De staat van de hulp tot zover

08-03-2012
Staat van de hulp

(Hoe) moeten de overheid en ontwikkelingsorganisaties samen verder? Die vraag legde staatssecretaris Ben Knapen afgelopen december neer bij OneWorld. De afgelopen twee maanden hebben wij meer dan vijftig bijdragen ontvangen voor ‘De staat van de hulp’, geschreven door ontwikkelingswerkers, ondernemers, politici en wetenschappers. Ieder met een eigen, op praktijkervaringen gebaseerde, visie op de toekomst van de hulp. Desalniettemin zijn uit alle bijdragen tien hoofdpunten te destilleren.

1. Economische groei bevorderen is geen rechtse hobby
We moeten inzetten op duurzame economische groei, vinden de meeste contribuanten. Hulp is geen linkse hobby, net zoals economie geen rechtse hobby zou moeten zijn. Het scheppen van werkgelegenheid en het aanjagen van economische groei (mits juist verdeeld!) zijn een sine qua non voor het oplossen van het armoedevraagstuk. Maar er zijn ook sociale doelen mee te halen. Economische onafhankelijkheid is essentieel voor de emancipatie van vrouwen. Democratiseringsbewegingen worden aangejaagd door de opkomende middenklasse, waarvan ondernemers de basis vormen.
Duurzame groei houdt een ontwikkeling in waarin economische, sociale en ecologische belangen op een evenwichtige manier samenkomen. Het betekent bijvoorbeeld betere milieubescherming, meer inkomensgelijkheid, grotere toegang tot onderwijs, meer sociale kansen, betere rechtsbescherming en politieke vrijheid.

Bedrijfsleven, ontwikkelingsorganisaties en de overheid moeten samenwerken om deze duurzame groei te bereiken, dat spreekt uit veel bijdragen. De succesvolle samenwerking tussen Return to Sender (de organisatie van Katja Schuurman), CBI (overheid, centrum ter bevordering van de import uit ontwikkelingslanden) en HEMA is hier een voorbeeld van.
Toch zetten nog weinig bedrijven serieus in op Afrika. In hoeverre wordt dit veroorzaakt door de negatieve beeldvorming over het continent? Door de beelden van zielige mensen die hulporganisaties gebruiken om fondsen te werven? Hoort het bij de toekomstige taken van de overheid en ontwikkelingsorganisaties om dit beeld te doen kantelen?

Zie o.a. Alexander Rinnooy Kan, Daan Knoop, Katja Schuurman, Johan Driessen, Yannick du Pont, Bob van der Bijl, Ben Zwinkels, Ruud Lubbers, Alexander Kohnstamm, Johan Driessen, Henk Jochemsen, Ronald Messelink

2. Liever leningen dan subsidie voor sociale ondernemers
Het huidige subsidiestelsel heeft bij ontwikkelingsorganisaties een cultuur gecreëerd die haaks staat op ondernemerschap, vinden velen. Kort door de bocht: de organisaties die meelopen met de hypes in ontwikkelingsland, en die hun plannen het beste weten te ‘framen’ zodat ze bij het beleid van de zittende staatssecretaris passen, maken de meeste kans op subsidie. Daardoor richt men zich teveel op zichtbare resultaten op de korte termijn, terwijl de nieuwe wereldorde vraagt om langetermijninvesteringen in  wereldwijde uitdagingen als milieubehoud, voedselzekerheid, verantwoord energiegebruik en het dichten van de kloof tussen arm en rijk binnen landen.

Ben Knapen verwoordt in zijn non-paper dat er van de overheid verwacht wordt dat zij tot in detail kan verantwoorden wat er met haar subsidies gebeurt, en dat tegelijkertijd de wens leeft om de bureaucratie te verminderen. Daarbij is de kans groot dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking het komende jaar flink gekort wordt.
Bart Hartman van NOTS adviseert Knapen daarom om te investeren in de social business-aanpak. Een social business is een onderneming die het realiseren van een positieve sociale- of milieu-impact als voornaamste doel heeft, maar voldoende winst realiseert om beleggers hun inleg plus rendement terug te kunnen betalen. Via de huidige ontwikkelingsmethodiek financiert Buitenlandse Zaken vaak 60 tot 100 procent van de kosten van een programma, aldus Hartman. Via de social business-aanpak zou dit 25 procent zijn, waarvan BuZa mogelijk nog een deel terug ontvangt ook.
JongOS wijst erop dat sociale ondernemingen starterssteun (eventueel in de vorm van een lening) nodig hebben om te kunnen professionaliseren en groeien. De overheid kan zo’n initiatief dan afrekenen op de sociale, economische en ecologische opbrengsten op de lange termijn, in plaats van dat een organisatie vooraf het belang van de plannen moet waarmaken..

Zie o.a. Daan Knoop, Bart Hartman, Patricia de Jonge, JongOS, Ben Knapen, Ronald Messelink

3. Subsidie blijft nodig voor mensenrechtenprogramma’s
Over de Arabische Lente valt veel te zeggen, maar niet dat de veranderingen het resultaat zijn van inspanningen van staten en de markt. Burgers beïnvloeden ontwikkeling net zo goed als bedrijven en overheden. Het huidige kabinet wijst in toenemende mate op de eigen verantwoordelijkheid van mensen in ontwikkelingslanden. ‘Afrikaanse burgers zijn aan zet om hun rechten op te eisen en hun overheden tot de orde te roepen’, schrijft Manuela Monteiro, directeur van Hivos. ‘Maar de Afrikanen hebben weinig te verwachten van Nederlanders met een exportkrediet. Een Keniase mensenrechtenorganisatie die het opneemt tegen de verstrengelde belangen van politieke elites strijdt een lange ongelijke strijd. Een Ugandees platform dat burgers in staat stelt om de verkiezingen te monitoren moet wel worden gebouwd en onderhouden.’ Dit zijn geen activiteiten waarop winst te behalen valt.
Caecilia van Peski: ‘Je kunt de mooiste cassavefabrieken bouwen, maar de kern ligt bij goed bestuur. Als er corruptie heerst, of als lokale arbeiders te weinig loon krijgen en slecht verzekerd zijn, dan werpt het starten van bedrijven ter plaatse niet genoeg vruchten af.’
Slecht bestuur, zo vindt men, is de pest voor een gezond investeringsklimaat. Zeker voor Nederland, met zijn open economie, geldt dat versterking van internationale instituties en het internationaal recht van strategisch belang zijn.
Kortom: organisaties die mensen in ontwikkelingslanden helpen om voor hun rechten op te komen, kunnen niet zonder financiële steun. En Nederlandse (sociale) ondernemers hebben er baat bij als het bestuur in ontwikkelingslanden verbetert.

Zie o.a. JongOS, Jan Gruiters, Farah Karimi, Manuela Monteiro en Roman Baatenburg de Jong, Peter van Lieshout, Caecilia van Peski, Ingrid de Caluwé, Yannick du Pont, Alba I. Leon, Vamba Sherif, Mirjam de Bruijn

4. Lokaal ownership is gewenst, een lokaal programma niet per se 
De opkomst van lokale ‘zuidelijke’ organisaties die de omstandigheden in eigen land willen verbeteren, is niet onopgemerkt gebleven. Ook niet door staatssecretaris Knapen, die zich in het non-paper afvraagt welke gevolgen dit heeft voor de rol en werkwijze van Nederlandse organisaties, en of zuidelijke ngo’s vaker rechtstreeks gefinancierd kunnen worden. 
Uit de discussie blijkt duidelijk dat het voor het welslagen van een programma noodzakelijk is dat de doelgroep eigenaar is en blijft van de eigen ontwikkeling. De programma’s van westerse organisaties zijn vaak gebaseerd op een westerse ideologie, en daardoor uiteindelijk niet duurzaam. Yannick du Pont: ‘Het wordt tijd dat de sector gaat werken voor het Zuiden, niet in naam van het Zuiden. De Nederlandse overheid zou voorrang moeten geven aan initiatieven van organisaties uit ontwikkelingslanden, die er vervolgens Nederlandse partners bij kunnen zoeken.’ Wel is het belangrijk dat die lokale organisaties echt (de wensen van) de lokale bevolking representeren. Peter van Lieshout: ’60 procent van de organisaties in Uganda bleek een direct product van westerse hulpstromen, 20 procent was een mantelorganisatie rond een politicus die in de oppositie zat.’ ‘Veel organisaties weten te snel de westerse geldstromen te vinden’, stelt Babah Tarawally. ‘Zij zouden eerst bij hun eigen overheid moeten lobbyen voor financiële steun. Nu laten Afrikaanse overheden steekjes vallen omdat ze weten dat het Westen die graag opvult.’

Zie o.a. Yannick du Pont, Babah Tarawally, Wilde Ganzen, Peter van Lieshout, Ben Knapen, Ingrid de Caluwé, Reine Kathlyn Taya-Rala, Ton van der Lee, Philip Kpakiwa, Nederlandse gemeenten, Mirjam de Bruijn

5. Nog een grote rol te spelen in Nederland
Ontwikkelingssamenwerking is anno 2012 niet meer gericht op het ‘helpen van arme landen’, maar op het ‘eerlijker verdelen’ van middelen in de wereld. In steeds meer landen wonen arme én rijke mensen. De problemen die arme mensen treffen, zijn niet door één staat op te lossen. Ontwikkelingsvraagstukken zullen in toenemende mate vraagstukken worden van voedselzekerheid, klimaatverandering, financiële stabiliteit, goede handelsverhoudingen en vrede en veiligheid. Het zijn complexe vraagstukken, waarbij zelden alle betrokken direct aan tafel zitten. Daarom zijn er volgens de discussianten sterke maatschappelijke organisaties nodig die hen vertegenwoordigen, en die de kennis in huis hebben om dergelijke wereldwijde vraagstukken voor politici inzichtelijk te maken.
In Brussel trekken bedrijven een paar miljard euro uit voor beleidsbeïnvloeding. Van onvoordelige handelsafspraken is geschat dat ze ontwikkelingslanden meer kosten dan ze aan hulp ontvangen. Ontwikkelingslanden lopen jaarlijks honderden miljarden euro’s aan belastingen van bedrijven mis, door constructies die ook door Nederlands overheidsbeleid worden gefaciliteerd. Willen we dat ontwikkelingslanden zichzelf gaan redden, dan moeten we de negatieve impact die Nederland daarop heeft aanpakken. Ontwikkelingsorganisaties moeten daarvoor lobbyen.
Traditioneel hulp geven heeft zijn langste tijd gehad. Het gaat om de mondiale verwevenheid zichtbaar maken en gezamenlijk mondiale problemen oplossen. We kunnen niet anders. Erik-Jan Hertogs: ‘Het welzijn van de Nederlandse burger hangt af, in positieve en in negatieve zin, van internationaal toerisme, migratie, internationale stages, internationale kenniswerkers, internationale handel, internationale bedrijven, internationale studenten, internationale misdaad, het internationale klimaat en de internationale economie.’

Zie o.a. Miguel Heilbron, Gisela ten Kate, Peter van Lieshout, Alexander Kohnstamm, Erik-Jan Hertogs, Johan Driessen

6. Maatwerk
Zestig jaar wetenschappelijk onderzoek naar ontwikkelingssamenwerking heeft ons geleerd dat er niet één one-size-fits-all oplossing is om armoede de wereld uit te helpen. Het verschilt per situatie wat werkt en wat niet, daar moet de Nederlandse regering rekening mee houden.
Over ‘wat dat betekent voor de hulp’ verschillen de meningen:
- De overheid moet investeren in onderzoek (naar wat wel en niet werkt);
- De overheid moet programma’s ondersteunen waarvan het effect bewezen is, ook al is zo’n programma wellicht niet zo sexy (denk aan ontwormingspillen, het bestrijden van diarree);
- Liever duizenden kleine, op maat vormgegeven projecten dan enkele grote;
- Specialiseer in één sector (waterbeheer);
- Kies voor een partnerschap met slechts één ontwikkelingsland.

Zie o.a. Ton van der Lee, Patricia de Jonge, Jude Kehla Wirnkar, Hope XXL

7. Houd ’t simpel
Maatwerk leveren is alleen mogelijk als we niet alles tegelijk willen doen, en ieder dat weer op een eigen manier wil uitvoeren. Ook hier wordt weer geadviseerd: laat Nederland zich specialiseren in één hulpsector, of in één partnerland. Het ‘versimpelen’ van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking zorgt er tevens voor dat organisaties efficiënter en beter werk kunnen leveren. ‘Er is geen Afrikaan die begrijpt waarom er zo veel verschillende ontwikkelingsorganisaties zijn’, zegt Jude Kehla Wirnkar. Niet alleen werken organisaties (soms) langs elkaar geen: elke organisatie heeft een eigen bestuur, een eigen secretariaat en eigen administratieve kosten. Ontwikkelingsorganisaties zouden kosten kunnen sparen door gezamenlijk in te kopen, of door gezamenlijke veldkantoren, ‘Holland Houses’, op te richten.

Zie o.a. Jude Kehla Wirnkar, Hope XXL, Philip Kpakiwa, Yannick du Pont

8. Zorg dat je aan tafel zit
Internationale samenwerking is geen exclusieve zaak meer van overheden en supranationale verbanden. Daarmee zijn de mogelijkheden om het internationale beleid te beïnvloeden ook veranderd. De invloed van non-statelijke actoren (multinationals en maatschappelijke organisaties) groeit. Zo stelde Unilever-topman Paul Polman afgelopen oktober dat een aantal van oorsprong Nederlandse bedrijven, waaronder Unilever, geregeld aan tafel zit bij de G20-landen. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingsorganisaties die in internationale netwerken opereren.
Farah Karimi: ‘Oxfam Novib is als op één na grootste Oxfam een belangrijk lid van de internationale Oxfam-confederatie. Doordat wij in 17 van de G20 landen een Oxfam-lid of lobbykantoor hebben zijn wij als netwerk in staat agenda’s te beïnvloeden.’

Zie o.a. Farah Karimi, JongOS

9. Nieuwe tijd, nieuwe generatie
Bij het NCDO-lustrum in januari riep staatssecretaris Knapen organisaties op ‘om mee te gaan met de nieuwe tijd’. Meerdere deelnemers aan de discussie wijzen op ‘onze veranderende positie in de wereld’. We moeten niet denken dat wij alleen kunnen bepalen hoe de wereld er straks uitziet. Wel kunnen we kiezen welke rol wij willen spelen. Willen we dat dat een rol van belang is, dan moeten we ‘niet in ons eentje gaan zitten mokken, maar slimme samenwerking opzoeken’. VN-jongerenvertegenwoordiger Dirk Janssen pleit ‘als Nederlandse jongere in een vergrijsd Europa, met opkomende machten als Brazilië, China en India’ voor ‘ont-moetingen’, waarbij ‘niets moet en de uitkomst van het gesprek kan worden beïnvloed door wat de ander inbrengt’. JongOS, Lynn Zebeda en Ama van Dantzig: ‘Neem de nieuwe generatie – de opkomende economieën, de jeugd – serieus.’

Zie o.a. JongOS, Lynn Zebeda en Ama van Dantzig, Dirk Janssen, Alexander Kohnstamm, 1%CLUB, Nederlandse gemeenten, René Grotenhuis

10. Doe gewoon eens lief
‘Over ontwikkelingshulp, over noodhulp, zouden geen maatschappelijke discussies nodig moeten zijn’, vindt Peter R. de Vries. ‘De enige echte vraag die gesteld moet worden is: hoe kunnen we méér doen!?’ Katja Schuurman schrijft: ‘Zolang er plekken op de wereld zijn waar mensen dag in dag uit bezig zijn met overleven in plaats van met het najagen van hun dromen, en wij als land in staat zijn bij te dragen aan een rechtvaardiger verdeling van rijkdom en kansen, bevinden we ons in een gelukkige positie.’
Lynn Zebeda en Ama van Dantzig adviseren: ‘Wees lief voor je familie. Die in je huis en die aan de andere kant van de wereld’.
Het is hoog tijd dat ontwikkelingsorganisaties de hulpkritiek pareren met een positief verhaal, maar laat dat ook een goed verhaal zijn (transparant en onderbouwd met feiten).

Zie o.a. Peter R. de Vries, Katja Schuurman, Lynn Zebeda en Ama van Dantzig, Ralf Bodelier, Mirjam Vossen, Johan Driessen (Lief zijn is prima, maar niet van onze belastingcenten)

Sanne Terlingen

Sanne Terlingen werkt als onderzoeksjournalist bij OneWorld....

Lees meer van deze auteur >

Reacties