe. Die werd geschoten door VOC-commandant Robert Jacob Gordon, die – vanuit Europees perspectief – Zuid-Afrika voor het eerst in beeld bracht. Aan zijn onderzoek is een enorme ruimte gewijd met tekeningen die hij maakte van mensen, dieren en stukken land. We kijken dus door de ogen van iemand die voor het eerst een land ontdekt. Quinsy: “Tof, die giraffe en dat geologisch onderzoek. Heel cool. Maar de zaal is wel disproportioneel groot in vergelijking met de andere zalen.”

Merel: “Waarom vind je dat? Het zegt toch ook iets over de band tussen Zuid-Afrika en Nederland?”

Quinsy: “Bij een tentoonstelling over de relatie tussen Nederland en Zuid Afrika vind ik het quotiënt van witte mannen als onderwerp te groot. Gordon krijgt – net als fotograaf Pieter Hugo – in zijn eentje een hele zaal. Kruger krijgt zelfs meer aandacht dan Mandela. Als ze maar een halve zaal hadden gebruikt voor het onderzoek van Gordon, was er meer ruimte geweest voor in Nederland minder bekende personen en figuren.”

Merel: “Tja. Je zou in principe een hele tentoonstelling aan Pieter Hugo of aan Gordons onderzoek kunnen wijden. De relatie tussen Zuid-Afrika en Nederland is misschien te breed als onderwerp.”
Quinsy: “Let ook op de manier waarop de Zuid-Afrikaanse mensen in Gordons zaal zijn afgebeeld. Hij zette ze neer alsof hij een nieuwe diersoort had ontdekt. Eigenlijk is dit het eerste teken van dehumanisering, maar hoe Gordons werk en zienswijze tot slavernij en apartheid zou leiden komt niet zo krachtig naar voren. Het museum gaat mee met zijn ‘wetenschappelijke’ interpretatie waarom hij op deze manier te werk ging, in plaats van dat ze het plaatsen in een grotere context van kolonisatie.”
Merel: “Dat mensen met dieren werden vergeleken, had duidelijker op de bordjes mogen staan. De rondleider zei echter wel dat Gordon de tekeningen maakte vanuit het perspectief van een witte man en dat hij de Zuid-Afrikanen niet als ‘beschaafde’ mensen beschouwde. Dat werd mij dus wel duidelijk.”
Quinsy: “Maar hoe klein is het percentage van het totaal aantal bezoekers dat een rondleiding krijgt?”

Het valt ons op dat Goede Hoop met name de Nederlandse kant van de geschiedenis belicht. “Het is ook voornamelijk een wit Nederlands team geweest dat de tentoonstelling heeft samengesteld”, weet Quinsy van kritieken over de tentoonstelling. Op verschillende plekken missen we het Zuid-Afrikaanse perspectief. Ergens begrijp ik wel hoe dat komt: de Zuid-Afrikaanse bevolking – de Khoisan – schreven niet, is ons verteld. Daardoor komt veel informatie over met name de eerste eeuwen vooral uit witte bronnen.

Haatbordjes en protestleuzen

Een paar ruimtes (en eeuwen) verderop lopen Quinsy en ik een zaal in met pro- en anti-apartheidsposters, beelden van protesten en discussies over de apartheid (onder meer in nieuwsuitzendingen) en een protestspandoek aan de muur. Ook in deze zaal missen we allebei het Zuid-Afrikaanse perspectief. Ik omdat er overal witte demonstranten zijn afgebeeld, waardoor ik me afvraag waar de zwarte Zuid-Afrikaanse activist is gebleven. Quinsy vanwege de Zuid-Afrikaanse bronnen die volgens hem niet goed zichtbaar zijn: “Er hingen foto’s van District Six, een bruisende zwarte buurt in Kaapstad. District Six werd met de grond gelijk gemaakt om een witte buurt te bouwen. Die foto’s zijn een beetje in een hoekje weggemoffeld, als een vergeten stukje tentoonstelling. In de rondleiding komen ze totaal niet aan de orde  en in de zaalopstelling worden ze letterlijk overschreeuwd door de videofragmenten die er boven hangen. Het geeft waarschijnlijk een goed gevoel om W.F. Hermans en Adriaan van Dis te zien, maar ook daar wordt niet aangegeven dat W.F. Hermans niet in aanzien is gedaald in Nederland. Zijn werk wordt nog steeds behandeld, waarbij zijn abjecte gedachten over zwarte mensen volstrekt worden genegeerd.”

Quinsy: “De verdrijving van de zwarte inwoners van District Six – een voorloper van de huidige gentrificatie in veel plaatsen in Zuid Afrika – was een mooi onderwerp geweest om dieper uit te werken en in relatie te brengen met de huidige studentenprotesten die materiële uitsluiting en achterstelling aankaarten. In plaats daarvan zien we wat bordjes meegenomen na een #FeesMustFall protest zonder de namen van de makers van die borden. We zien een gigantische muurposter van Mandela voor een bomvol Leidseplein zonder de kanttekening dat Nederlandse kabinetten handel bleven drijven met het regime dat hem opsloot voor zijn gewelddadige verzet. En we zien een esthetisch glazuurbarstende zoete fotopresentatie van Pieter Hugo. Hoe moeilijk kan het zijn om zwarte en gekleurde Zuid-Afrikaanse curators en historici op een gelijkwaardige voet te betrekken in het maken van deze tentoonstelling? Nu lijkt het eerder een herhaling van wat Gordon deed, witte mensen die Zuid-Afrika via beperkte kaders denken te kunnen duiden voor een wit publiek. Wat schieten we daar allemaal eigenlijk mee op?”

Een ruimte aan de zijkant van de zaal heeft apartheidsbordjes aan de muren en een bankje waar alleen witten op mochten zitten. Een mevrouw kan het niet aanzien. “Verschrikkelijk”, roept ze terwijl ze wegloopt.
Merel: “Als wij tijdens de apartheid in Zuid-Afrika hadden gewoond, konden we niet eens naast elkaar op hetzelfde bankje zitten. Zag je trouwens dat er een mevrouw wegliep?”
Quinsy: “Ja dat zag ik. Het deed mij ook wel wat, maar ik weet niet of ik het ook de meest indrukwekkende ruimte vond.”
Merel: “Wat vond je eigenlijk van de protestleuzen die door het hele museum op de muren zijn gekalkt?”
Quinsy: “In eerste instantie cool. Maar ik vond het wel raar dat er ook quotes uit racistische speeches van leiders tussenstonden. Dat zijn toch geen protestkreten?”

Geschiedenisles

Een nieuwsuitzending van lang geleden trekt mijn aandacht. “Ik ben blij dat ik niet met ze in dezelfde bus hoef te zitten, ze ruiken namelijk niet al te best”, hoor ik een witte man zeggen over zijn zwarte medemens. Pijn in mijn buik en een misselijk gevoel. Maar ook het besef dat de tentoonstelling best kritisch is over de witte kant van het verhaal. “Een van de kritieken op de tentoonstelling is dat het een hoog schuld-boete gehalte heeft”, zeg ik tegen Quinsy.
Quinsy: “Serieus?”
Merel: “Ja. Ik voel mijzelf niet schuldig en vind ook niet dat de tentoonstelling dat per se opwekt, maar het is wel kritisch.”
Quinsy: “Ik vind de expositie toch nog te voorzichtig. Het heeft het echt niet genoeg impact op de bezoekers en herhaalt grotendeels wat er op school in de geschiedenisles wordt verteld. Terwijl we weten dat dat inmiddels onvolledig en achterhaald is.”

Merel: “Maar zo voorzichtig was het toch niet? Wat die man zei over dat hij zwarte mensen vond stinken, vind ik niet bepaald voorzichtig.” Quinsy: “Bij mij kwam dat over alsof ze één citaat pakten van een foute man, in plaats van dat ze een completer beeld schetsen van de culturele ideeën eromheen. Hoe komt het dat die man dat niet alleen ongegeneerd kon zeggen maar dat het ook werd opgenomen en uitgezonden? Wat waren de gedachten die toen regeerden en die we nu nog steeds tegenkomen als het gaat om de presentatie van racisten? Waarom worden witte mensen met abjecte ideeën nog steeds op een podium gezet? Dat zijn de vragen die de tentoonstelling had kunnen stellen maar in plaats daarvan koos het Rijksmuseum de weg van minste weerstand. Zelfs de uitvinding van het concentratiekamp ten tijde van de Boerenoorlog wordt weggemoffeld, letterlijk in een donkere hoek.”

De tentoonstelling heeft een aantal ‘plot holes’ en voelt als een herhaling van de geschiedenisles. Maar voor mij – een wit persoon die pas sinds kort begrijpt wat ‘White innocence‘ en ‘Institutioneel racisme‘ betekent – is Goede Hoop toch best kritisch en confronterend. Voor Quinsy kon het niet confronterend genoeg. “Als we zo voorzichtig blijven doen, verandert er niks”, zegt hij. Als ik hem vraag of hij denkt dat de tentoonstelling een stapje op weg naar het doorbreken van taboes rondom racisme en de slavernijgeschiedenis, antwoordt hij met een vastberaden “Nee”.

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€6 per maand)
IMG_3734

Merel de Koning

Merel de Koning is freelance journalist en feminist. Ze schrijft over diversiteit, genderissues, duurzaamheid en feministische mannen.
Profielpagina
rc20141104-quinsy-gario-021

Quinsy Gario

Quinsy Gario is een Curaçaos-Nederlands dichter, kunstenaar, en anti-racisme activist, die vooral bekend is door zijn verzet tegen de …
Profielpagina