Advertentie

Flag-Banner_B

Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Emad is een geluksvogel. Maar dat heeft hij na drie jaar ellende onder de islamitische groep ISIS ook wel verdiend. De 13-jarige jezidi werd vorige maand gewond aangetroffen tijdens de laatste fase in de slag om Mosul. De foto die na zijn bevrijding van hem werd gemaakt, ging viraal en bereikte ook zijn moeder in Canada, met wie hij niet lang daarna werd herenigd.

Op het vliegveld van Winnipeg stikte het van de spandoeken bij Emads aankomst. Maar die dienden niet om hem welkom te heten, of hem en zijn moeder een lang leven te wensen. Verschillende organisaties gebruikten de gelegenheid om reclame voor zichzelf te maken. Erger: ze deden dat ten onrechte.

'Oom Steve'

Ik heb gevolgd hoe de reis van Emad naar Canada tot stand is gekomen. Daardoor weet ik dat die het werk was van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Zij zijn in overleg getreden met de Canadese overheid die versneld akkoord ging met de komst van Emad, zij hebben de reis geregeld en betaald, en zij hebben een vrouwelijke begeleider ingezet om voor hem te zorgen.

Maar Emad kreeg op het vliegveld een bord in handen gedrukt waarvan hij de Engelse tekst niet eens kon lezen, waarop ‘mijn oom Steve’ en de Canadese overheid werden bedankt.

”Oom Steve’ zag in de komst van Emad een mooie gelegenheid om de fondswerving voor de CYCI weer in the picture te krijgen’

In de media hebben meerdere organisatie de eer opgeëist voor de hereniging. De Jezidi Associatie uit Manitoba zou in samenwerking met het Koerdische Initiatief voor Vluchtelingen, de Winnipeg Vrienden van Israël en de Bevrijding van de Christelijke en Jezidi Kinderen van Irak (CYCI) een ‘advocacy and fundraising’ campagne hebben opgezet om Emad en zijn moeder te herenigen.

Die laatste club, de CYCI, wordt geleid door Steve Maman, een Canadees-joodse autoverkoper die na onderzoek van de Canadese journalist Isabelle Hachey in La Presse als oplichter is ontmaskerd. In Iraaks Koerdistan had hij al verschillende jezidi’s tegen zich in het harnas gejaagd, omdat hij beweerde vele tientallen leden van hun volk uit de handen van ISIS te hebben gered, maar daarvoor geen enkel bewijs kon leveren. Maman beantwoordde hun klacht met een brief van zijn advocaat. Ook ik kreeg zo’n brief nadat ik over de kwestie had bericht.

We kregen boetes tot twee miljoen dollar in het vooruitzicht gesteld als we onze mond niet hielden. Tegelijkertijd werden we in de sociale media zwartgemaakt. Alleen dat al volstaat om vraagtekens te zetten bij de manier waarop de CYCI het geld van donors werft en uitgeeft. Maar het geld bleef binnenstromen. En ‘oom Steve’ zag in de komst van Emad een mooie gelegenheid om de fondswerving voor de CYCI weer in the picture te krijgen.

Schaamteloze profilering

Zelfs zou die organisatie koosjer zijn, dan nog is de manier waarop de CYCI zich profileert ten koste van een familie die zoveel heeft meegemaakt onverteerbaar. Helaas is ze daarin niet de enige. De ellende in Irak trekt mensen en organisaties van allerlei pluimage aan. Soms doen ze goed werk, soms niet. Maar omdat ze het moeten hebben van donaties, willen ze scoren.

Zo is er een piepkleine organisatie die jezidi’s helpt hun papieren, die ze zijn kwijtgeraakt bij de vlucht voor of ontvoering door ISIS, opnieuw aan te vragen. Op zich wellicht een goed initiatief, maar waarom moeten er van iedere familie die ze helpen foto’s op Facebook verschijnen? Hebben zij geen recht op privacy?

De scoringsdrift op de sociale media gaat ver. Sommige organisaties lijkt het alleen daar om te gaan. Zoals voor de groepen die lokaal geld en goederen inzamelen, en iedere actie uitgebreid filmen en fotograferen. Ergerlijk zijn vooral de selfies van deze weldoeners met hun dankbare doelgroep.

Maar het kan erger. In Mosul doen veel verhalen de ronde over corruptie met hulpgoederen. Ambtenaren zouden ervan nemen wat ze nodig hebben, en van het geld dat internationale donors beschikbaar stellen komt een deel nooit bij de slachtoffers terecht. Toiletblokken komen er pas wanneer de VN ze zelf plaatst, de waterleiding wordt pas echt aangelegd wanneer buitenlandse NGO’s ervoor zorgen.

Toch schrok ik van het verhaal van enkele winkeliers in het grotendeels verwoeste west-Mosul die hun leven weer moeizaam hadden opgepakt. Ze vertelden me over hulporganisaties die binnenrijden, ergens stoppen om met veel fanfare wat hulpgoederen uit te delen en daar foto’s van te maken. Daarna rijden ze weg. De winkeliers waren ervan overtuigd dat de rest van die goederen onderhands is verkocht.

Nagel de laaienlichters aan de schandpaal

We weten niet of dat waar is. Maar dat het moeilijk is om het goed te doen als hulporganisatie in Irak, is een feit. Je moet laten zien wat je hebt gedaan met het geld van donoren en financiers, maar het gevaar dat je ondertussen de slachtoffers die je wilt helpen alleen maar vernedert, loert om de hoek. En hoe onderscheid je je van de schreeuwers, de afromers en de fraudeurs?

Ik kan maar een manier verzinnen, en dat is om de laaienlichters aan de schandpaal te nagelen. Door iedere keer dat we ze fout bezig zien, te reageren en protesteren. Op diezelfde sociale media, en daarbuiten. Voor hulpverleners is het taboe om over collega’s te klagen, maar het wordt tijd dat ze over die gêne heenstappen. Want het gaat om het vertrouwen in de hulp. En die holt achteruit wanneer onbetrouwbare groepen die het alleen om scoren of eigen gewin gaat, niet de wacht krijgen aangezegd.

Advertentie

Rectangle-Banner_B

Advertentie

WeDo2030