Geen 1 mei voor Indonesische straatverkopers

01-05-2015 Bron: OneWorld
Straatverkopers en huishoudsters in Indonesië hebben geen rechtsbescherming. Dag van de arbeid.
Ibu Suri kan vandaag niet 1 mei vieren. Hoe moe ze ook is, ze moet geld verdienen. Foto's: Wilma van der Maten
Actueel – 

"Arbeiders aller landen verzamel u!", riep de Nederlandse socialist en revolutionair Jelle-Pieter Troelstra (1860-1930) de 'loonslaven' ooit op. Maar onder de arbeiders die vandaag wereldwijd de straat op trekken om hun bevochten rechten uitbundig te vieren, bevinden zich niet de miljoenen Indonesische straatverkopers, vuilnisverzamelaars of  fietstaxichauffeurs. Als 'illegale arbeider' hebben ze geen rechten. 

Daarom zet OneWorld vandaag op deze eerste mei speciaal de Indonesische arbeiders uit de informele sector in het zonnetje. Een aantal portretten van de straat.

Siswobo (45) Gado Gado-verkoper, Indonesische groentesalade met satésaus

De Gado Gado verkoper

"Elke ochtend sta ik om vier uur op en ga ik naar de markt. Dat doe ik al veertien jaar. Daarna pak ik mijn kaki lima (rijdende kraampje) en vertrek ik richting de straat. Indonesiërs houden van een verse maaltijd. Op weg naar hun werk ontbijten ze bij een eetkarretje. Als de ochtendfile voorbij is, trek ik de wijk in. Ik verdien ongeveer 100.000 roepia's (bijna acht euro) op een dag. Maar ik moet hard vechten voor mijn geld. Er komen steeds meer straatventers bij. Ik boks tegenwoordig op tegen de nasi goreng- en satéverkopers die mijn buurt zijn binnengedrongen en soms goedkoper hun hapjes aanbieden. Toch kan ik niet zakken in prijs, want dan houd ik bijna niets meer over. Waar moet ik heen?"

Ibu (mevrouw) Suri (62) verkoopt levensmiddelen, groente en fruit

Ibu Suri

"Mijn zonen halen 's ochtends alles voor mij op de markt. We zijn al vroeg open. Ik heb geen koelkasten zoals in de supermarkten. Met de zon op mijn kraam verleppen de groenten snel en kan de kip ook niet te lang blijven liggen. Ik ben al tien jaar weduwe. We zijn elke dag van zonsopgang tot laat in de avond open. Dat moet wel als je een behoorlijk inkomen wilt verdienen. Aan het einde van de maand houd ik twee miljoen roepia's (140 euro) over. Daarvan betaal ik een deel van de school van mijn kleinkinderen. Ik ben vaak moe. Dan ga ik even op een bankje liggen. Ik maak me wel eens zorgen over mijn oude dag. Hoe moet het straks? Wie zorgt er dan voor mij? Mijn kinderen hebben het niet breed. Ik vrees dat ik tot mijn dood in deze warung moet blijven werken."

Sutrisno (53) kioskhouder verkoopt snoepjes, sigaretten en koekjes

Bidden voor meer inkomen

"Bij de eerste oproep van de moskee rond half 5 's ochtends sta ik op in mijn winkeltje waar ik doordeweeks slaap. Ik heb geen stromend water of een toilet, maar ik mag me bij de buren wassen. Het is nog pikkedonker als ik ga bidden. Alleen met Allah en het gefluit van de vogels voel ik me gelukkig. Zo leef ik al dertig jaar. Mijn vrouw en zoon wonen te ver weg, in een arme buurt in Jakarta. Hier kan ik meer verdienen met de scholen en overheidskantoren om de hoek. Klanten komen de hele dag om een broodje, kopje thee of sigaretje te kopen. Maar ze weten dat om twaalf uur de winkel sluit. Dan bid ik opnieuw. Ik vraag Allah of hij goed voor mijn vrouw en zoon wil zorgen. Stiekem vraag ik hem ook om meer omzet. Ik verdien bijna anderhalf miljoen roepia's (ruim honderd euro per maand). Dat is niet genoeg om mijn gezin te onderhouden."

Mina (24) vuilnisverzamelaar plastic flessen voor recycling

Wonen op een vuilnisbelt

"Indonesiërs gooien alles in hun vuilnisbak, vooral heel veel plasticflessen. Wij verzamelen die. Aan het einde van de dag krijgen we daar vier euro voor. Dat is voor ons veel geld. We zijn op de vuilnisbelt gaan wonen, zodat we zo dicht mogelijk bij de flessen zitten. Als er een nieuwe lading van een vrachtwagen komt, springen wij er ogenblikkelijk op. Ik ruik de stank al niet meer. Het is oké hier. We hebben al een bromfiets van ons geld kunnen kopen. Aan kinderen denken we voorlopig nog niet. Ik zou wel een kantoorbaan willen hebben. Elke dag mooie kleren aan. Ik denk dat mijn toekomst hier op de vuilnisbelt ligt."

Ayu (58), pembantu, huishoudhulp

De pembantu

"Ik heb mijn leven lang voor heel veel verschillende families gewerkt. Je staat nog voordat de familie wakker wordt op om hun huis op te ruimen. Daarna maak ik het ontbijt klaar. Als de man naar het kantoor is vertrokken en de kinderen naar school doe ik de boodschappen voor de lunch en het avondeten."

"Het zijn lange dagen. Alleen op zondag ben ik vrij. Ik eet als ik klaar ben de restjes van de dag op. Als iedereen in bed ligt, mag ik ook gaan slapen. Ik verdien 1,2 miljoen roepia´s (85 euro) per maand. Ik ben blij dat ik hier nog mag blijven."

Jamin (34) maakt zwembaden schoon

Jamin maakt zwembaden schoon

"Sinds vier jaar werk ik voor een buitenlandse familie. Ik dweil de vloeren, doe de tuin en maak het zwembad schoon. Ik verdien 2.6 miljoen roepia's per maand. Mijn vrouw heeft wel een arbeidscontract. Ze werkt in een supermarkt, maar ze krijgt minder betaald dan ik. Samen met onze drie kinderen kunnen we er redelijk van rondkomen. We wonen nog bij mijn ouders waar we een beetje meebetalen aan de electriciteitsrekening en het eten. Met zijn allen slapen we op een kamer. Mijn oudste dochter van veertien gaat nu naar de middelbare school. Als ze achttien is wil ze een baan gaan zoeken. Het zal moeilijk worden. Veel jonge mensen (60 procent van alle werklozen, WvdM) zijn werkloos. Ik werk vijf dagen per week, acht uur op een dag, maar dat komt omdat ik voor een buitenlander werk. Iedereen heeft recht op een contract, een vast salaris en vaste werkuren."

Ronnie (27) werkt als pemulung, vuilnisprikker van glas

De vuilnisman

"Ik droom soms dat ik rijk ben en in een dure sportauto rijd. Mijn grote wens is dat mijn twee jongens (vier en zes jaar oud) het beter gaan doen dan hun vader. Ik kom uit het arme Indramayu in West-Java. Zelf heb ik niet eens de lagere school afgemaakt. Soms heb ik een miljoen (70 euro) per maand. Dat is meer dan de andere mannen. Elke avond voor mijn zonen gaan slapen leg ik ze uit hoe belangrijk leren is. Maar ik weet niet of ik straks hun middelbare school wel kan betalen. Ik heb gesolliciteerd in fabrieken. Maar niemand wil mij. Ik zou zo graag willen dat mijn zonen ooit wel in die sportwagen kunnen rijden en dan even aan hun vader denken."

 Pak (mijnheer) Mohammed (69)

Bubup verkoper

"Sinds ik vijftig jaar geleden naar Jakarta kwam, verkoop ik Bubur Ayam, kippenpap, het ontbijt van de Indonesiërs. Ik vraag 2000 roepia's (70 eurocent) voor een bordje. Vers bereid met kip, uitjes en rijst natuurlijk. Het kost me steeds meer moeite de loodzware kar door de straten te duwen. Klanten komen minder met al die fastfoodtenten. Mensen krijgen meer geld en ontbijten liever 's ochtends bij McDonald's dan bij mij. Soms houd ik aan het einde van de dag niet meer dan 40.000 roepia's over, nog geen 2,5 euro. Ik heb op president Joko Widodo gestemd. Hij is ook afkomstig uit een arme familie. Hij beloofde ons te helpen. We zouden het beter krijgen. Er gebeurt niets. Ik heb een dochter hier bij wie ik woon. Maar ik moet wel wat geld elke dag thuisbrengen. Ooit moet het hier toch beter worden of niet?"

Voor hen valt er niets te vieren. Want zij bestaan officieel niet eens

Voor deze en de andere miljoenen uitbaters van de warungs, de kleine restaurantjes of de kaki lima's, de etenskarretjes, is het vandaag een normale werkdag. Ze staan als vanouds voor dag en dauw op om geld bij elkaar te sprokkelen. Voor hen valt er niets te vieren. Want zij bestaan officieel niet eens. Ze staan nergens officieel geregistreerd. Als keerzijde van de medaille hoeven ze geen belasting te betalen. Maar ze hebben ook nergens recht op, niet op een achturige werkdag, een minimum-inkomen of een vakantiedag.

Met de sjieke shoppingsmalls en luxe appartementen die in deze opkomende economie als paddestoelen uit de grond schieten, dromen de straatventers van een beter leven

Toch verkrijgt meer dan 60 procent van de 125 miljoen werkende Indonesiërs zijn inkomsten van de straat. Tijdens de financiële crisis in 1997 was het deze informele sector die de economie op de been hield. Het biedt nog altijd een vangnet voor de armsten en de zeven miljoen werklozen. Want in Indonesië zijn het niet de fabrieken die - zoals in de meeste ontwikkelingslanden - de armen opslorpen. Werkgevers klagen dat de bevolking veel te laag is opgeleid.

Met de sjieke shoppingsmalls en luxe appartementen die in deze opkomende economie als paddestoelen uit de grond schieten, dromen de straatventers van een beter leven. Zij willen ook opstuwen in de vaart der volkeren en vragen om rechtsbescherming.

De regering ondertekende in 2011 een verdrag met de Internationaal Arbeidsorganisatie (ILO) waarin de overheid belooft ook de 'illegale' arbeiders meer sociale zekerheid te bieden, zoals het verstrekken van (goedkope) kredieten, het onderhandelen met gemeenten over standplaatsen of het aanbieden van kinderopvang en scholing.

Maar het schiet voorlopig nog niet op. In plaats van enige vooruitgang klagen de warunghouders en de eigenaren van de kaki lima's dat ze steeds vaker van hun vaste stek worden verjaagd. Met hun oude karren ontsieren ze het modaine Jakarta. Met moeite houden ze hun hoofd boven water.

Naast de straatventers eisen ook de duizenden hulpen in de huishoudingen, de pembantu's, een arbeidscontract en een minimumsalaris. Indonesië ondertekende ook dit verdrag met de ILO. Ieder gezin heeft een of meerdere hulpjes in de huishouding in dienst die voor een appel en een ei van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat in de weer zijn. Zeven dagen per week. Het parlement schuift ieder debat vooruit, omdat ook politici weigeren meer voor hun 'moderne slaven' te betalen.

Wilma van der Maten

Wilma van der Maten woont in Jakarta en werkt als freelance journalist voor...

Lees meer van deze auteur >

Reacties