Zin en onzin van participatie

01-07-2005
Door: Tekst: Koos Dijksterhuis


Geboorte van een begrip

Het begrip 'participatie' vindt z'n oorsprong in de tijd van de oude Grieken, toen burgers (vrouwen en slaven uitgezonderd) door middel van openbare volksvergaderingen op een actieve manier bij het bestuur van de stad waren betrokken. Inmiddels is participatie echter allang niet meer exclusief van toepassing op politieke processen. Ook in het onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven wordt er kwistig mee gestrooid. De ontwikkelingssamenwerking vormt hierop geen uitzondering. Geïnspireerd door het werk van onder anderen de Latijns-Amerikaanse Paulo Freire, ontstond begin jaren zeventig het besef dat arme mensen prima in staat zijn om hun eigen werkelijkheid te analyseren, en dat hun stem gehoord moest worden. Ongeveer tegelijkertijd begonnen de eerste negatieve verhalen de ronde te doen over machines die waren uitgedeeld aan arme landen en nu langzaam stonden weg te roesten omdat de bevolking er geen raad mee wist. 'In 1975 bleek uit onderzoek van een groep Amerikanen dat ontwikkelingsprojecten meer blijvend succes oogsten naarmate de bevolking grotere zeggenschap heeft in de besluitvorming en deelneemt aan het project in de vorm van arbeid, goederen of geld', vertelt Niels Röling, emeritus hoogleraar communicatie en innovatiestudies aan Wageningen Universiteit. 'Dat Amerikaanse onderzoek toonde aan dat participatie in ontwikkelingssamenwerking nodig was.'

Een definitie

Het ligt niet bepaald voor de hand, maar sinds het midden van de jaren negentig speelt de Wereldbank - bekend om z'n blauwdrukprojecten - een belangrijke rol in het debat over participatie in ontwikkelingsprojecten. Een werkgroep over participatie en 'civic engagement' heeft een zogeheten 'bronnenboek' uitgegeven, waarin uiteengezet wordt wat participatie precies is, hoe het wordt toegepast en waar het toe leidt. Lees verder.

Draagvlak

Een van de pioniers van de participatieve ontwikkelingssamenwerking was Robert Chambers, die zich sterk maakte voor een radicale verandering van de manier waarop ontwikkelingsprojecten worden ontwikkeld en uitgevoerd. In zijn bekendste boeken, 'Rural Development: Putting the Last First' (1983) en 'Whose Reality Counts: Putting the First Last' (1997), veegt hij de vloer aan met de alleswetende buitenlandse expert die oplossingen probeert aan te dragen die niet aansluiten bij de lokale omstandigheden en dus gedoemd zijn te mislukken.

Vrouwen uit een pastoralistengemeenschap in Oost-Afrika bespreken een in samenspraak geproduceerde kaart, met daarop de gebruikersrechten van diverse clans.

Beeld: Reinout van den Bergh

In plaats daarvan hamert Chambers op de noodzaak de begunstigden te betrekken bij het identificeren en uitwerken van oplossingen voor hun problemen. Dit creëert draagvlak en bevordert duurzaamheid. Aan het eind van de jaren zeventig begonnen de eerste agrarische projecten gebruik te maken van 'Rapid Rural Appraisals' (RRA), een parapluterm voor een uiteenlopende reeks onderzoeksmethoden als semi-gestructureerde interviews, observatie en het inzetten van lokale mensen met expertise. Uitgangspunt was de kennis van de lokale bevolking. Tien jaar later kreeg RRA een broertje in de vorm van de 'Participatory Rural Appraisal' (PRA). Deze verzameling onderzoeksmethodes gaat één stap verder en maakt actief gebruik van de capaciteiten van de bevolking bij het uitwerken van projecten, bijvoorbeeld door het tekenen van een kaart van de omgeving, of door het opstellen van seizoenkalenders waarop wordt aangegeven hoe mensen hun tijd indelen.

'Vaak kun je goed samenwerken met enkele mondige dorpelingen', zegt Toon Defoer, die als freelance consultant veel werkt voor het Internationale centrum voor ontwikkelingsgericht landbouwonderzoek ICRA in Montpellier. 'Zij kunnen de boeren uit een naburig dorp meetronen. Ze kennen de taal, het dialect en de gebruiken, maar zitten niet zo in de subtiele dorpsrelaties verstrikt als in hun eigen dorp. Ze kunnen duidelijk maken dat ze zelf bepaalde methodes hebben toegepast, hoe dat ging en wat ze eraan hadden. Ik heb daar goede ervaringen mee.'

Hoe?

In West-Afrika ontwikkelde Defoer het aan PRA gerelateerde concept 'Participatory Learning & Action Research' (PLAR), dat gebruikmaakt van een heleboel leermethoden afkomstig uit het participatieve visteeltonderzoek (waaronder de zogenoemde 'Resource Flow Map'), maar dan toegesneden op landbouw.

Adviseurs van SNV in Oeganda ondersteunen technische districtsambtenaren om gebruikers meer bij watervoorzieningsprojecten te betrekken.

Beeld: Reinout van den Bergh

Op een 'Resource Flow Map' visualiseert een boer zijn omgeving. Defoer heeft ermee geëxperimenteerd in onder meer Kenia en Mali, en is uiteindelijk op de methode gepromoveerd.
Defoer: 'Als ik een boer vraag naar zijn bedrijf, dan zegt hij bijvoorbeeld dat hij katoen teelt. Even later zegt hij dat hij sorghum verbouwt. En die katoen dan? Nee, dat was vorig jaar. Of het was een andere akker. Ik kan hem beter eerst zijn bedrijf in kaart laten brengen. We lopen over zijn land en ik vraag hem van alles over een bepaald veld. Wat hij verbouwt of heeft verbouwd, hoe hoog de opbrengst was en waaraan hij het geld besteedt. Dan vraag ik hem of hij een plattegrond van zijn land kan tekenen. Dat is even wennen, maar het werkt fantastisch! Men vindt het altijd leuk om een zelfgemaakte kaart van de boerderij te hebben. Die komt aan de muur te hangen. De boer tekent bijvoorbeeld een rechthoek. Dan vraag ik waar zijn boerderij ongeveer ligt. Teken maar in. En waar gaat de zon onder? Vervolgens vraag ik of hij het gebruik van kunstmest kan aangeven met een pijl. Die komt van buitenaf en wijst een bepaald perceel aan. En wat hebt u met de oogstresten gedaan? Verbrand? Ja? Waar zijn ze dan nu? In de lucht? Juist. Weg zijn ze. Er verschijnt een pijl van de akker naar buiten. Zou u die resten ook kunnen terugbrengen in de bodem? Door ze onder te spitten? Wilt u dat dan eens proberen? Ik suggereer wel, maar de boer formuleert zijn problemen zelf en bedenkt hiervoor ook zelf oplossingen.'
Ook in de gezondheidszorg kan de 'Resource Flow Map' van pas komen. Simon Koolwijk, die als freelance trainer verbonden is aan Agromisa, dat participatietrainingen geeft in ontwikkelingslanden, gebruikt deze techniek om de omgeving van mensen in kaart te brengen. 'Bijvoorbeeld het netwerk waarop ze terugvallen als hun kind ziek is.

Kenia: districtsbestuurders en districtambtenaren nemen deel aan workshops, waarin hun planningscyclus een meer rationele basis wordt gegeven.

Beeld: Reinout van den Bergh

Een gezondheidswerker stelt dan vragen als: "Naar wie ga je als je kind de hele nacht huilt en waarschijnlijk iets heeft?" Dan kan blijken dat ze naar de traditionele dorpsarts gaan en de gezondheidspost alleen opzoeken als die "healer" het ook niet meer weet.' Koolwijks collega Rudolf de Vries: 'Of ze vragen oma om raad. Die contacten teken je in een schema van bolletjes en lijnen. Dat kan op papier, maar ook in het zand met stenen en stokjes. Hoe korter de lijn, hoe belangrijker het contact. Dat gezondheidscentrum kan men trouwens belangrijk vinden, maar niet bezoeken omdat het op kilometers afstand ligt. Maar in elk dorp woont een "healer".' De verschillen tussen individuele diagrammen leiden steevast tot onderlinge vragen - 'Ben jij bij de dokter geweest? Ja, mijn kind had zich gesneden aan een kapotte fles' - en discussies, waarbij ook andere onderwerpen worden betrokken. Zo kan bijvoorbeeld blijken dat velen zich ergeren aan rondslingerende blikjes en kapotte flessen, waarna iemand voorstelt die troep eens te begraven.

'Je moet eerst achterhalen wat hun problemen zijn', stelt Niels Röling, emeritus hoogleraar communicatie- en innovatiestudies aan Wageningen Universiteit. 'In West-Afrika is door de bevolkingsgroei de druk op de landbouwgrond fors toegenomen. De bodem raakt uitgeput en er wil alleen nog olifantsgras groeien. Dat is echt een immens probleem. Compost is er niet, al het organische materiaal gaat in rook op. Hout wordt van steeds verder gehaald. De hoeveelheid nutriënten en organische stof in de bodem daalt, waardoor de grond minder water vasthoudt. Dan komt daar een westers project met de oplossing: kunstmest. Dat biedt een tijdje soelaas. Maar als het project na een paar jaar stopt, zakt de hele landbouw in. Geld voor kunstmest is er niet meer. Hoe moet het dan wel? Je moet inzoomen op de omstandigheden van de boeren. Soms komt dat erop neer dat je hen moet helpen zich aan te passen aan de toenemende ellende. En soms zijn er technologieën die wél helpen. Akkers braak laten liggen kan men zich niet veroorloven, maar wisselteelt wel. In Benin planten sommige boeren palmboompjes op hun maïsakkers. Na een paar jaar is de bodem te arm geworden voor maïs en zijn de palmen groot genoeg om bladeren en pitten van te oogsten.

Na tien, vijftien jaar is de bodem voldoende hersteld en kan er weer maïs worden geplant. De palmen worden gekapt en verwerkt tot palmjenever, die veel oplevert. Zulke oplossingen ontstaan geleidelijk en proefondervindelijk op het veld, soms in wisselwerking met ontwikkelingsonderzoekers.'

Wie participeert?

Uitgaan van de problemen en prioriteiten van de doelgroep, dat is de basis van een goed project en het begin van participatie. Maar om problemen en prioriteiten te kunnen achterhalen, moet duidelijk zijn wat je doelgroep is en hoe die is samengesteld. Zodra dat bekend is, kan er door middel van 'focusgroepen' (kleine discussiegroepen) informatie worden ingewonnen. Het opzetten van focusgroepen neutraliseert de lokale machtsverschillen en zorgt ervoor dat tijdens het uitwerken van het project de mening van iedere subgroep wordt meegenomen. Mannen en vrouwen kunnen apart worden geïnterviewd, of bijvoorbeeld jongeren en ouderen. Het levert vaak heel verschillende resultaten op.
'Onze interviewers en community-workers komen zelf uit de dorpen waar ze enquêtes en diepte-interviews houden en voorlichting geven', vertelt Inge Hutten, hoogleraar demografie aan de Rijksuniversiteit Groningen, die in India onderzoek doet naar reproductieve gezondheidszorg en HIV/aids. 'We hebben ons in eerste instantie niet op tieners gericht, zoals je in Nederland zou doen, maar op getrouwde vrouwen met kinderen. Het zijn namelijk de moeders en schoonmoeders die beslissen over het nemen van kinderen. Die vrouwen zeiden vervolgens vaak: "Wij weten nu hoe het zit met condooms en de pil, maar vertel het onze mannen alsjeblieft ook." Dus toen hebben we de voorlichting meer gericht op mannen en inmiddels ook op jongeren.' Hadden ze iedereen tegelijk geïnterviewd, dan zouden de mannen hoogstwaarschijnlijk het hoogste woord hebben gevoerd, en zou er een andere oplossing uit zijn gekomen.

Troebel water

De burgemeester van Managua (Nicaragua) benaderde de Universiteit van Amsterdam voor hulp bij de schoonmaak van een vervuild meer: vraaggerichte ontwikkelingssamenwerking bij uitstek. Toch ging het al vanaf het begin fout, zo merkte onderzoeker Ange Wieberdink. Lees verder.

Ook Rob Witte van Agromisa heeft ervaring met deze manier van werken. 'Als je problemen inventariseert, deel je de hotemetoten gewoon in één groep in. Tegen elkaar durven ze hun mond wel open te doen en de andere groepen hebben geen last van ze. Ook kun je focussen op gedeelde problemen waarvan de oplossing in ieders belang is, van landloze tot landheer. Daarvoor willen ze wel samenwerken. Of je vraagt de grootgrondbezitter wat volgens hem de problemen zijn waarmee kleine boeren kampen. Maar als de verhoudingen erg vijandig of wantrouwig zijn, kun je het wel schudden: dan lukt een participatieve aanpak niet. Een andere aanpak waarschijnlijk evenmin.'

Vraaggericht of vraaggestuurd?

Met andere woorden: focusgroepen kunnen helpen voorkomen dat participatie, hoe paradoxaal ook, leidt tot de uitsluiting van bepaalde groepen. Want wie bepaalt er wie er participeert en op welk moment? Dit is vaak afhankelijk van lokale machtsverhoudingen, maar wordt ook beïnvloed door factoren zoals taal, tijd en de donoragenda. Chambers besteedt hier in zijn boeken veel aandacht aan. Hij waarschuwt voor het, soms bijna aangeboren, vooroordeel jegens elites. Die kunnen vaak makkelijker communiceren met buitenlandse experts omdat ze behalve de lokale taal bijvoorbeeld ook Engels of Frans spreken en meestal hoger zijn opgeleid.

Kenia:Vertegenwoordigers van projectcomités bespreken de uitkomsten van Participatory Rural Appraisals en vertalen dit naar de planning voor projecten.

Beeld: Reinout van den Bergh

Een dergelijk 'vooroordeel' kan ertoe leiden dat er niet voldoende aandacht wordt besteed aan het onderzoeken van het probleem. Of dat het probleem toch nog te veel door de ogen van de externe expert wordt bekeken. Dit heeft soms tot gevolg dat een project, zelfs als het voortkomt uit een bestaande lokale vraag, eindigt in een mislukking, zoals in de Nicaraguaanse hoofdstad Managua.

'Het is essentieel dat je de vraag eerst uitgebreid onderzoekt voor je meedoet', vindt Wieberdink. 'In dit geval had men het "Plan voor de Redding van het Meer" kunnen bestuderen. Dat plan was het uitgangspunt van het project, maar niemand had goed bekeken wat daarvan haalbaar was: welke maatregelen al genomen werden, welke niet, waar de hiaten zaten en of zij de aangewezen instantie waren om die lacunes op te vullen. Iedereen was zo gretig om mee te doen dat ze die oriënterende fase maar oversloegen. Dat zie je in negen van de tien gevallen gebeuren. Als vervolgens de financier de inhoud van het onderzoek beïnvloedt, heeft het allemaal weinig meer met vraaggerichtheid te maken.
Dit project is exemplarisch voor talloze onderzoeksprojecten waarin Noord en Zuid in Latijns Amerika, Azië en Afrika samenwerken! Tussen onderzoekers in één land heb je al meningsverschillen. Die proberen ze op academisch niveau te bediscussiëren met respect voor elkaars standpunten.

Internationaal is dat nog lastiger. Onderzoekers hebben vaak niet door hoezeer ze worden gestuurd door onderzoeksbeleid in hun eigen land. En onderschat de communicatieproblemen niet. De taal alleen al.

Wetenschappers gaan bovendien graag ongestoord hun gang. Liever dan dat ze de mensen erbij betrekken in wier belang zij onderzoek doen. In Managua ging eigenlijk iedereen ervan uit dat die grote kwik lozende fabriek het meer vervuilde. Maar in het project was daar geen greintje aandacht voor - men trok zich steeds verder terug in een bastion van ecologisch onderzoek.

Participatief plannen

Een tijdsinvestering, daar is de burgemeester van Sakété wel toe bereid, als het er maar toe leidt dat zijn vijfjarig ontwikkelingsplan een plan ván de gemeente vóór de gemeente wordt. Mét brede steun van de bevolking. Want zonder (financiële) bijdrage van de inwoners zal er van uitvoering geen sprake kunnen zijn. De centrale overheid weigert met geld over de brug te komen en donoren willen alleen participatieve projecten. Lees verder...

Toen de veronderstelde medische problemen er op last van DGIS waren bijgehaald, had men met buurtorganisaties van omwonenden van het meer kunnen praten. Maar dat gebeurde niet. Pas aan het eind werd er een videofilm over het onderzoek gemaakt. Zoiets kun je beter in het begin doen: de mensen duidelijk maken wat je komt doen, waarom en voor wie. En eerst maak je een analyse van het probleem en een plan van aanpak. Welk probleem wil je nou eigenlijk oplossen? Wil je dat na zes jaar het meer de helft minder vuil is, of ga je een interessant onderzoek beginnen en zie je wel waar dat toe leidt? Het eerste natuurlijk. Dat kost echter veel voorbereidingstijd, en opdrachtgevers willen zo snel mogelijk resultaten. Maar zo'n tijdsinvestering verdient zich uiteindelijk terug.'

Schaalvergroting

Als een project uitgaat van de vraag van de bevolking, gebaseerd is op lokale prioriteiten, voortbouwt op bestaande capaciteiten en de doelgroep actief betrekt bij de uitvoering, dan lijkt succes gegarandeerd. Maar dit succes is vaak kleinschalig en dus blijft de impact beperkt. Om deze te vergroten moeten ideeën en oplossingen worden verspreid en vervolgens aangepast aan lokale omstandigheden. En vooral ook aan het lokale tempo. Dat wordt onder druk van donoren, die behoefte hebben aan snelle resultaten, nogal eens over het hoofd gezien. Met alle gevolgen van dien.

Conny Almekinders, die voor de Rockefeller Foundation de begeleiding van 24 landbouwkundige promovendi in ontwikkelingslanden coördineert, werkt zelf mee aan een veredelingsproject in Midden-Amerika. 'Daar raakten zaadveredelaars hun zaden niet kwijt aan kleine boeren', vertelt ze. 'Ze wilden dus weten waar die boeren behoefte aan hadden. De zaadveredelaars hadden net een hoogproductieve maïsvariëteit ontwikkeld. Die had zo'n enorme kolf dat hij uit de schutbladen stak. Onder gecontroleerde omstandigheden kreeg je daar
een fikse oogst van. Maar zonder bescherming van die schutbladen konden insecten gemakkelijk binnendringen, evenals vocht. Rot of schimmel was het gevolg. Geen wonder dat de boeren, die maïs telen en opslaan voor eigen consumptie, geen belangstelling hadden. Ondertussen zijn sommige kleine boeren zelf aan het veredelen geslagen: participatie dus. Sommige van hen hebben aanzien verworven doordat ze verstand kregen van veredeling en met veredelaars kunnen onderhandelen over een lading F3-zaad. Er is één boer die nu blaakt van zelfvertrouwen en zelfs gedichten is gaan schrijven. Dan denk ik: ja, participatie werkt, maar alleen op kleine schaal. Tegelijkertijd schuilt in het succes op kleine schaal het risico van mislukking op grote schaal.

Uit eigen bijdrage blijkt prioriteit

Simon Koolwijk gaat voor Social Investments Funds (een door de Wereldbank gesteunde organisatie) regelmatig naar landen in de Kaukasus. Daar valt veel te bereiken, vertelt hij

Neem nu de Farmer Fieldschools: boeren die ervarend leerden op het veld. Kijken naar de gewassen: wat gebeurt er als je twee gewassen samen teelt? Ze gingen van alles uitproberen. Dat sloeg geweldig aan. Toen kwamen Wereldbank en andere donoren met miljoenen dollars over de brug voor uitbreiding van de projecten. Plotseling waren overal leidsmannen nodig die boeren organiseerden, trainden en voorlichtten. Als je zag hoe snel die werden opgeleid; dat kon gewoon niet goed gaan! Overal zette men Fieldschools op en na een tijdje hoorde je er niks meer van. Of er werd gemopperd over hoe slecht ze eigenlijk waren. Dat probleem heb je met grootschaligheid: waar haal je begeleiding vandaan?'

Trainen

Precies met die vraag houdt Agromisa zich bezig. Agromisa is een Nederlandse organisatie die participatietrainingen geeft in ontwikkelingslanden en in Nederland. De organisatie wil landbouwkundige kennis beschikbaar stellen aan kleine boeren in het Zuiden, vooral in Oost-Afrika. Agromisa verzamelt, documenteert en verspreidt daartoe reeds aanwezige lokale kennis.

Dit kan uiteraard niet zonder de participatie van boeren. 'Er worden allengs minder ontwikkelingswerkers uitgezonden', zegt Rob Witte van Agromisa. 'De trainingen vinden daarom steeds vaker plaats in ontwikkelingslanden, waar we veldwerkers en hoger kader opleiden.' Zelf geeft hij ook trainingen. 'Ik probeer cursisten zo veel mogelijk zelf oplossingen te laten bedenken. In het begin durfde ik dat nauwelijks. Ze keken me aan en verwachtten dat ik hun vragen kon beantwoorden en ijzersterke adviezen zou geven. Destijds liet ik me daar wel toe verleiden. Tegenwoordig niet meer en nu zeggen de deelnemers ook dat ze meer aan dit soort trainingen hebben. Maar ik weet hoe lastig het is voor veldwerkers om zich vragend op te stellen. Het kan moeilijk zijn je mond te houden!'

Verhoogd ingedijkt zaaibed

Begin jaren negentig werden er in Noordwest-Pakistan op grote schaal uien geteeld. Bij regen kampten uientelers er echter met wegrottende zaailingen. Het water bleef namelijk in de zaaibedden staan. Defoer introduceerde daarom het verhoogde zaaibed. Het regenwater stroomde voortaan weg. Inderdaad loste dat het rottingsprobleem op, maar er ontstond tegelijkertijd een nieuw probleem: de kiemplantjes verdroogden. Wat nu? Een richeltje eromheen, suggereerde een teler. Dat wilden sommige boeren wel uitproberen. Aldus geschiedde. Op hun testvelden verrezen zaaibedden met een richeltje. Na een buitje of bewatering bleef het zaaibed vochtig, na een wolkbreuk kon het water wegstromen door een gauw aangebrachte coupure. Een eenvoudige, maar doeltreffende innovatie. Binnen een jaar had iedere uienteler in de verre omtrek verhoogde zaaibedden met richeltjes. Aan die verspreiding kwam verder geen voorlichtingsprogramma of participatieve benadering te pas. Het ging vanzelf.

'In Zuid-Afrika hebben we 25 gezondheidswerkers getraind in een participatieve benadering van moeder- en kindzorg', vertelt Simon Koolwijk. 'Tijdens zo'n training leren ze hoe ze de boodschap kunnen overbrengen. Eén zo'n boodschap is bijvoorbeeld dat je na het bezoeken van de wc je handen moet wassen. Dan heeft het echt geen zin om te roepen: "Handen wassen!" Je kunt veel beter aan de mensen vragen of ze weten waaróm je je handen moet wassen. Als je dat eenmaal boven tafel hebt, informeer je of ze hun handen inderdaad wassen. Zo niet, waarom dan niet? Dan vertelt men bijvoorbeeld dat het van de latrine naar de kraan twintig meter lopen is. Zou jij dan je handen wassen? Ik niet. Dan kun je een kraan bij de latrines aansluiten en zeep neerleggen.' Zijn collega Rudolf de Vries knikt. 'Dat is een totaal andere aanpak dan de Zuid-Afrikaanse gezondheidswerkers gewend waren. Ze dachten dat zij de mensen moesten vertellen wat die moesten doen en laten. Dat ze geacht werden experts te zijn en alles te weten. Daarom neigen veel veldwerkers in hun communicatie naar eenrichtingsverkeer. Participatie gaat er juist van uit dat iederéén kennis bezit. We oefenen met de cursisten en laten hen merken dat het prettig is als je feedback krijgt uit de groep. Ze zijn zichtbaar opgelucht als blijkt dat ze niet alles hoeven te weten.'

Vanzelfsprekend

Soms is het geven van participatietraining niet nodig en wordt kennis vanzelf verspreid, zo merkte Toon Defoer toen hij in de bergen van Noordwest-Pakistan experimenteerde met landbouwontwikkeling. Als een bepaalde innovatie duidelijk een verbetering betekende, namen andere boeren de maatregel vaak vanzelf over.

'Als een innovatie zich vanzelf verspreidt, hoef je niets aan participatieve voorlichting te doen', knikt Defoer. 'Maar hoe komt dat? De Pakistaanse boeren waren redelijk georganiseerd. Ze produceerden uien voor de markt, ze hadden controle over natuurlijke hulpbronnen: irrigatie, winkels waar ze kunstmest kochten, geleend geld van de bank in het stadje. Die boeren verkeerden bovendien in onderling vergelijkbare omstandigheden. In Nederland hoef je ook geen PLAR toe te passen. Als je informatie wilt verstrekken, kan dat via een tijdschrift - wie belangstelling heeft, leest het. Hoe anders is dat bijvoorbeeld in West-Afrika. Daar zijn de verschillen tussen boeren enorm. Geen bedrijf is hetzelfde. De een verbouwt dit, de ander dat. De ene boer heeft een lapje grond van een halve bunder en eet zijn oogst zelf op, zijn buurman bezit tien hectare waarop hij katoen teelt voor de export, een derde zit op uitgemergelde bodem en kan nauwelijks rondkomen. Ze willen natuurlijk allemaal graag een hogere opbrengst. En dat kan vaak ook wel. Maar niet met een standaardmodelletje dat voorschrijft wanneer ze compost, fosfor of stikstof moeten gebruiken voor een optimale opbrengst. Modellen werken niet, een advies voor de "gemiddelde" boer is nutteloos. De gemiddelde boer bestaat niet. Een aparte handleiding per boerderij is ook ondoenlijk. Je moet dus flexibel zijn en de boer zover krijgen dat hij zijn problemen zelf analyseert en oplost. Dan beklijft het. Participatie dus, dat werkt.'

Meesters in het in elkaar fabrieken

Proefondervindelijk en kleinschalig is de aanpak van ARBRES, een koepel van kleine ontwikkelingsprojecten in Zuid-Senegal. ARBRES heeft bevolkingsparticipatie niet expliciet als doel of middel geformuleerd, maar wel volledig geïncorporeerd. Als een innovatie aanslaat, moet die zich met een klein beetje bekendmaking en voorlichting vanzelf verspreiden. Zo niet, dan is het uit met het betreffende nieuwigheidje. Lees verder...

Literatuur

R. Chambers. Ideas for Development: Reflecting forwards. London: IDS (paper nr. 238). 2004.

R. Chambers. Whose Reality Counts? Putting the first last. London: Intermediate Technology Change. 1997.

R. Chambers. Rural Development: Putting the last first. London. 1983.

Deze boeken bevatten een schat aan informatie over uiteenlopende participatieve methoden, een groot aantal referenties en een interessante discussie over hoe machtsverhoudingen het succes van een project beïnvloeden.

A. Cornwall. Whose voices? Whose Choices? Reflections on Gender and Participatory Development. In: World Development, Volume 31, nr. 8, p. 1325-1342. 2003.

A. Cornwall. Making a difference? Gender and participatory development. Brighton: IDS (paper nr. 378). 2001.

I. Goldman & J. Abbott (eds.). Decentralisation and Community-based planning. London: International Institute for Environment and Development. 2004.

R. Grillo & R. Stirrat (eds.). Discourses of Development: Anthropological Perspectives. Oxford, New York: Berg. 1997.

I. Guijt & M. Shah (eds.). The Myth of Community: Gender issues in participatory development. London: Intermediate Technology Publications. 1998.

E. Harrison. 'The Problem with the Locals': Partnership and Participation in Ethiopia. In: Development and Change, Volume 33, Issue 4, p. 87-610. 2002.

S. Hickey & M. Giles. Participation: from tyranny to transformation? Exploring new approaches to participation in development. London: Zed Book. 2004.

J. Pottier (ed.). Practising Development; Social Science Perspectives. London: Routlegde. 1993.

R. Tandon (ed.). Participatory Research: Revisiting the Roots. New Delhi: Mosaic Books. 2002.

Websites

Participation.net
Netwerk en forum voor het uitwisselen van informatie op het gebied van participatie.

Toolkit for participation
Op de website van toolkit vind je een reeks casestudies, een discussieforum en een aantal instrumenten die gebruikt kunnen worden om participatie te stimuleren. De site, een initiatief van VNG Nederland, is een samenwerkingsverband van een groeiend aantal non-gouvernementele organisaties van over de gehele wereld die participatief lokaal bestuur bevorderen.

ID21
De website ID21 wordt gehost door het Institute for Development Studies en gefinancierd door het Britse ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking. Je leest er de laatste publicaties en onderzoeksresultaten over allerhande ontwikkelingsonderwerpen. Bovendien kun je je abonneren op verschillende thematische elektronische nieuwsbrieven, die telkens een ander onderwerp onder de loep nemen. Ook kun je in de sectie 'Viewpoints' je mening kwijt over een wisselend ontwikkelingsthema.

Worldbank Sourcebook
Op deze website staat het 'bronnenboek' van de Wereldbank, waar in het artikel aan wordt gerefereerd. Het is een volumineus werk, dat behalve een theoretisch gedeelte ook een serie casestudies bevat.

Wereldbank: Participatie en 'Civic engagement'
De website van de werkgroep van de Wereldbank die zich bezighoudt met participatie en 'civic engagement'. De site bevat links en publicaties van de Wereldbank over het onderwerp, en een aantal toonaangevende externe publicaties.

Eldis databank: Participatie
Eldis biedt toegang tot een databank met informatie over ontwikkelingsthema's, waaronder participatie. Bevat daarnaast 150 links naar websites op het gebied van participatie.

IDS Participatie
De site van het Institute of Development Studies (IDS) van de University of Sussex. Het bronnencentrum van IDS biedt toegang tot duizenden documenten op het gebied van participatie. Met links naar andere websites en recente publicaties.



Reacties