“Armoede mag nooit de reden zijn om kinderen van hun ouders te scheiden”

02-12-2015
Door: MyWorld
Bron: OneWorld
Nieuws – 

Een jaar lang werkte Lotte Ghielen voor een Cambodjaanse kinderrechtenorganisatie. Ze zag dat veel kinderen in Cambodjaanse ‘weeshuizen’ geen wees waren, maar uit armoede in het tehuis terecht waren gekomen. Nu is ze coördinator van het Better Care Network Netherlands (BCNN), een netwerk dat zich inzet voor kinderen in ontwikkelingslanden zonder goede ouderlijke zorg.

Deze week bracht BCNN een nieuw boek uit: Kinderen zonder ‘thuis’, met praktische informatie voor particuliere initiatieven en vrijwilligers. De belangrijkste boodschap: ‘steun gezinnen, geen kinderhuizen’.

Door Mirjam Vossen
Hoeveel Nederlanders zetten zich in voor ‘kinderhuizen’ in ontwikkelingslanden?
Dat weten we niet. We weten wel dat ‘kinderen’ een heel populaire doelgroep is voor particuliere initiatieven en vrijwilligers in ontwikkelingslanden. De link naar je eigen leven is dichtbij. Kinderen zijn onze toekomst, we willen allemaal graag dat ze opgroeien in een fijne, liefdevolle omgeving. Wanneer je ziet dat die kansen ontbreken, dan is het logisch dat je ze wilt helpen. Werken met kinderen is ook heel concreet. Ik hoor het vrijwilligers vaak zeggen: “Het is zo fijn om een glimlach van een kind te krijgen.” Je ziet direct resultaat.

Zelf werkte je in een kinderproject in Cambodja. Hoe heb je dat ervaren?
In Cambodja werkte ik als technisch adviseur voor een lokale kinderrechtenorganisatie. De kinderen die we opvingen leefden op straat. Hun ouders waren vertrokken naar Thailand voor werk en hadden hen in achtergelaten aan de grens. Of de kinderen waren verhandeld naar Thailand en door de Thaise politie weer teruggebracht naar Cambodja. De organisatie had het mandaat van de overheid om deze kinderen op te vangen. Ze bood tijdelijk een veilige plek en probeerde in contact te komen met familieleden in Cambodja, soms honderden kilometers verderop. Dan keken ze: wat is de situatie thuis? Is het veilig voor het kind om terug te gaan? Wat is er voor nodig? Dat was geen gemakkelijk traject.

Je bezocht in Cambodja verschillende kinderhuizen. Wat trof je daar aan?
Mijn eerste indruk was vaak: ‘Goh, hier wordt hard gewerkt; mensen hebben het beste met de kinderen voor’. Maar het viel me ook op dat heel weinig verzorgers de aandacht over heel veel kinderen moesten verdelen. De kinderen leefden in grote groepen en moesten allemaal samen eten en slapen. Er was weinig persoonlijke aandacht. Als ik de kinderen sprak, dan vertelden ze vaak dat ze nog ouders hadden. Dan vroeg ik me af: ‘waarom ben jij dan hier?’
 

Wat was hun antwoord?
De gezinnen leefden vaak in grote armoede. Ouders brachten hun kinderen naar het tehuis omdat ze dachten dat het kind het daar beter zou krijgen. Of organisaties boden het zelf aan: ‘als jouw kind bij ons woont, dan krijgt het onderwijs en gezondheidszorg’. Dat was voor ouders, hoe moeilijk ook, vaak een reden om het kind naar een tehuis te brengen.

BCNN is kritisch over weeshuizen in ontwikkelingslanden. Waarom?
Om te beginnen, kinderen die er wonen zijn vaak geen weeskinderen. Ze hebben vaak nog een of beide ouders. Ze zijn er uit armoede. Maar armoede mag nooit de reden zijn om kinderen van hun ouders te scheiden. Daarmee volgen we de internationale richtlijnen voor Alternatieve Zorg voor Kinderen, die in 2009 door de Verenigde Naties zijn verwelkomd. Veel landen proberen deze richtlijnen in de praktijk te brengen. De richtlijnen zeggen dat elk kind het recht heeft om op te groeien in een gezin. Dat recht is er niet zomaar. Dat recht is er omdat opgroeien in een gezin het beste is voor de ontwikkeling van kinderen. Een kinderhuis kan de liefde en aandacht in een gezin niet vervangen. Bovendien is er veel onderzoek naar de schadelijke gevolgen van opgroeien in een kinderhuis. Het kan hechtingsproblemen en verlatingsangst veroorzaken. Kinderen in tehuizen blijven achter in lengte, gewicht en IQ. En wanneer ze achttien zijn en de zorg ophoudt, dan hebben ze vaak grote moeite om aansluiting te vinden in de maatschappij.

Soms kan het toch niet anders? Bijvoorbeeld in landen met veel aidswezen, of in gebieden waar een aardbeving of andere ramp is geweest?
Om met de ‘aidswezen’ te beginnen: dat gaat vaak om kinderen in Afrika. De opvang van de kinderen daar gebeurt traditioneel door de familie. Door ooms en tantes of grootouders, maar niet door kinderhuizen. Kinderhuizen zijn een Westerse uitvinding. Iets anders is het wanneer er een grote ramp is geweest waarbij kinderen hun ouders hebben verloren of zijn kwijtgeraakt. Dan kan tijdelijke residentiële zorg een oplossing zijn: je laat kinderen immers niet op straat. Vanuit die veilige plek kan worden gezocht naar ouders of familieleden. De inzet moet er uiteindelijk op gericht zijn dat het kind weer teruggaat naar familie, of naar een pleeggezin.

Stel, ik ben betrokken bij een stichting met een project in Afrika of Azië en we willen iets doen voor straatkinderen of weeskinderen. Hoe pakken we dat aan?
Neem eerst de tijd, onderdruk de impuls om metéén voor kwetsbare kinderen te gaan zorgen. Oriënteer je eerst goed en ga niet zomaar iets beginnen. Verdiep je in het lokale beleid en de lokale wetgeving. Wat is er allemaal voor deze kinderen geregeld? Wat doet de overheid en welke andere organisaties zijn er al mee bezig? Kun je daarbij aansluiten? Wat is de behoefte van deze kinderen en hun gezinnen? Zulke zorg is misschien moeilijker te organiseren dan het bouwen van een kinderhuis, maar het is veel beter voor het kind.

Wat als de lokale gemeenschap zélf om een kinderhuis vraagt? Moet je zo’n verzoek dan niet honoreren?
Dat is een lastige, want natuurlijk is het belangrijk dat je aansluit bij wat de lokale bevolking wil. Maar besef dat vrijwel alle ontwikkelingslanden een beleid hebben dat de opvang in weeshuizen ontmoedigt. Mijn advies zou zijn: ga daarover met mensen in gesprek. Waarom denken zij dat kinderhuizen het beste zijn? Wat zou je kunnen doen om gezinnen te ondersteunen om te voorkomen dat kinderen van hun familie worden gescheiden? Ik denk dat je dan samen uitkomt bij alternatieven die beter zijn voor het kind en zijn familie.

Veel particuliere initiatieven hebben al een ‘weeshuis’ gebouwd, of ze ondersteunen er een. Wat moeten zij doen?
Je gaat natuurlijk niet van de ene op de andere dag de deuren sluiten en kinderen op straat zetten. Wel kun je, samen met het kinderhuis, kijken wat je op termijn kunt veranderen. Hoe kun je het kinderhuis langzaam sluiten, of ombuigen naar alternatieve vormen van opvang? Hoe kun je zorgen dat kinderen weer terug naar hun familie gaan, of naar een pleeggezin? Wat is er nodig aan ondersteuning voor deze gezinnen? Hier is geen blauwdruk voor, dat moet je per kind bekijken.  Zoiets is een lang traject dat zorgvuldig moet gebeuren.

Veel mensen, vooral jongeren, willen graag vrijwilligerswerk doen in een kinderhuis. Wat adviseer je hen?
Doe het niet! De eerste vraag die je je moet stellen is: is dat wat ik ga doen in het belang van het kind? Vrijwilligerswerk doen in een zorgproject voor kinderen is dat meestal niet. Als vrijwilliger ben je er vaak maar kort, kinderen krijgen dan te maken met veel wisselende mensen. Dat kan hechtingsproblemen verergeren. Daar komt bij dat vrijwilligerswerk in kinderhuizen bijdraagt aan de instandhouding – en soms zelfs uitbreiding – van kinderhuizen. Kijk liever of je met je kennis en ervaring iets kunt betekenen voor de staf van een project, bijvoorbeeld wanneer je ervaring hebt als verpleegkundige of sociaal pedagogisch hulpverlener. En ga uit van gelijkwaardigheid. Je komt iets brengen, maar heb je ook werkelijk iets te bieden? Ik vraag mensen wel eens om zich het omgekeerde in te beelden: hoe zou jij het vinden als een Chinese scholier van 16 hier Engelse les komt geven? En zou jij hier een 16-jarige zonder opleiding en ervaring met getraumatiseerde kinderen laten werken? Zo nee, waarom zou je dat dan wel in Malawi doen? Goede bedoelingen zijn niet altijd genoeg.

Afgelopen tijd was er veel discussie over vrijwilligerswerk met kinderen, onder andere door het verschijnen van enkele kritische documentaires over ‘de weeshuisindustrie’ in ontwikkelingslanden. Merk jij dat daardoor iets is veranderd?
Ja, ik zie zeker verandering. We liepen voorheen als BCNN tegen veel gesloten deuren aan als we met organisaties wilden praten over de risico’s van vrijwilligerswerk met kinderen. Nu zien we dat organisaties die vrijwilligers uitzenden ons opzoeken met de vraag: ‘hoe kan het beter?’ Er is meer openheid. Maar het blijft moeilijk: vrijwilligerswerk in kinderhuizen blijft populair, organisaties hoeven daar geen ‘reclame’ voor te maken. We moeten ons verhaal blijven herhalen.

Hoe doen jullie dat als Better Care Network Netherlands?
We zijn een netwerk dat kennis en ervaring uitwisselt over zorg voor kinderen zonder adequate ouderlijke zorg. We hebben richtlijnen ontwikkeld, we organiseren trainingen, informatiebijeenkomsten en workshops. Onze website staat vol achtergrondinformatie en voorbeelden uit de praktijk. En we geven advies op maat: wanneer je een vraag hebt, dan kun je contact met ons opnemen: info@bettercarenetwork.nl.

BCNN heeft een nieuw boek uitgebracht voor vrijwilligers en mensen met projecten in ontwikkelingslanden: Kinderen zonder ‘thuis’. Waarom is deze gids belangrijk?
Er is heel veel geschreven over zorg voor kinderen in ontwikkelingslanden. Maar die informatie is vaak erg uitgebreid en verpakt in wollige en technische taal. Dit boekje geeft op een eenvoudige en praktische manier snel inzicht in de belangrijkste thema’s rond projecten met kinderen. Het kan discussie opleveren, het kan vragen oproepen, het kan vragen beantwoorden. Maar het belangrijkste is dat het je aan het denken zet.

Kinderen zonder ‘thuis’ is als pdf te downloaden van deze website of van bettercarenetwork.nl. Het is gratis te bestellen via info@bettercarenetwork.nl.  

Reacties