Ontwikkelingsjournalisten Linda Polman en Marc Broere in debat

17-09-2009 Bron: IS Online
One World

Ontwikkelingshulp bestaat zestig jaar, maar de jarige staat niet vaak in de schijnwerpers. Linda Polman en Marc Broere gingen in debat. Kranten en tijdschriften bezuinigen al jaren op het potje ‘buitenland’. Er zijn nog steeds journalisten die onverstoorbaar tegen die stroom oproeien. IS vroeg twee van die ‘hulpwatchers’, Linda Polman en Marc Broere, om hun visie op de hulp en op elkaars werkwijze.

Op een Amsterdams terras aan ‘t IJ begroeten Linda en Marc elkaar hartelijk.Ze kennen elkaar nog uit de tijd dat ze allebei voor tijdschrift onzeWereld werkten.
Linda Polman deed het afgelopen jaar veel stof opwaaien met haar boek De Crisiskaravaan. Van Sierra Leone tot aan Afghanistan bestudeerde ze hulpverleners, meereizende acteurs, popsterren en niet te vergeten journalisten om ‘een patroon van misstanden in de noodhulp bloot leggen’. In zijn deze maand verschenen boek Vechten tegen armoede schetst Marc Broere, puttend uit zijn twintig jaar ervaring als journalist, de dilemma’s van de ontwikkelingshulp. Corruptie, roep om snelle resultaten en de druk om geld uit te geven maken het werk van de Nederlandse ontwikkelingswerkers en beleidsmakers er de laatste jaren niet makkelijker op.   

Jullie schetsen allebei geen opwekkend perspectief voor de hulp…

Linda: “Ik denk dat Nederland binnen tien jaar alleen nog maar geld stopt in een Europees potje voor ontwikkelingssamenwerking en niet meer zelf hulp geeft. Overal in Europa ligt ontwikkelingssamenwerking onder vuur, dus ik vermoed dat die Europese pot over twintig jaar ook opgeheven is. “

Marc: “Ik vind dat Nederland haar mondiale verantwoordelijkheid moet blijven nemen en dus ook hulp moet blijven geven. Maar dat betekent veel meer dan alleen de hoogte van het ontwikkelingsbudget handhaven. Toen de internationale hulp op gang kwam, was het onderdeel van een veel groter pakket maatregelen. Hulp was bijgerecht, eerlijke handel het hoofdgerecht. Gaandeweg is hulp van bijgerecht naar hoofdgerecht gepromoveerd. Zo is het nooit bedoeld geweest. Onvermijdelijk gaat dat een keer mis en krijg je er debat over.”

Zijn jullie verbaasd over de heftigheid van het debat, waarin de critici nu het hoogste woord hebben?

Linda: “Toen ik vijf  jaar geleden kritiek uitte op ontwikkelingssamenwerking werd ik meteen fascist genoemd. Die houding heb ik snel zien veranderen.”

Marc: “Boeken zoals De Crisiskaravaan van Linda en Dead aid van Dambisa Moyo spelen een heel belangrijke rol in het debat. Alleen wordt hun kritiek meteen op de hele sector betrokken, terwijl deze slechts twee onderdelen belichten: Linda richt zich tegen de noodhulp en Moyo hekelt de bilaterale hulp die rechtstreeks van regering naar regering gaat.”

Linda: “Die verwarring over wat hulp nu eigenlijk is, kun je ook de hulpindustrie zelf verwijten. De sector is zo ingewikkeld en ondoorzichtig geworden, dat valt nauwelijks meer aan buitenstaanders uit te leggen. “

Vinden jullie dat jullie een vergelijkbare positie in het debat innemen?

Linda: “Ik vind Marcs boek heel goed geschreven, maar ik heb er wel veel over op te merken. Ik vind het erg van binnenuit geschreven. Jij schurkt als journalist heel dicht tegen de ontwikkelingswereld aan. Ik sta buiten die wereld en kijk met de blik van een buitenstaander.”

Marc: “Ik zie mezelf absoluut niet als deel van de hulpwereld. Ik ben net zo’n onafhankelijke journalist als jij. Je kunt wel degelijk samenwerken met ontwikkelingsorganisaties en tegelijkertijd je journalistieke onafhankelijkheid behouden.”

Linda haalt een stapeltje paar A4-tjes met aantekeningen tevoorschijn.

Linda: “Het gros van jouw bronnen in dit boek is mensen uit de ontwikkelingswereld. De plekken waar je naar toe bent gereisd, bekijk je in gezelschap van ontwikkelingswerkers. Je wordt door hen opgehaald, je logeert bij hen en je gaat met hen op stap.”

Marc: “Ontwikkelingsorganisaties kunnen goede bronnen voor een journalist zijn.  Zeker als ze in gebieden zitten waar weinig media-aandacht voor is. Neem El Salvador, dat land is helemaal uit de spotlights verdwenen. Rond de verkiezingen begin dit jaar ben ik er geweest. We hebben een film gemaakt over straatbendes die de regio daar teisteren. Ik had nooit met ze in contact kunnen komen zonder hulp van ontwikkelingsorganisatie, die daar al jaren actief is.”

Linda: “Je hoeft niet met een boog om hen heen, want ze zijn deel van het verhaal. Maar ze zijn niet het verhaal. Ik begrijp niet waarom journalisten niet zien dat hulporganisaties hun eigen bedrijfsbelangen hebben. Als Shell journalisten een reis naar Ogoniland in Nigeria zou aanbieden, zou je onmiddellijk weten wat daar verkeerd aan is. Als een hulporganisatie zegt dat er een journalist naar El Salvador moet, laat die journalist zich ineens wel strikken.”

Boven ‘t IJ barst onweer los. Binnen haalt Marc op zijn beurt een dik pak aantekeningen tevoorschijn.

Marc: “Jij schetst wel een heel karikaturaal beeld van de hulpsector. In De crisiskaravaan sturen ontwikkelingswerkers zwarte chauffeurs vooruit om te kijken of er mijnen liggen. En westerse hulpverleners die overdag werken voor een kinderrechtenorganisatie, hebben ’s avonds een kindprostituee op schoot.”

Linda: “Maar ik pretendeer ook niet dat ik een portret heb geschetst van hulp in al zijn facetten. Ik heb een belangrijk dilemma  – hoeveel concessies doe je als hulporganisatie aan moorddadige regimes? – op tafel gegooid.”

Marc: “Het was krachtiger geweest, als je in je boek wat meer mensen van vlees en bloed had laten zien die worstelen met de dilemma’s. Ontwikkelingsorganisaties zijn in jouw ogen bedrijven vermomd als moeder Theresa.”

Linda: “Bedrijven waar ontzettend veel geld in omgaat. Hun intenties kunnen goed of slecht zijn, maar je moet ze in elk geval kritisch bekijken. Je mag niet klakkeloos aannemen dat het wel goed zit, omdat het toevallig om hulporganisaties gaat. Trouwens,  in jouw boek neem je ontwikkelingsorganisaties, met wie je tegelijkertijd  samenwerkt,  soms ook behoorlijk onder vuur.”

Er ontspint zich een discussie over de vraag wie het ‘gemeenste’ beeld van de hulpverlener schetst. Driftig zoekend in hun aantekeningen confronteren ze elkaar met citaten. Conclusie: in beide boeken krijgen de hulpverleners er stevig van langs.

Marc: “Ik ben inderdaad heel kritisch over grote Nederlandse particuliere organisaties, daar heb je gelijk in. Maar ik schrijf ook over de resultaten die ze geboekt hebben. Ik geloof in hun oprechtheid en integriteit. In de twintig jaar dat ik over ontwikkelingssamenwerking schrijf, heb ik veel inspirerende mensen ontmoet, die er onder moeilijke omstandigheden in slagen mensen uit de armoedespiraal te trekken. Ik denk dat Nederland relatief goed presteert op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en daar mogen we best trots op zijn.”

Verontwaardigd pakt Linda Marcs hand.

Linda: “We, we? Dat voel ik helemaal niet zo! De steun van het Nederlandse publiek brokkelt razendsnel af door gebrek aan aantoonbare resultaten die in die zestig jaar geboekt zijn. Bovendien worden de hulpontvangers zelf ook kritischer over hulp. Afrika heeft steeds beter door dat de hulpindustrie vooral zichzelf helpt.”

Er is nog een verschil tussen jullie twee. Linda weigert subsidies en prijzen uit de sector.

Marc: “Ik heb de Dick Scherpenzeelprijs (gesponsord door NCDO, red.) een aantal jaar geleden gewonnen. De oorkonde heeft een ereplaats boven mijn bureau. En financiele steun is handig om kosten te drukken, buitenlandreportages zijn erg duur.”

Linda: “In de Verenigde Staten en Engeland is het verboden om als journalist dit soort subsidies te accepteren. In Nederland zijn journalisten dat normaal gaan vinden. Ik wil het verhaal onafhankelijk van welke partij dan ook op mij af laten komen. Ik eis dat redacties daar geld voor vrijmaken en niet met z’n allen op het landgoed van Michael Jackson rondhangen of massaal het Wereldkampioenschap voetbal verslaan. Dat punt heb ik willen maken door de nominatie te weigeren.”

De donkere onweerswolken trekken weg boven ’t IJ. De aantekeningen gaan weer in de tas.

Marc: “Ken je dat tv-programma Puberruil waarin pubers uit heel verschillende werelden een week van plek ruilen? Dat zouden wij eens moeten doen.”

Linda: “Goed , dan stuur ik jou unembedded, helemaal in je eentje, naar Afghanistan.”

Marc: “En dan mag jij met een ontwikkelingsorganisatie, geheel verzorgd, naar El Salvador.”

Pieternel Gruppen

Pieternel Gruppen werkt op dit moment bij Trouw. Voordat ze bij Trouw ging...

Lees meer van deze auteur >

Reacties