Het Fosters Parents Syndroom

22-06-2012
Door: René Cuperus
Bron: OneWorld

De hulpscepsis lijkt zich als een inktvlek over de publieke opinie te verspreiden, en de VVD zoekt de grenzen op van de Nederlandse solidariteit. Maar achter de hulpscepsis gaat iets fundamenteels schuil: de kortsluiting tussen elite en volk. Deze lente schreef René Cuperus een essay voor OneWorld Magazine over het aangetaste draagvlak voor de hulp in populistische tijden.

“Ik wil niet dat je me zielig vindt. Ik wil niet dat je me een bodemloze put noemt. Ik wil gewoon een mama.” Achterop het eerste katern van de Volkskrant van 15 mei 2012 schreeuwt deze tekst de lezer in het gezicht vanaf een hele pagina vullende advertentie.  Aan het woord is een Afrikaans zwart jongetje, dat je bijna paginagroot met een ontroerend-indringende blik aankijkt. Mamo heet het mannetje, zo blijkt uit de begeleidende tekst: “Over ontwikkelingshulp wordt veel gezegd, maar voor Mamo is het simpel: hij heeft een mama nodig om veilig groot te worden. Vanaf 6 euro per maand geef je een kind zonder ouders of veilig thuis een liefdevolle familie voor altijd. Kijk op www.soskinderdorpen.nl/familie .‘’

'Noem me geen bodemloze put'
Wie die site vervolgens bezoekt, stuit op de nieuwe campagne van SOS Kinderdorpen: Familie is je basis. Die campagne wordt als volgt toegelicht: “Door de ogen van kinderen willen we aandacht vragen voor datgene wat voor alle kinderen, overal ter wereld, essentieel is om op te kunnen groeien: de liefde, zorg en veiligheid van een familie. Kinderen brengen op ontwapenende wijze moeilijke discussies van volwassenen terug naar een universele waarheid. Discussies als het nut van ontwikkelingssamenwerking, kapitalisme, politiek en pedagogiek doen er dan niet meer toe: kinderen willen gewoon een familie die van hen houdt.’’

Op zich goede campagneteksten, maar ook een tikje defensief. Want wat opvalt, is dat zelfs zo’n elementair-universeel appel op zorg voor de meest hulpbehoevende kinderen ter wereld de sporen verraadt van het onverkwikkelijke debat dat in Populistisch Nederland over ontwikkelingssamenwerking is gevoerd.  Zo verwijst ‘Noem me geen bodemloze put’ rechtstreeks naar de ‘moeilijke discussies van volwassenen’ over het nut van ontwikkelingshulp.
In wat voor barbaars land zijn we terecht gekomen, dat de smeekbede van een arm Afrikaans weesjongetje voor een veilige gezinsvervangende opvang zo omzichtig verdedigd moet worden? 

De harde waarheid van dit moment is dat de gemiddelde Nederlander deze Mamo doodleuk in de kou laat staan. “6 euro per maand: bekijk het maar. Wat hebben wij met die Mamo te schaften?”

Barbaars land
Onderzoek na onderzoek laat zien dat ontwikkelingssamenwerking de favoriete bezuinigingspost is van de meerderheid van de      Nederlandse bevolking. Ver van ons bed-bezuinigingen mogen op een grote populariteit rekenen. Wat is hier aan de hand? Op het eerste gezicht lijkt Nederland inderdaad een barbaars land te zijn geworden. Cynisch, materialistisch, egocentrisch. Hoe valt anders te verklaren dat de Nederlanders in meerderheid ontwikkelingssamenwerking noemen als post waarop het eerst en het meest bezuinigd zou kunnen worden?  Je moet maar durven om in één van de rijkste, gelukkigste en best georganiseerde landen ter wereld – vanuit de verwende, welvarende leunstoel, dus  - te zeggen dat je niet langer geïnteresseerd bent in honger en armoede in Afrika. Kan het meedogenlozer?


Ogenschijnlijk niet, maar het is wel de vraag of de gemiddelde Nederlander dit nu wel precies beoogt en bedoelt. Of zijn afkeer van ontwikkelingssamenwerking zo direct en persoonlijk op een jongetje als Mamo mag worden betrokken, of dat er toch iets anders aan de hand is.


Derde Wereld-acties
Ik zou hier willen beargumenteren dat de ontwikkelingssamenwerkings-scepsis (voortaan hulpscepsis) niet al te letterlijk moet worden genomen. Natuurlijk, er zijn zeker en vast totaal ongevoelige, anti-sociale, narcistische naturen. Maar oog in oog met acuut wereldleed, met natuurrampen en zichtbare catastrofes is de doorsnee-Nederlander nog zo beroerd helemaal niet. Zelfs de PVV maakt een uitzondering in zijn program voor humanitaire noodhulp. Nederlanders staan, ondanks die bezuinigingspopulariteit van ontwikkelingshulp, nog altijd bekend als vrijgevig volk, bij acties, collectes en talloze Derde Wereld-acties op scholen en verenigingen.

Zo is er ook een enorme opmars van particuliere, individuele initiatieven van mensen, die zonder filter en ‘overhead’ , projecten in Afrika beginnen:  de door emotie gedreven individualisering van de hulp.  
Mijn stelling is dan ook dat de hulpscepsis van de meerderheid als het ware gedecodeerd moet worden, herleid moet worden tot het populistisch syndroom waaruit het voortkomt, willen we precies snappen waar het voor staat, en wat er mogelijk het antwoord op zou kunnen zijn.  

                                                                                                                                                                                                               

Projectiescherm
Ontwikkelingssamenwerking zou je kunnen zien als een projectiescherm. Het is een scherm waarop met name de kortsluiting tussen hogeropgeleiden en lageropgeleiden in onze samenleving wordt geprojecteerd. In het verlengde daarvan fungeert ontwikkelingshulp  ook als projectiescherm voor de algehele crisis van representatie, van vertegenwoordiging, in onze maatschappij. ‘Paternalistische’ collectieve organisaties hebben het  moeilijk in onze individualiserende en wantrouwige hedendaagse wereld.

Dit geldt voor kerken, politieke partijen, vakbonden of kranten, net zo goed als voor ontwikkelings- en medefinancieringsorganisaties, die als ‘representatief filter’ of tussenschakel optreden in de internationale solidariteit tussen burgers in Noord en burgers in Zuid. Ook het afnemend gezag van expert-kennis, van wetenschappelijke argumentatie en overtuigingskracht, breekt ontwikkelingssamenwerking op. Immers bij een uiterst complex ver-van-ons-bed-vraagstuk als ontwikkeling, moet men afgaan op expertkennis (helpt hulp?), en die wordt – zie ook het dispuut over de klimaatcrisis – meer dan ooit gewantrouwd.

'Orde in de chaos'
Extra kwetsbaar in onze cynische, maar juist ook op ‘pure authenticiteit’ gerichte tijdgeest, is ook nog eens de combinatie van ‘goede, morele bedoelingen’ en expert-elite-posities. Dat is het syndroom van de ‘linkse kerk’. Er bestaat grote afkeer tegen hogeropgeleiden die, met een beargumenteerd moreel gelijk aan hun zijde, anderen (de oningewijde niet-expert-elites) paternalistisch de morele les lezen en gedragsveranderingen afdwingen. Ook dit speelt zowel bij de klimaatcrisis als bij ontwikkelingssamenwerking.

René Grotenhuis van Cordaid had overigens onlangs helemaal gelijk in zijn blog ’Orde in de chaos’  (Cordaid-site, 10 april), namelijk dat het debat over ontwikkelingssamenwerking over alles en niets tegelijk gaat. Inderdaad een ideaal projectiescherm. ‘Ontwikkelingssamenwerking is een bonte verzameling van activiteiten, beleidsplannen, politieke interventies, grootschalige en kleinschalige projecten, overheidsplannen en kleinschalige particuliere initiatieven. En dus kiest iedereen die invalshoek die hem of haar het beste uitkomt. Waar de één zijn kritiek onderbouwt door te wijzen op de steun aan dictatoriale regimes, onderbouwt de ander zijn steun voor OS door te wijzen op een kleinschalig cassaveproject in Congo. Waar de één de macro-economie als getuige aanvoert voor de zinloosheid van hulp, richt de ander zich op de betekenis van hulp voor het terugdringen van het aantal aidsdoden. En iedereen heeft gelijk.”

Wederzijds wantrouwen
En zo kwam ontwikkelingshulp in de verdomhoek terecht, waar  het ook weer moeilijk op eigen kracht uit komt. Vooral ook omdat het precies op de breuklijnen ligt van de populistische kortsluiting tussen ‘elite’ en ‘volk’, die veel van doen heeft met globalisering en internationale samenwerking.  
De kortsluiting tussen elite en volk zie ik als een van de belangrijkste oorzaken voor een ongekende polarisering binnen onze samenleving, die ook het verhitte debat over ontwikkelingssamenwerking in sterke mate bepaalt en beïnvloedt.

Elite en volk zijn uit elkaar gegroeid. Daar gaat een lang en tragisch verhaal achter schuil. Een verhaal van verwijdering en groeiend wederzijds wantrouwen, gebaseerd op een ingewikkelde cocktail van een half-geslaagde emancipatie (wel materieel, minder cultureel), onbegrepen verzorgingsstaat-hervormingen en de splijtende krachten van de globalisering, de Europeanisering, migratie en de postindustriële kenniseconomie.


’meertalige mobielen tegenover eentalige immobielen’
Hoger opgeleiden ervaren in sterke mate de voordelen van globalisering, van de internationalisering van economie en arbeidsmarkt, van de Europese eenwording en open grenzen. Lager opgeleiden ervaren daarvan vooral veel nadelen. Men spreekt daarom ook wel van een tegenstelling tussen ‘globaliseringswinnaars’ en ‘globaliseringsverliezers’. In de literatuur wordt in dit verband wel gesproken van ’meertalige mobielen tegenover eentalige immobielen’.

Meertalige academische professionals, die internationaal zijn aangehaakt,  kunnen profiteren van de economische en culturele ruimte die Europese samenwerking hun biedt, terwijl ’eentalige immobielen’ door hun taal, opleiding, werk of inkomsten plaatsgebonden zijn en daardoor minder tot niet kunnen profiteren van de internationalisering van de economie. Zie hier het verschil in wat men  ‘globaliseringskapitaal’ zou kunnen noemen. Opleiding is de nieuwe maatschappelijke verzuiling geworden. Opleiding produceert een nieuwe standensamenleving.

Gevoel van mastery
Heel recent is deze opleidings-scheidslijn opnieuw vastgesteld door het Sociaal en Cultureel Planbureau in De sociale staat van Nederland 2011.  Men stelt het volgende beeld vast: “Hogeropgeleiden hebben meer het gevoel grip te hebben op hun leven, meer een gevoel van mastery, en daarom staan ze met meer (zelf)vertrouwen tegenover instituties en voelen ze zich minder kwetsbaar in een globaliserende wereld en multiculturele omgeving”.

We stuiten bij dit alles op wat ik eerder in Internationale Samenwerking wel eens de dynamiek van de globalisering heb genoemd. We zien bij globalisering twee tegengestelde bewegingen tezelfdertijd plaatsvinden: de wereld wordt ‘kleiner’ (the world is flat), maar tegelijkertijd worden nationale samenlevingen juist complexer en diverser door globalisering, migratie en Europese open grenzen (less flat). Anders gezegd: de wereld wordt OneWorld, maar een land als Nederland dreigt uiteen te vallen in twee of meer werelden (hoger en lageropgeleiden, autochtonen en migranten, insiders en outsiders).

Fosters Parents Syndroom
En het zijn deze spanningen en onzekerheden die het draagvlak, de welvarende ontspannenheid die lange tijd onder de consensus rondom ontwikkelingssamenwerking bestond, onder druk zetten en ondermijnen. Daarnaast spelen er serieuze geloofwaardigheidsproblemen van authenticiteit en integriteit, en dat zijn eisen die juist in onze tijd aan zelfverklaarde ‘goede doelen-organisaties’ tot grote hoogten worden opgeschroefd. Dat existentiële geloofwaardigheidsprobleem voor ontwikkelingssamenwerking begon ooit met Foster Parents Plan, dat – de tijd ver vooruit – goed inhaakte op de behoefte aan een emotionele, individuele beleving van ontwikkelingssamenwerking, maar haar geloofwaardigheid totaal verspeelde. Het kwam grotesk in opspraak kwam, omdat de individuele beleving met ‘Foster Parents-kindjes’ op valse fictie bleek te berusten.    

Dat Fosters Parents Syndroom is de OS-wereld nog altijd niet echt te boven.

Dit essay is voor een klein deel gebaseerd op de SID Lecture die René Cuperus hield voor ’Society for International Development’ op de Vrije Universiteit,  12 maart 2012, onder de titel: ‘’All politics is domestic politics?!”.

René Cuperus is medewerker van de Wiardi Beckman Stichting (denktank PvdA) en Volkskrant-columnist.
 

Reacties