Interview: Bert Koenders

17-05-2010 Bron: IS Online
Bert Koenders
politiek – 

Van de ene op de andere dag was hij minister áf. Verlost van een hectische baan, maar nog steeds strijdbaar blikt Bert Koenders en terug en vooral vooruit.

Wouter Bos, Job Cohen en Lilian Ploumen komen in volle vaart binnen en duiken een vergaderzaal in. Mariëtte Hamer zit druk te telefoneren bij de receptie. Medewerkers lopen in en uit. Op het PvdA-partijbureau aan de Amsterdamse Herengracht is de verkiezingscampagne duidelijk begonnen. Even later arriveert ook Bert Koenders, spijkerbroek, zonnebril in het haar. Hij verontschuldigt zich omdat-ie met de naweeën van een griepje kampt. “Vier ex-bewindslieden zijn de afgelopen week ziek geworden, da’s geen toeval.” In het kleinste kamertje van het partijbureau, alle andere zalen zijn gevuld met werkgroepen, kan hij zijn benen nauwelijks kwijt. Het is een groot contrast met zijn ruime werkkamer op het ministerie.

U heeft geen pasje meer voor Buitenlandse Zaken?
“Nee, niets meer. Het kabinet knalde op zaterdagochtend. Het is niet de bedoeling dat je op maandag dan gewoon het ministerie weer binnenwandelt. Terecht, zo werkt democratie maar het is wel fors wennen. We zijn eigenlijk het kabinet uitgezet en we hadden dus ook geen demissionaire periode waarin we dingen netjes kunnen achterlaten. Op woensdagmiddag heb ik nog wel alle medewerkers toegesproken en een e-mail gestuurd. Ik heb hen verteld hoe jammer ik het vond en hen bedankt voor het  fantastische werk dat ze hebben verricht.”
 
En dan is het donderdag.
“Tja, en dan heb je teveel energie en te veel geraniums om je heen. Het voelt echt als een ontwenningskuur. Ik heb drie jaar keihard gewerkt en dan is het in drie dagen afgelopen. Het is wel heel abrupt gegaan. Dat kon niemand van ons voorzien. Ik wil niet zeggen dat ik het altijd leuk vond om rond één uur ’s nachts met tassen vol beleidsstukken huiswaarts te keren maar verder vond ik het een fantastische baan.”
 
Hoe kijkt u, na een paar weken terug op de val van het kabinet? Spijt?
“Ik heb er een heel dubbel gevoel over. Het is geen mooi einde van het kabinet. Het is rommelig verlopen maar wel goed uit te leggen, vind ik. Op een gegeven moment was het onafwendbaar. We hebben tot in die bewuste vrijdagnacht voorstellen gedaan om door te gaan in Afghanistan met trainingsmissies en  ontwikkelingssamenwerking en zelfs het onder bepaalde voorwaarden inzetten van F16’s. We hebben veel geïnvesteerd in Afghanistan maar we wilden niet de belofte verbreken, dat we in 2010 militair weg zouden gaan uit Uruzgan. . Dat was essentieel voor de geloofwaardigheid van de politiek op allerlei terreinen, ook op het gebied van vredesmissies en ontwikkelingssamenwerking.”
 
Zat u klem tussen het partijstandpunt en uw belangen als minister voor Ontwikkelingssamenwerking?
“Ik stond van begin af aan achter het partijstandpunt. Ik ben afgelopen november naar Uruzgan afgereisd om te onderzoeken wat het vertrek van de Nederlandse troepen voor de ontwikkelingssamenwerking in de praktijk zou betekenen. Ik was heel trots op wat ik aantrof. Ik weet nog dat veel mensen mij naïef vonden omdat ik wilde investeren in fragiele staten. ‘Die Koenders wil de Betuwe in Afghanistan creëren terwijl er nog oorlog is.’ Maar onze benadering van de drie D’s, defence, diplomacy en development heeft veel resultaten geboekt bij bijvoorbeeld het terugdringen van kindersterfte, en het op gang krijgen van de economische ontwikkeling.”
 
Dan moet het u toch pijn doen dat Nederlandse militairen, een belangrijk onderdeel van de internationaal bejubelde 3D benadering, vertrekken?
“Juist omdat deze methode relatief succesvol is, zijn Nederlandse troepen volgens mij niet meer nodig. Van de 100 miljoen euro Nederlandse hulp aan Afghanistan wordt 97,5 miljoen euro niet via de militairen verstrekt. Natuurlijk heeft ontwikkelingssamenwerking een veiligheidsparaplu in Uruzgan  nodig,  maar die zou in elk scenario door een andere lead nation verschaft zijn. Ik vond het veel belangrijker dat het Provincial Reconstruction Team (een speciale militaire eenheid die helpt bij de wederopbouw, red.) internationaler, civieler werd. Dan doet het er minder toe wie de leiding heeft. Mijn plannen waren er op gericht om die trend verder door te zetten.”
 
U was dus nog niet klaar in Uruzgan. Wat had u nog meer in petto?
“Ik zou op korte termijn naar Sudan zijn gegaan. Ik vind het verschrikkelijk dat die reis niet door kon gaan. Vorig jaar hebben we veel bemiddeld achter de schermen over het conflict in Darfur. Nederland was een van de weinige landen die nog met alle partijen sprak. Ik ben geschrokken van het gebrek aan internationale diplomatie in Afrika, terwijl zo veel conflicten opgelost moeten worden. Het duurt een paar jaar voordat je echt iets kunt betekenen bij een vredesproces. Je moet tijd en energie investeren in het leren kennen van de mensen en hun vertrouwen winnen. Ook stond er een reis naar Haïti op de rol. Verder had ik mij voorgenomen nog een notitie te maken over humanitaire hulp omdat ik vind dat daar veel moet veranderen. En ik had me in mijn vierde jaar willen richten op de internationale hulpcoördinatie.”

Er moest nog wel een hoop gebeuren het laatste jaar van uw bewindsperiode.
“Het laatste jaar is heel fundamenteel. Ik heb veel veranderingen in gang mogen zetten. (Voor Koenders lijstje, zie hiernaast). Maar met een tanker, die zo’n ministerie is, duurt het een tijd vordat die veranderingen ook zichtbaar worden. In het vierde jaar kun je beter laten zien wat er wel en niet is gebeurd.”
 
U heeft ook niet meer verder in kunnen gaan op het spraakmakende WRR-rapport over ontwikkelingssamenwerking. Uw eerste reactie op het rapport werd als nogal defensief gezien.
“Er is één krant geweest, de NRC, die dat heeft gezegd en dat is vervolgens overgenomen door criticasters. Je wordt al snel als defensief weggezet als je wat kanttekeningen hebt. Ik vind de kwaliteit van het rapport heel hoog maar heb ook wel wat kritiek. Ik vond het belangrijk dat eerst het maatschappelijke debat, het bedrijfsleven, kennisinstellingen maar vooral ontwikkelingslanden zelf de ruimte kregen om te reageren voordat er een kabinetsreactie zou komen. Zo ver is het niet gekomen. Ik vind het nu niet gepast om dat alsnog op deze plek te doen.”
 
Wat had u uit het rapport willen overnemen?

“Wat ik het belangrijkste vond in het rapport en waar ik nu het meest aan zou hebben gedaan is het uitbreiden van de kennis- en kundeagenda. De kennis die ik op het ministerie aantrof was miniem. Daar ben ik echt van geschrokken. Niemand kon mij vertellen waar de goede economen zaten, of waar bijvoorbeeld het lijstje was van geleerde lessen. Er werken ontzettend goede mensen op het ministerie, dat wil ik echt gezegd hebben, maar door de structuur van het departement dreigen die helemaal ondergesneeuwd te raken. Het kost je jaren om wat in de vorige periode kapot is gemaakt, weer op te bouwen. Kennisinfrastructuur komt te voet en gaat te paard. Ik vind dat diplomaten veel meer tijd moeten krijgen om constant in het veld, in de samenleving, te zijn. Ik heb wel al voor elkaar gekregen dat diplomaten carrièreperspectieven krijgen als ze naar fragiele staten gaan. In een systeem waar je meer krediet krijgt als je ambassadeur bent in Kopenhagen dan in Kabul is iets fundamenteels fout.”
 
Insiders denken dat u wel eens de laatste minister voor Ontwikkelingssamenwerking kunt zijn geweest.
“Dat zou een kapitale fout zijn. Als er geen minister is verweest een onderwerp. Het gaat niet om mij persoonlijk. Ongetwijfeld lopen er wel anderen rond die het honderd keer beter zouden doen. Maar iemand moet de contacten opbouwen en onderhouden en op een bepaald moment zeggen: ‘We gaan het zo doen.’ Bovendien is de internationale politiek op dit moment juist meer gericht op internationale samenwerking. We hebben eindelijk een Amerikaanse regering die de hulp wil verhogen. En dan zouden wij geen minister meer hebben! Ook al heb ik veel kritiek gehad op de Nederlandse hulpinspanningen, we staan wereldwijd aan de top als het bijvoorbeeld gaat om de effectiviteit van de hulp. Het wordt tijd dat de somberheid over de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking ook weer wegtrekt. We hebben veel bij te dragen.
Wat mij betreft doen we dat met een minister van Internationale Samenwerking die een groter mandaat heeft om mondiale problemen aan te pakken dan een minister voor Ontwikkelingssamenwerking,. Dat hebben we vorige keer in ons verkiezingsprogramma gezet. Dat probeer ik er nu weer in te krijgen, evenals het behoud van 0.8 procent  van het BNP voor ontwikkelingssamenwerking, gekoppeld aan doorgaande modernisering. De grote problemen van deze tijd, conflict, armoede, en milieu kun je niet los van elkaar zien. Daar ging  nu al zeventig procent van mijn tijd in zitten.”
 
Bent u voor deze functie beschikbaar mocht het zo ver komen?
“Dat lijkt me fantastisch. Volgens mij is dat de mooiste, en ingewikkeldste baan die er is.”
 
U bedankte voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer.

“Ik heb vlak voordat ik die beslissing moest nemen nog met Job Cohen en Wouter Bos gebeld om te overleggen. Ik merkte dat ik de vraag of ik vier jaar in de kamer wilde zitten, niet volmondig met ja kon beantwoorden. Dan moet je je niet kandideren, vind ik. Ik heb er ook al meer dan  negen jaar kamerlidmaatschap op zitten. Ik ben altijd bereid om in een volgend kabinet plaats te nemen maar dat hangt natuurlijk helemaal af van de uitslag van de verkiezingen. Ik wil in elk geval graag verder op dit terrein, in Nederland of elders. Ze zijn nog niet van me af.”
 
Gaat ontwikkelingssamenwerking dit keer wel een belangrijke rol in de verkiezingscampagne spelen?
“Dat speelt het al. Het is goed dat het onderwerp leeft bij de politieke partijen, of je het nu met ze eens bent of niet. Zo vind ik het absurd dat een grote regeringspartij in Nederland (Koenders bedoelt de VVD, red.) zonder een reden te geven, behalve dat men in heel algemene termen de hulp kritiseert, het ontwikkelingsbudget wil halveren. Stel je voor dat we dat bij onderwijs of gezondheidszorg zouden doen omdat je niet precies kunt aangeven wat een investering in een school in Assen betekent voor de economische ontwikkeling ter plaatse. Op dit moment aarzelen burgers over het nut van ontwikkelingssamenwerking. Ik vind dat je die kritiek serieus moet nemen. Voor een deel van de bevolking is ontwikkelingssamenwerking een elitair speeltje. Voor sommige mensen voelt de rest van de wereld meer als een risico dan als een kans. Je kunt niet zeggen dat die mensen egoïstisch zijn. Je moet mensen durven meenemen en  uitleggen dat een paar uur vliegen van hier de kindersterfte en moedersterfte enorm is. Ik heb dat bijvoorbeeld geprobeerd bij grote tv-uitzendingen en door samen met Marco Borsato op reis te gaan. Sommie mensen vinden dat infantilisering van het beleid. Jammer dan. Het zijn wel de Nederlandse burgers die het geld moeten opbrengen.”

U heeft een uitgebreid netwerk zowel in Nederland als daarbuiten, van Pauw & Witteman tot Ban-Ki-Moon. Stroomden de aanbiedingen voor een interessante baan de afgelopen weken binnen?
“Totaal niet. Mensen wisten in het begin natuurlijk ook nog  niet of ik in de Kamer door zou gaan. Misschien heb ik mij ook nog niet open genoeg opgesteld, ben ik nog niet voor iedereen bereikbaar. Het is nog erg vers allemaal. Wat ik wel heel leuk vind is dat ik na de val van het kabinet heel veel brieven van mensen heb gehad, van mensen uit de top van de  Verenigde Naties en de Wereldbank, van Europese collega’s en van heel veel mensen uit ontwikkelingslanden.”
 
Wat is het voordeel van geen minister meer zijn?
“Tot nu toe niet zo veel. Ik besef nu, dat wist ik natuurlijk al, dat het werk op het departement doorgaat en ik gewoon vervangbaar ben.”

Pieternel Gruppen

Pieternel Gruppen werkt op dit moment bij Trouw. Voordat ze bij Trouw ging...

Lees meer van deze auteur >
Hans Ariëns

Hans Ariëns is de adjunct-hoofdredacteur van OneWorld en was voor de...

Lees meer van deze auteur >

Reacties