De wereldtop over de informatiesamenleving in tien vragen

02-11-2005
Door: OneWorld Redactie
Bron: OneWorld

 

 1. Wat is een informatiemaatschappij?

De samenleving is de afgelopen decennia afhankelijker geworden van informatie en diensten. Dit dynamische proces brengt een verandering in alle aspecten van ons leven teweeg. Denk aan de verspreiding van kennis, de sociale interactie, economische en zakelijke toepassingen, de media, onderwijs, gezondheidszorg, ontspanning en vermaak. Een leven zonder informatie en communicatietechnologie (ICT) is amper nog voor te stellen. Kunnen we nog zonder internet, mobiele telefoons, cd-rom's, e-mail?

2. Waarom is informatie zo belangrijk?

Toegang tot informatie ligt aan de basis van de meeste activiteiten die mensen ondernemen. Informatie kan leiden tot kennis. En de welvaart van een land wordt mede bepaald door de mogelijkheid kennis te vergaren en toe te passen. Informatie kan ook de democratie bevorderen en overheidsdiensten verbeteren. Informatie over goederen en diensten laat markten beter werken en het brengt nieuwe markten binnen het bereik van lokale producenten. Informatie over ziekten, preventie en geneesmiddelen is van levensbelang voor de gezondheidszorg.

 3. Wat is een digitale en/of kenniskloof?

Deze twee termen verwijzen naar de kloof tussen gemeenschappen die toegang hebben tot ICT en gemeenschappen die dat niet hebben. Sommige gemeenschappen zijn (nog) uitgesloten van het gebruik van ICT. Het gaat ook om het gebrek aan informatiestromen in en tussen deze gemeenschappen.

Wereldwijd neemt de intensiteit van telecommunicatie toe. Ondertussen kibbelen deskundigen erover of de kloof tussen degenen die wel en degenen die geen toegang hebben tot het internet, groter wordt.
De digitale kloof is een symptoom van een meer essentiële kloof; in inkomen, ontwikkeling en geletterdheid, aldus The Economist: in maart: 'Een computer is waardeloos als je geen eten of elektriciteit hebt en niet kunt lezen.'

Hoe dan ook, we mogen niet vergeten dat in Afrika gemiddeld 3 op de honderd mensen een vaste telefoonlijn heeft en 9 op de 100 een mobiele telefoon bezit. In Europa is dat respectievelijk 40 en 71. (Cijfers ITU)
Het merendeel van de wereldbevolking heeft nooit een telefoongesprek gepleegd.

4. Wat zijn belangrijke obstakels voor de informatiemaatschappij?

Het ontbreken van een wereldwijde ICT-infrastructuur is een groot obstakel voor de informatiemaatschappij. Miljoenen mensen hebben hierdoor geen of amper toegang tot digitale informatie. Maar zelfs mensen die wel toegang hebben tot informatie kunnen niet altijd met de gegevens omgaan. Analfabetisme kan hiervan een oorzaak zijn of gewoon het gebrek aan kennis over hoe de ICT-middelen te gebruiken.

5. Waartoe dient de wereldtop over de informatiemaatschappij (WSIS)?

Overheden, instituten, maatschappelijke organisaties, bedrijven moeten met elkaar een visie delen en richtlijnen samenstellen voor een samenleving die gebaseerd is op informatie. In naam van de Verenigde Naties wordt daarom door de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) de World Summit on the Information Society (WSIS) georganiseerd.

In 2003 had het eerste deel van die top plaats in Genève. Daar werd op het nippertje een akkoord bereikt. De meeste heikele kwesties werden naar voren geschoven, naar het tweede deel in Tunis. Tegenstellingen op cruciale onderwerpen als het internetbeheer overheersten. Alle landen bleken het wel eens over het nut van informatie- en communicatietechnologieën (ICTs) voor de ontwikkeling van hun land en bewoners.

Verder werd een actieplan van 170 punten samengesteld met onderwerpen als: het ontwikkelen en financieren van een duurzame informatie- en communicatie-infrastructuur; veiligheid (bijvoorbeeld internetrechten of een internationale internetpolitie); meertaligheid (of wordt Chinees de wereldtaal?); en het centraal stellen van de mensen en in mindere mate de economische voordelen.

Het actieplan bevat ook streefdata. Enkele van die deadlines zijn: alle dorpen moeten verbonden zijn met het net in 2010 en vijf jaar later moet er een gemeenschappelijk toegangspunt zijn; in 2005 moeten alle universiteiten verbonden zijn, in 2010 de middelbare scholen en vijf jaar later alle basisscholen op de wereld; 90 procent van de wereldbevolking moet in 2010 draadloos verbonden zijn en 100 procent in 2015.

6. Wat zijn de onderwerpen waarover in Tunis de grootste tegenstellingen bestaan?

Het grootste struikelblok betreft het beheer van internet. Wie voorkomt dat hackers of terroristen misbruik maken van de mogelijkheden die internet biedt? Veel landen willen internationale regels voor het web. Maar de huidige en betwiste toezichthouder Internet Corporation for Assigned Names and Numbers (ICANN), een semi-private Amerikaanse instelling, heeft tot nu toe geen rol gehad in de bestrijding van terrorisme of kinderporno op internet.

De Amerikanen houden alles het liefst bij het oude. Alleen de VS kunnen ICANN zeggen wat ze moeten doen of laten. Juist daarom vinden vele grote landen dat het beheer bij de VS moet worden weggehaald. Ook de Europese Unie geeft er de voorkeur aan dat een organisatie onder VN-vlag de kar gaat trekken. Vele landen zien zo'n rol weggelegd voor de ITU, waarin zowel regeringen als de telecommunicatie-industrie zijn vertegenwoordigd. Daartegenover staat dat ITU geen internetgebruikers vertegenwoordigt. De ICANN heeft die wel in het bestuur. Een VN-werkgroep heeft gesteld dat het beheer in ieder geval niet in de handen van een land mag blijven.

Het is maar de vraag of er na ruim twee jaar debat nu in Tunis wel een akkoord over het internetbeheer wordt bereikt.

7. Wat zijn andere belangrijke thema's in Tunis?

Vrijheid van meningsuiting is ook een belangrijk onderwerp, bijvoorbeeld voor Nederland. Vele westerse landen verzetten zich tegen de mogelijkheden voor censuur, zoals die nu al bijvoorbeeld in enkele Aziatische landen gangbaar zijn. Aan de andere kant wordt ook in Nederland gediscussieerd over de wenselijkheid van grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Mogen websites bijvoorbeeld de gewapende strijd verheerlijken of laster verspreiden?

Verder is ook  veiligheid van belang. Internetmisdaad (zoals hacken, het verspreiden van computervirussen en misbruik van persoonlijke informatie) vormt een serieuze bedreiging voor de veiligheid van landen en economieën. Met de toename van e-business en online-transacties zijn het beschermen van de privacy en een veilige ICT-infrastructuur belangrijke factoren voor een stabiele informatiemaatschappij. De bescherming van de privacy op het internet of van je mobiele telefoongesprekken staat in de strijd tegen het terrorisme steeds meer onder druk.

De discussie over het beheer van internet overschaduwt de belangrijkste uitdaging van de WSIS; het overbruggen van de digitale kloof. In de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties (door alle VN-landen getekend in 2000) is de belofte opgenomen dat de voordelen van nieuwe technologieën voor iedereen moeten zijn. Regeringen kunnen hierop worden aangesproken

Vooralsnog is er een enorme hoeveelheid informatie beschikbaar op het web. Tegelijkertijd zijn de toegang tot informatie en de middelen om het te gebruiken zeer ongelijk verdeeld. Extremen in rijkdom en armoede zijn even grimmig in de wereld van informatie als in de wereld van goederen en diensten.

De vraag is onder meer in hoeverre de kosten voor toegang tot internet voor ontwikkelingslanden kunnen worden beperkt. Wie gaat dat betalen? Toegang hebben betekent overigens niet automatisch dat je er ook gebruik van kunt maken. Gebruikers moeten de benodigde informatie en/of training krijgen om met deze middelen om te gaan.

8. Hoe kan ICT ontwikkelingslanden vooruit helpen?

Weinig mensen zijn ooit gestorven omdat ze geen toegang hadden tot het internet of geen telefoongesprek konden houden. Maar met toegang tot informatie en communicatie is het veel makkelijker om te voorzien in de eerste levensbehoeften, zoals schoon water, voedzaam eten, onderdak en onderwijs. Denk aan een arts die de juiste informatie nodig heeft om een ernstig zieke patiënt te verzorgen.

ICT kan ook een belangrijke rol spelen in het democratiseringsproces. Het moet de aansprakelijkheid en transparantie van overheidsactiviteiten stimuleren. Denk aan de rol die een onafhankelijke media kan spelen in bijvoorbeeld het Midden-Oosten.

Toegang tot informatie en daarbij het scheppen van kennis is een kritieke factor in het ontwikkelingsproces. Aan de ene kant vereist dat een uitgebreid ICT-netwerk en voorzieningen, aan de andere kant veronderstelt het bekwaamheid om met deze middelen om te gaan en te ontwikkelen in het voordeel van de samenleving.

9. Wat is het Digitaal Solidariteitsfonds?

Ontwikkelingslanden drongen er in 2003 op aan dat er een fonds moest komen waarin regeringen geld zouden storten. Dat geld moest vooral worden besteed om arme dorpen toegang te geven tot telefonie en internet. De rijke landen zagen daar niets in. Ze vinden dat beter gebruik moet worden gemaakt van bestaande fondsen en financiële regelingen voor grootschalige investeringen in communicatietechnologie.

Maar het fonds kwam er toch. In maart 2005 werd het Digital Solidarity Fund opgericht. Voorlopig wordt het initiatief gesponsord door de Verenigde Naties en ruim 100 gemeentebesturen over de hele wereld. Andere inkomsten hangen af van de bereidheid van westerse communicatiebedrijven. Van hen wordt verlangd dat ze 1 procent van het geld waarmee zij een aanbesteding winnen, doneren aan het fonds. Een bedrijf krijgt daarvoor in ruil een 'Digitaal Solidariteitslabel'.

10. Hoe gaat het verder na Tunis?

Veel hangt af van welke afspraken er multilateraal worden gemaakt of er vooruitgang kan worden geboekt op belangrijke onderwerpen als vrijheid van meningsuiting en het overbruggen van de digitale kloof.
'Prachtige woorden en bedoelingen staan er in de officiële verklaring,' zei hoogleraar Cees Hamelink van de Universiteit van Amsterdam en actief in de campagne voor communicatierechten na de eerste WSIS in 2003. 'Landen hebben echter meestal goede bedoelingen, maar niet de bedoeling om ze ook uit te voeren.'

Het is te hopen dat hij zijn woorden niet hoeft te herhalen. Hamelink wijst hoe dan ook op de belangrijke rol van maatschappelijke organisaties. Die zullen de regeringen voortdurend moeten wijzen op die goede bedoelingen, de voortgang controleren en het niet nakomen daarvan aanklagen. Een aanhoudende klacht van maatschappelijke organisaties is dat ze vaak worden buitengesloten in de beleidsoverleggen van overheden.

 

 

BBC In-Depth Bridging the digital divide

ITU

Digital Solidarity Fund

 

Reacties