Interview: Tineke Ceelen, directeur Stichting Vluchteling

17-12-2009 Bron: IS Online
Tineke Ceelen

Congo, Darfur, Kenia. Waar een brandhaard is, is Tineke Ceelen. Een gesprek met de directeur van Stichting Vluchteling.

Ceelen inspecteert zelf ter plekke wat de noden zijn en vertelt daar vervolgens aangrijpende verhalen over op de radio of op tv. Rond de kerst is haar stem te horen in reclamespotjes waarin ze kijker oproept om geven. Nú. “Met een beetje moeite kan ik andere mensen helpen om te overleven.”

Woensdagmiddag bij Tineke Ceelen thuis. Een keukentafel met koffie, koekjes, opschrijfboekjes, een laptop. Daarnaast een bladmuziekstandaard. Ceelen speelt samen met haar dochter Agnes (10) saxofoon. Als ze tijd heeft. Want als directeur van Stichting Vluchteling reist ze de wereld rond om te praten met samenwerkingspartners in New York en Genève. Er staat altijd een koffer klaar om op het vliegtuig te springen naar Tsjaad, Georgië, Pakistan: gebieden die getroffen zijn door oorlog of natuurramp. In haar boek Hier en daar een crisis beschrijft ze in toegankelijke anekdotes haar bijna twintig jaar ervaring in de ontwikkelingssamenwerking en noodhulp. Ze is een welkome gast bij radio- en tv-programma’s. Pauw & Witteman, Andries Knevel, ze nodigen haar graag uit. Die airplay is hard nodig, vindt Ceelen. Want de hulporganisaties weten zichzelf niet goed te verdedigen tegen de kritiek van de laatste tijd. Die raakt ook Stichting Vluchteling. Onlangs in ‘Met het oog op morgen’, vergeleek presentator Stephan Sanders tijdens een interview hulporganisaties met Stalin, als voorbeeld van hoe goede bedoelingen ook tot kwade resultaten kunnen leiden. Ceelen wordt nog furieus als ze er weer aan denkt. “Stalin! Wij die proberen mensen in nood te helpen, worden vergeleken met iemand die miljoenen mensen vermoord heeft. Het is me nogal wat. Na zo’n interview zit ik thuis echt nog twee uur op de bank na te trillen.”

De ondertitel van uw boek ‘Achter de schermen van de internationale hulpverlening’ doet vermoeden dat u een antwoord wilde formuleren op De Crisiskaravaan waarin journalist Linda Polman de hulpindustrie neersabelt.
“Nou, nee, want die discussie verlies je altijd. De voorbeelden van misstanden die zij noemt, zijn waar. Maar daarmee is haar conclusie dat alle hulporganisaties meer kwaad dan goed doen, nog geen waarheid. Je kunt haar argumentatie ook toepassen op bijvoorbeeld de gezondheidszorg in Nederland. Ik kan vertellen dat in ziekenhuis A de slangen zo vies zijn dat patiënten een infectie oplopen. Ziekenhuis B heeft ellenlange wachttijden, waardoor voor sommige mensen de behandeling te laat komt. Het laboratorium van ziekenhuis C is hopeloos. Allemaal waar, maar is daarom de hele gezondheidszorg slecht? Volgens Linda Polman wel. Daar valt niet tegen te vechten. Natuurlijk mag je kritiek hebben, maar zij is zo zuur, zo venijnig. De hulpverleners die zij afschiet, zijn jonge meisjes en jongens die een potentieel geweldig hip, leuk leven in Amsterdam in alle veiligheid opgeven voor zwaar werk in de middle of nowhere, waar ’s nachts de slangen en hagedissen door de slaapkamer kruipen, terwijl ze ook nog eens risico lopen op een gewapende overval. Dat je daar op zo’n manier je pijlen op richt, vind ik een hele kwalijke zaak.”

Zo wordt Polman dus ook niet weersproken. Anderen in de hulpsector doen dat ook niet.
“Ik heb het meerdere keren gezegd in de media en dat wordt me niet in dank afgenomen, maar de communicatie is natuurlijk bitter slecht. Organisaties zetten hun directeuren en persvoorlichters voor de camera, in plaats van de mensen in het veld, die staan te janken omdat ze een dood kind in hun armen hebben. Er is de afgelopen jaren een tussenlaag gecreëerd, tussen het publiek en de veldwerkers. Zo’n bureaucratisering zie je ook optreden in ziekenhuizen en op scholen. Een grote managementlaag ontneemt ons het zicht op de mensen die het echte werk doen. Ik ben intussen ook zo’n manager geworden. Ik werk niet meer in het veld. Maar ik ga wél kijken en vertel over wat ik zie.”

Koffie wordt ingeschonken, koekjes gepresenteerd. Dochter Agnes en haar nichtje worden naar boven gestuurd.

U wordt regelmatig gevraagd voor radio of tv. Blijkbaar doet u iets goed in uw mediaoptreden. Heeft u het gevoel dat u concessies moet doen aan het grote publiek?
“Ik weet een ingewikkelde boodschap simpel te brengen. Té simpel, vinden sommigen.
Maar je kunt de boodschap ook heel ingewikkeld maken en alle kijkers naar het andere kanaal jagen. Ik ben gewoon te zenuwachtig om ingewikkeld te doen. Dat is waarschijnlijk mijn grote geluk. Zo’n tv-optreden is zenuwslopend. Als ik naar Pauw & Witteman moet, slaap ik de nacht van tevoren niet. Ik doe de hele dag niks zinnigs, kan niet eten. Maar als ik het gedaan heb, ben ik heel trots.”

U bent misschien het geloofwaardige gezicht van de hulpindustrie, maar kunt u daarmee ook krediet voor de sector als geheel bewerkstelligen?
“Er komen veel positieve reacties van kijkers. Dat vertaalt zich ook naar giften. Van collega’s uit de sector hoor ik eigenlijk niks. Een beetje steun zou aardig zijn, maar dat gebeurt niet. Ik vind het gewoon belangrijk om een stem te geven aan de slachtoffers van conflict en natuurrampen. de sector moet op zoek naar nieuwe manieren om het verhaal te vertellen.Twintig jaar geleden, toen ik mijn carrière begon, was het per definitie nobel als je voor een goed doel werkte. Nu gaan onmiddellijk die wenkbrauwen omhoog. Ik krijg meteen de vraag: ‘Hoe zit dat nou?’ Alsof ik een beroepscrimineel ben die er een sport van maakt om zoveel mogelijk aan de strijkstok te laten hangen. Het is een maatschappelijke tendens. We vertrouwen de politiek niet meer, de vakbonden niet, de kerk niet. Politieagenten en ambulancepersoneel schelden we gewoon uit. Ontwikkelingssamenwerking is een van de laatste heilige huisjes die ondersteboven getrapt moesten worden. Ik hoop echt dat mensen door mijn mediaoptredens en het lezen van mijn boek een realistischer beeld krijgen.”

U beschrijft het in uw boek: de ene crisis breng je makkelijker over het voetlicht dan de andere. Met een reis naar de door burgeroorlog geteisterde Centraal Afrikaanse Republiek haalt u geen voorpagina.
“Natuurlijk was ik liever een week druk geweest met mediaoptredens en had ik graag een gironummer de lucht in gedaan. Maar zolang de Centraal-Afrikaanse Republiek niet in het nieuws is, willen de tv-programma’s er niks mee. Zo werkt het nou eenmaal. Maar we hebben nu beelden in de kast staan. Ik weet wat er aan hulp gegeven wordt, ik weet wat de tekorten zijn. Als daar morgen echt de pleuris uitbreekt en het is komkommertijd op tv, dan schuif ik zo aan en vertel ik wat er loos is. Zo’n bezoek is dus ook relevant voor de langere termijn.”

Kun je met de aandacht ‘hier’ voor een ramp structurele veranderingen ‘daar’ bewerkstelligen.
We moeten niet een te grote broek aantrekken. Nederland is een klein landje, Stichting Vluchteling is een klein clubje. Tineke Ceelen is geen klein meisje, maar je snapt wat ik bedoel. Wees voorzichtig met te claimen dat wij de wereld kunnen veranderen. Dat kunnen we niet. Maar we moeten wel onze bijdrage leveren, stapje voor stapje. We zeggen veel te gemakkelijk dat hulp niet helpt. Dat is onzin. Ontwikkelingssamenwerking heeft wel degelijk wat opgeleverd, veel zelfs. Je kunt je afvragen of het niet te duur geweest is en of het niet sneller gekund had. Maar het is niet fair om te zeggen dat hulp geen resultaat heeft gehad. Je ziet een middenklasse ontstaan in veel Afrikaanse landen. Die is nog niet genoeg opgeleid, nog te fragiel om op te komen tegen foute regimes. Maar het is wel aan het gebeuren. Mede dankzij hulp.”

Agnes en haar nichtje komen naar beneden. Ceelen: “Wat wil je? Een koekje, oké dan. Niet knoeien, ik houd niet van stofzuigen.”

Tineke Ceelen dendert maar door. Waar komt uw drive vandaan?
“Zet de tv aan, lees de krant of een tijdschrift. Dan zie je hoe belangrijk het is om een goede basis te hebben in de vorm van een goede opleiding en gezondheidszorg. Daarmee bied je iemand de kans om een gezond en evenwichtig mens te worden. Ik was heel jong al gefascineerd door het verschil dat geld kan maken. Ik zie het van heel dichtbij met mijn eigen dochter Agnes. Ze is dyslectisch. In Nederland worden alle toeters en bellen uit de kast gehaald om haar op zo goed mogelijke manier door de lagere school te krijgen. Wat een voorrecht. Ik voel mij schatplichtig. Kijk eens rond hier, ik heb toch alles. Een huis, een auto. Ik maak er geen geheim van dat ik diabetespaiënt ben. Ik zit vast aan een peperduur insulineapparaat, anders ga ik dood. Met een beetje moeite kan ik andere mensen helpen om te overleven.”

In interviews wordt u vaak gevraagd wat Agnes ervan vindt dat u zoveel van huis weg bent. Dat vragen ze niet aan uw mannelijke collega’s.
“Tja, er zijn nou eenmaal niet zo veel alleenstaande vaders. Als hier in huis nog een man rondgelopen had, was het heel anders geweest. Ik heb een heel gemakkelijk kind. Heel veel mensen vinden dat niet verdiend, omdat ik zo vaak weg ben, maar het is nu eenmaal zo. Ik schrijf dat toe aan haar eerste vier jaar in Tibet en Kameroen. Voor Agnes is het heel normaal dat er veel verschillende mensen in haar buurt zijn, dat er veel mensen langskomen, dat ze hoort over andere landen. Dat maakt mijn kind alleen maar rijker.”

Agnes en haar nichtje komen de kamer binnen. Mogen ze nog een snoepje?
Ceelen: “Stelletje geboefte! Nee, je mag geen snoepje. Je moet toch zo naar zwemles? Dadelijk zink je nog.”

Is er leven na stichting Vluchteling?
“Ik kan me goed voorstellen dat ik ooit nog eens directeur van een Blijf-van-mijn-Lijf-huis zou worden, dat past ook uitstekend bij me. Of bij de recherche ga. Maar ik heb nog geen plannen om ermee op te houden. Ieder mensenleven dat we redden, geeft me weer energie. Als ik ooit zou stoppen met dit werk, dan kom het door de frustraties hier in Nederland. Ik word heel erg agressief van vals commentaar in kranten en op tv. Zoals die film Enjoy Poverty van Renzo Martens: dat je het in je botte kop haalt om met je paardenstaartje en in je witte bloesje dwars door Congo te sjouwen met een accu, een paar neonletters en een kratje bier. En dat je dan in een dorp waar mensen nog nooit een snipper elektriciteit hebben gehad, een lichtreclame op gaat bouwen met de woorden‘Enjoy Poverty’! Hoe durf je zoiets onsmakelijks te doen? Tel daarbij op mijn frustratie dat het zo moeilijk is geworden om je fondsen bij elkaar te krijgen. Ik voel me af en toe een professionele bedelaar. Ik vraag toch niet om je hele salaris? Lever gewoon een bijdrage om anderen een kans te geven. Het gaat vaak om kinderen, om ouden van dagen, om vrouwen die voor geen millimeter debet zijn aan de situatie waarin ze beland zijn.”

Wie is Tineke Ceelen?
Tineke Ceelen (Lith, 1963) studeerde culturele antropologie in Utrecht. In 1993 werd ze hoofd van de afdeling uitzending van Memisa. In 1997 vertrok ze voor het Rode Kruis naar Tibet. Vanaf 2000 werkte ze voor SNV in Kameroen. Sinds 2003 is ze directeur van Stichting Vluchteling, bekend van gironummer 999. Het kantoor in Den Haag telt veertien fulltime arbeidsplaatsen. Ceelen: “Ik heb wel een grote mond, maar we zijn maar een klein clubje.” Stichting Vluchteling gaf in 2008 ruim 13 miljoen euro uit aan hulp voor vluchtelingen in met name Azië en Afrika. Ruim 6,5 miljoen euro werd geschonken door donateurs, de rest van de begroting werd opgebracht door het ministerie van Buitenlandse Zaken en een bijdrage van de Postcodeloterij. Ter plekke wordt ongeveer tweederde van de werkzaamheden uitgevoerd door partnerorganisatie IRC, International Rescue Committee.

Lonneke van Genugten

Hoofdredacteur OneWorld. Leest en schrijft het liefst over Congo, Rwanda en...

Lees meer van deze auteur >

Reacties