Resultatenrapportage: Wat ging minder goed?

15-09-2011
Door: Paul Hoebink
Bron: OneWorld
Paul Hoebink

De discussie over het nut van de hulp vraagt om een eerlijke verantwoording van wat er met de Nederlandse hulpeuro’s is bereikt. Dat lukt steeds beter, constateert hoogleraar ontwikkelingsstudies Paul Hoebink. Deze maand verschijnt de laatste papieren versie van de Resultatenrapportage.

Meer dan ooit in de zestigjarige geschiedenis van ontwikkelingssamenwerking wordt er in Nederland zeer kritisch gekeken naar de grote internationale organisaties, naar het mnisterie van Buitenlandse Zaken en ook naar de grote particuliere ontwikkelingsorganisaties. Waar het vergrootglas staat op honger en geweld, daar gebeurt het snel dat aan de resultaten van ontwikkelingshulp getwijfeld wordt. De scepsis bij publiek en in de politiek dwingt ontwikkelingsorganisaties om nog helderder en duidelijker te zijn over de resultaten die ze hebben bereikt met het geld van belastingbetalers en donateurs.

Zes jaar geleden bracht het ministerie van Buitenlandse Zaken een eerste rapportage uit over de resultaten van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Dat was een nogal saai, ambtelijk stuk, uitgegeven in dor, gestencild A4-formaat. De tweede rapportage twee jaar later was nagenoeg hetzelfde. Het was dan ook opmerkelijk dat de derde rapportage in 2009, samengesteld door schrijfgroepen van ambtenaren en staf van ontwikkelingsorganisaties, op Bosatlasformaat verscheen, veelkleurig met mooie kaarten en grafieken. Nederland zou Nederland niet zijn, als daarover ook niet geklaagd werd. Te poenerig en niet passend in de akte- of handtas, luidde het commentaar bij de evaluatie van die rapportage. Vandaar dat de nieuwe versie van 2011 slechts in samenvatting in druk verschijnt en tegelijkertijd ook waarschijnlijk de laatste in drukvorm zal zijn. 150 pagina’s dik is de, opnieuw mooi uitgevoerde, rapportage, maar die moet je dan wel zelf uitprinten. In deze moderne tijden bekijk je blijkbaar ook de resultaten van ontwikkelingssamenwerking eerst en vooral op een website, die de komende jaren voortdurend gevoed zal moeten gaan worden met nieuw materiaal.

Geen sinecure
Ander commentaar bij de evaluatie van de Resultatenrapportage van 2009 was toch ook dat het allemaal wat al te positief was, dat het teveel zou neigen naar propaganda. Niet dat politici en andere buitenstaanders verwachten dat hulporganisaties met een hele serie verhalen van mislukkingen aan komen zetten. Wel vinden ze, zoals een van de Kamerleden het formuleerde, dat je niet bang moet zijn om mislukkingen te laten zien en vooral ook welke lessen je daaruit leerde. Dat is nu opgelost door paragrafen met titels als ‘wat ging minder goed’ en ‘geleerde lessen’, overigens niet in alle hoofdstukken. Dat geeft minimaal de indruk dat deze rapportage toch heel wat realistischer is.

Laten we eerst vaststellen dat het samenstellen van zo’n rapportage geen sinecure is. Het gaat over die twee jaar, 2009 en 2010, toch om een slordige 9,7 miljard euro, besteed door tientallen organisaties, met tienduizenden activiteiten. Dat je ‛alles’ gefinancierd met die dikke 9 miljard in kaart brengt, is al nagenoeg onmogelijk; dat je van dat ‛alles’ precies de resultaten kunt weergeven, vergt waarschijnlijk enige jaren meer aan studie en een kleine encyclopedie aan dikke boekdelen voor de weergave daarvan. De input, de hoeveelheid geïnvesteerde middelen, is dan misschien nog het makkelijkst vast te stellen, maar ook dat vergt nog een hele exercitie. Resultaten bij elkaar brengen is nog een maat moeilijker en bijna per definitie selectief en voor een deel anekdotisch. Voor mensen die voor het merendeel enthousiast zijn over het werk van hun organisaties, is het eerlijk weergeven van resultaten van hun werk toch zoiets als het zoeken naar precaire evenwichten.

Meer dan de vorige reportage is die van 2011 een gezamenlijk product van het ministerie van Buitenlandse Zaken en particuliere ontwikkelingsorganisaties, door de sterke betrokkenheid van branche-organisatie Partos en de stevige deelname van de particuliere ontwikkelingsorganisaties in de schrijfgroepen. Maar liefst elf schrijfgroepen waren aan het werk, gevuld met een tiental tot meer dan twintig mensen. In totaal waren zo’n 150 mensen van meer dan dertig organisaties, waaronder Unilever en de Rabobank, bij het schrijfproces betrokken.

Goede vooruitgang
Het is natuurlijk weinig opmerkelijk dat de resultaten van de Nederlandse hulp parallel lopen met de resultaten die gemeld worden in de grote rapportage die de VN vorig jaar uitbracht in het kader van tien jaar millenniumdoelen, de acht afspraken om wereldwijde honger en armoede voor 2015 terug te dringen. Er is goede vooruitgang te melden, vooral dankzij de Aziatische groei maar ook dankzij groei van een aantal Afrikaanse landen. Daar staat tegenover dat het aantal ondervoede mensen weer toeneemt, vooral door de stijging van de voedselprijzen. Nederlandse organisaties hebben veel, en succesvol, geïnvesteerd in innovatie van boerenbedrijven, in het verbeteren van afzetmogelijkheden en toegang tot krediet voor boeren, maar dat kan die mondiale trends en gebeurtenissen natuurlijk nooit keren. Na een decennium aan verwaarlozing van de landbouw hebben donoren de hulp aan deze ‘moeilijke’ sector weer opgepakt.

Begrotingssteun
Wat vind ik opmerkelijk bij het doorlezen van die honderdvijftig bladzijden? Allereerst toch dat zo’n 30 procent van de Nederlandse hulp naar armoedebestrijding (millenniumdoel 1) gaat, vooral ook door het investeren in ondernemerschap en infrastructuur. Dat is ruim 35 procent van het totale bedrag waarover gerapporteerd wordt. De rapportage laat de hulp die loopt via internationale organisaties zoals de Wereldbank en de Europese Unie namelijk buiten beschouwing. Slechts een heel klein deeltje van die hulp voor millenniumdoel 1 werd gegeven in de vorm van algemene begrotingssteun: 2,5 procent van de totale officiële Nederlandse ontwikkelingshulp. Dat is opmerkelijk omdat begrotingssteun (waarbij hulpgeld direct in de staatskas van het hulpontvangende land wordt gestort) zowel in Nederland als in Europa de afgelopen jaren de meest bediscussieerde vorm van hulp was.

Rampen
Hulp aan onderwijs en gezondheidszorg staat op de tweede en derde plaats, met zo’n 14 en 13 procent. Waarschijnlijk ook tegengesteld aan het beeld dat veel mensen hebben van de ontwikkelingshulp, is dat in die twee jaar slechts 10 procent naar humanitaire hulp ging voor hulp na rampen en aan vluchtelingen. Dat is minder dan er naar milieu, water en sanitaire voorzieningen ging. Ook het aandeel vrede en veiligheid valt met ruim 7 procent waarschijnlijk lager uit dan menigeen, met het oog op Uruzgan, verwacht.

Opmerkelijk vind ik ook wel weer de enorme hoeveelheid en verscheidenheid van organisaties en instellingen waarmee samen wordt gewerkt om te zorgen dat hulp werkt. Dat is een zeer bijzonder amalgaam van nutsbedrijven, adviesbureaus, banken, onderwijsinstellingen, milieugroepen en ontwikkelingsorganisaties van allerlei pluimage. Dat zegt toch ook iets over de diepe verankering van ontwikkelingssamenwerking in de Nederlandse samenleving.

Geen blauwdrukken
Het verraste me eveneens dat Nederland ook weer beroepsonderwijs financiert. Dat gebeurde in de jaren zeventig ook, maar vooral omdat een consortium van bedrijven allerlei apparatuur kon leveren. Bij de steun aan het basisonderwijs moet op veel plaatsen de omschakeling van kwantiteit (alle kinderen naar school) naar kwaliteit (alle kinderen moeten ook daadwerkelijk leren lezen, schrijven en rekenen) komen. Ik pleit dan al een tijd voor het integreren van ambachtsonderwijs in het curriculum van de lagere school, met een timmerwerkplaats en een schooltuin. Op Kaapverdië is met Nederlandse hulp het aantal kinderen dat naar het beroepsonderwijs gaat verdrievoudigd. In Tanzania werd met Nederlandse hulp het curriculum van het beroepsonderwijs herzien.

Het verraste me dan toch ook dat er geen blauwdrukken bestaan voor het behalen van resultaat. Dat problemen en oplossingen daarvoor van land tot land kunnen verschillen en dat daarom een goede samenwerking met plaatselijke organisaties en overheden onontbeerlijk is. Her en der wordt daar in de rapportage in verschillende bewoordingen op gehamerd bij de ‘Geleerde lessen’. Dat betekent dat voor het behalen van resultaten een specifieke en slimme toepassing van kennis en van die geleerde lessen noodzakelijk is.

Dan resten nog één vraag en één antwoord: gaat deze rapportage invloed hebben op scepsis en wantrouwen bij een deel van de politiek en van het Nederlandse publiek? Ik vrees dat dat niet aan deze rapportage, die overtuigend is, zal liggen. Wat betreft de politiek mag je aannemen dat de loopgraven zo gegraven zijn, dat er maar weinigen uit te trekken zijn. Voor het Nederlandse publiek geldt iets anders. Ontwikkelingsorganisaties zelf zullen hun schroom moeten afschudden en helder en luid moeten roepen: ‘Hulp werkt (niet altijd, niet altijd even goed, en nooit snel genoeg), maar kijk: veelal werkt hulp!’

Paul Hoebink is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Internationale Ontwikkelingsvraagstukken Nijmegen (CIDIN) van de Radboud Universiteit. Hij was voorzitter van de Klankbordgroep die de productie van de Resultatenrapportage begeleidde.

 

 

Reacties