Essay: Vertel het hele verhaal

17-09-2009 Bron: IS Online
One World

Van collectes voor de missie via de derdewereldbeweging naar tv-campagnes voor goede doelen. De Nederlandse burger wordt al sinds de jaren vijftig op allerlei manieren betrokken bij de hulp. Toch lijkt onze solidariteit steeds meer om te slaan in twijfel over het nut van de hulp. Wat kunnen we daaraan doen?

Mijn vader Harrie Vossen (71) groeide op in het Limburgse Ospel. Zestig jaar geleden zat hij in de kerk Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen en luisterde met open mond naar Pater Sijbers. De pater was missionaris in Zaïre en in Ospel op verlof. Tijdens de zondagse Heilige Mis vertelde hij over de armoede in Zaïre en het goede werk van de missie. Want missionarissen als Sijbers wonnen niet alleen zieltjes, ze deden ook aan naastenliefde. Ze bouwden scholen en ziekenhuisjes. En de pater kon daar prachtig over vertellen. Na zijn preek ging de collecteschaal rond. De gebruikelijke dubbeltjes en kwartjes maakten plaats voor papiergeld. Wanneer het voor ‘de arme zwartjes’ was, dan gaven de Ospelnaren royaal. Niemand twijfelde: het geld kwam goed terecht. Daar zorgde pater Sijbers wel voor. En elke gulden had zin: de mensen in Zaïre werden er beter van. De verhalen van Pater Sijbers hebben mijn vader nooit meer losgelaten. Zijn leven lang volgt hij de discussie over ontwikkelingssamenwerking en ook deze IS zal hij van voor naar achter lezen.
Dat brengt hem op verjaardagsfeestje in discussie met ooms en tantes die zich openlijk afvragen ‘waar al dat geld terecht komt’, wat er ‘aan de strijkstok blijft hangen’ en of we ‘hen niet te afhankelijk hebben gemaakt’. Hoofdschuddend zegt een neef: ‘We geven al zo lang, en ze hebben daar nog steeds geen wegen.’
Zoals deze ooms en tantes, zo denken de meeste Nederlanders. Volgens de statistieken meent minder dan de helft dat hulp de armoede kan verminderen. Slechts 17 procent meent dat Nederlandse overheidshulp goed wordt besteed. Ongeveer eenderde vindt dat het budget wel naar beneden kan. Wat is er met ons beeld over ontwikkelingshulp gebeurd? Hoe verwerd het grenzeloze vertrouwen van de Ospelse kerkgangers tot een wantrouwen in alles wat met hulp te maken heeft?

A-politiek
Ik vraag het aan Hans Beerends (77), sinds de jaren zestig jaar actief in de derde-wereldbeweging en auteur van diverse boeken over deze uiting van internationale solidariteit. Voor Beerends was de hongersnood in India in 1966 een keerpunt. “Dat zette me aan het denken. Honger in India? In een land waar gewoon vliegtuigen met voedsel kunnen landen? Dat vond ik onbegrijpelijk.” Beerends begreep dat armoede een complex probleem is met geopolitieke oorzaken. Tot de gewone Nederlander was dat toen nog niet doorgedrongen. Die kreeg, zoals mijn vader, zijn informatie over ontwikkelingshulp via missionarissen en zendelingen. “De beeldvorming was totaal a-politiek”, zegt Beerends. “Men had geen idee van de onderliggende oorzaken van armoede. Hulp was charitas.”
Dat verandert in de jaren zestig en zeventig, als de derdewereldbeweging in kracht toeneemt. Overal in Nederland ontstaan groepen die discussiëren over armoede en onderdrukking. Ze koppelen het wereldwijde armoedeprobleem aan oneerlijke handel, aan oorlog en onderdrukking, aan kapitalisme en imperialisme. De oorlog in Vietnam, de val van president Salvador Allende in Chili en de bevrijdingsbewegingen in Zuid-Afrika en Latijns Amerika bepalen jarenlang de agenda’s.
Al snel wordt de beweging geconfronteerd met een probleem: hoe informeer je ‘gewone’ burgers over deze complexe achtergronden van armoede? Hans Beerends spreekt over ‘de korte weg’ en ‘de lange weg’. “De korte weg zegt: leed – geld – einde leed. De lange weg zegt: leed – oorzaak – langetermijnvisie – langetermijnstrategie – et cetera.” Ontwikkelingsorganisaties worstelen daarmee. Vertellen ze het lange verhaal, dan verliest de achterban misschien zijn geduld. Daarom kiezen veel organisaties voor de korte route: beelden van hongerende kinderen gaan vergezeld van de roep om te geven. Een begrijpelijke keuze, maar ook een keuze met een problematische bijwerking.

Eerlijke handel
Toch is onze kennis over armoede wel degelijk gegroeid. Vraag Nederlanders wat de overheid moet doen om de armoede te bestrijden. Dan noemen we ‘eerlijke handel’ en ‘betaalbare medicijnen’. We vinden bovendien dat ‘het oplossen van conflicten’ het voornaamste doel is van ontwikkelingshulp. Het ‘moeilijke verhaal’ van de derdewereldbeweging is dus wel degelijk doorgedrongen tot het grote publiek.
Tegelijkertijd valt nog iets op: over ontwikkelingshulp zélf weten we vrijwel niets. Slechts 18 procent van de Nederlanders kan spontaan een millenniumdoel noemen. Bovendien overschatten we het budget voor ontwikkelingshulp. Gemiddeld denken we dat er zo’n 25 miljard euro naar ontwikkelingssamenwerking gaat. In werkelijkheid is het vijf miljard. We denken dat zo’n veertig cent van elke gedoneerde euro opgaat aan organisatiekosten. In werkelijkheid zijn dat zo’n tien cent. En dit zijn nog maar de simpele weetjes. Wat begrotingssteun is, weet zo goed als niemand. Niemand leest ooit een jaarverslag van een goededoelenorganisatie. En vrijwel niemand weet op welke terreinen ontwikkelingshulp succes heeft geboekt en op welke juist niet. Onze onkunde over ontwikkelingshulp is totaal.

Wat vinden we ervan
Dat betekent niet dat we er geen mening over hebben. Integendeel: het debat over de resultaten van ontwikkelingshulp leeft meer dan ooit. De toon is kritisch tot zeer kritisch. “Al sinds de jaren zeventig is er kritiek op ontwikkelingshulp”, zegt Hans Beerends. De kritiek komt zowel uit de linkse als de rechtse hoek, en de thema’s blijven in grote lijn hetzelfde. Beerends: “De linkse kritiek zegt dat hulp een doekje is voor het bloeden. Alleen structurele veranderingen kunnen de armoede immers oplossen. De rechtse kritiek zegt dat we meer rekening moeten houden met het bedrijfsleven.” Tel daarbij op het breed gevoelde onbehagen over corruptie en verspilling, en de ingrediënten voor het hulpdebat zijn ongeveer compleet.
We vinden dat hulp moet, maar we betwijfelen of het veel uithaalt. Hoe valt deze paradox te verklaren? Een eerste verklaring wijst richting televisie. Het was de televisie die het armoedeprobleem in de jaren zestig bij Nederlanders op het netvlies kreeg, meer dan de paters en zendelingen in de decennia daarvoor. Wie oud genoeg is, herinnert zich nog de dramatische beelden van de oorlog in Biafra eind jaren zestig, en die van de honger in Ethiopië begin jaren tachtig. Vandaag hebben Ethiopië en Biafra plaatsgemaakt voor Somalië voor Darfur. Conflicten en hongersnoden eisen – terecht – hun plek in het journaal. Tegelijkertijd ontnemen zij het zicht op het grotere verhaal: het gaat wel degelijk veel beter in de wereld. Honger en armoede nemen spectaculair af. Ook gaat het beter, veel beter, met gezondheidszorg en onderwijs in Afrika. Dat staat in dikke rapporten van de Wereldbank en de VN. Maar er is niemand die deze leest. Bovendien is goed nieuws geen nieuws. Dus blijven beelden uit Darfur en Somalië domineren.
Een tweede verklaring wijst richting ontwikkelingsorganisaties. Want met de beelden van rampen en armoede verschenen ook de beelden van hulpcampagnes. De boodschap van die campagnes is simpel: ‘Geef tien euro en u verlost dit kind van zijn ellende’. Daarmee wekken hulporganisaties de illusies dat zij met onze hulpeuro’s de zaak wel kunnen oplossen. Maar wat moeten donateurs denken, wanneer dezelfde oproep jaar in jaar uit wordt herhaald? Precies: dat het allemaal weinig heeft geholpen. Daar kan geen jaarverslag vol goed nieuws tegenop. Om moedeloos van te worden.

Omslagpunt
Bij mijn vader zal dit niet gebeuren. Zijn oordeel over de hulp is even genuanceerd als positief: het armoedevraagstuk is complex en ongetwijfeld gaat er veel fout. Desondanks is met ontwikkelingshulp veel bereikt. Zijn overtuiging is gebaseerd op kennis van een immens probleem. Kennis van het falen én van de successen van de hulp. Op deze kennis zullen we nu moeten inzetten. Het voortouw ligt bij de ontwikkelingsorganisaties. Zij moeten het verhaal weer vertellen. Het héle verhaal. En graag met het enthousiasme van pater Sijbers in Ospel, zestig jaar geleden.

Mirjam Vossen

Mirjam Vossen is journalist en onderzoeker. Momenteel doet zij onderzoek naar...

Lees meer van deze auteur >

Reacties