Diaspora mag weer meepraten over ontwikkeling

01-05-2015
Door: Joris Tielens
Bron: OneWorld
Afrikaanse migranten in Nederland weten wat er speelt in hun thuislanden. Ze moeten daarom meer betrokken worden bij ontwikkelingsbeleid. De Tweede Kamer nam daartoe gister een motie aan.
Bron: Roman Boed
Actueel – 

Afrikaanse migranten in Nederland kunnen door hun netwerken en kennis van taal en cultuur bijdragen aan ontwikkelingsprojecten van Nederlandse hulporganisaties in hun land van herkomst. Toch gebeurt dat de laatste tijd minder dan vroeger, omdat het niet past in het beleid. Gisteren werd in de Tweede Kamer een motie van Kamerlid Eric Smaling (SP) aangenomen die oproept om Afrikaanse diaspora weer een actieve rol te geven.

Migranten uit Afrika kennen de taal en cultuur in hun land van herkomst, én die in Nederland. Van hun kennis zou veel meer gebruik gemaakt kunnen worden in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Dat concludeert een onderzoek van de Wetenschapswinkel van Wageningen Universiteit, dat gedaan werd op verzoek van Africa in Motion, een organisatie van Afrikaanse diaspora. Max Koffi van Africa in Motion ging met de resultaten onder de arm naar de Tweede Kamer, en kreeg gisteren gehoor. Een meerderheid stemde in met een motie van de SP om diaspora meer te betrekken bij de Strategische Partnerschappen die minister Ploumen sloot met maatschappelijke organisaties, en bij toekomstig beleid.

De Nederlandse ontwikkelingssamen-werking is een veel te witte sector

Meepraten
Koffi pleit al jaren voor een grotere rol van diaspora. 'De diaspora stuurt veel geld naar hun familie in Afrika, bij elkaar meer dan de officiële ontwikkelingshulp. Maar ze praten weinig mee met ontwikkelingsorganisaties. De Nederlandse ontwikkelingssamenwerking is een veel te witte sector.' Koffi wil dat diaspora niet alleen meepraten over migratie, integratie en terugkeerbeleid, maar ook over zaken als economie, landbouw of grondstoffen uit hun land van herkomst. De onderzoekers van de wetenschapswinkel simuleerden een consultatie over grondstofbeleid van de EU. In de echte consultatie praatten geen diaspora mee. In de simulatie legden diaspora meer nadruk op het toevoegen van waarde aan grondstoffen in Afrika dan niet-afrikanen. Koffi zegt dat organisaties van diaspora tevergeefs aanklopten bij ontwikkelingsorganisaties om mee te doen met strategische partnerschappen.

Awil Mohamoud van het African Diaspora Policy Centre, een kennisorganisatie met projecten over migratie en ontwikkeling, denkt daar genuanceerder over. Hij zegt dat hij graag mee had gedaan aan de strategische partnerschappen en daar ook gesprekken over gevoerd heeft met Oxfam en Cordaid. "Maar we kwamen zelf tot de conclusie dat onze organisatie te klein is voor een partnerschap. Indienen van een voorstel vraagt veel tijd en het is maar de vraag of er iets uitkomt." Volgens Mohamoud zijn er weinig diaspora actief in de ontwikkelingssamenwerking omdat er bezuinigd is op het thema migratie en ontwikkeling.

De diaspora stuurt veel geld naar hun familie in Afrika, bij elkaar meer dan de officiële ontwikkelingshulp


Dat bevestigt Bob van Dillen, die zich bij ontwikkelingsorganisatie Cordaid bezig houdt met migratie en ontwikkeling. Er is jaarlijks 9 miljoen euro voor migratie en ontwikkeling, maar afgelopen najaar wijzigde het beleid. Het deel dat voorheen naar migrantenorganisaties ging, gaat nu naar samenwerking tussen Nederland en overheden in herkomstlanden, om opvang van vluchtelingen in de regio te bevorderen. Van Dillen zegt dat Cordaid al vijftien jaar samenwerkt met migranten en diaspora-organisaties. Hij herkent de notie van ‘een witte ontwikkelingssector’ niet. ‘Wij hebben diversiteit in ons personeel.’ De meerwaarde van migranten, zegt Van Dillen, ligt in hun kennis en verankering in de lokale taal, cultuur en netwerken. ‘In onze samenwerking met migrantenorganisaties gaat het vooral om economische projecten of onderwijs en gezondheidszorg.’

Bij de strategische partnerschappen ligt samenwerking minder voor de hand, zegt Van Dillen. ‘Die gaan over beleidsbeïnvloeding. We werken samen met lokale organisaties uit de landen zelf die het beste geplaatst zijn om hun eigen overheid te bevragen en beïnvloeden. De diaspora wordt door lokale overheden niet altijd erkend als actor, of zelfs gewantrouwd, mede omdat ze voor een deel politieke vluchtelingen zijn.’

Niet passend
Ook Ton Meijers, hoofd afdeling kennis en programmamanagement van Oxfam Novib en coördinator van de aanvraag van strategische partnerschappen, zegt dat samenwerking met diaspora niet past bij het doel van de strategische partnerschappen, namelijk lobby en beïnvloeding van de overheid in ontwikkelingslanden. "We hebben met subsidie uit de vroegere medefinanciering samengewerkt met HIRDA, een migrantenorganisatie die projecten uitvoert in Somalië met als doel armoedebestrijding, toegang van meisjes tot onderwijs en tegengaan van vrouwenbesnijdenis. Maar dat past niet in het kader van het strategisch partnerschap. Maar we blijven met HIRDA naar andere mogelijkheden kijken. Waar wij mogelijkheden zien om onze programma's te versterken door samenwerking met migrantenorganisaties willen we dat zeker doen."

David Renkema, directeur van Oikos, gaat de aanbevelingen van de Wageningse wetenschapswinkel op de agenda zetten bij Partos, de koepel van Nederlandse ontwikkelingsorganisaties.

Reacties