De tijd van geld sturen is voorbij

13-10-2011
Door: Bart Speleers
Bron: OneWorld
Een marokkaan in Nederland

 

Jonge Marokkaanse Nederlanders storten zich op ontwikkelingsprojecten.

Ze gaan op vakantie naar familie in Marokko en zien waar het in de dorpen aan ontbreekt. In plaats van geld sturen, steken jonge Marokkaanse Nederlanders liever zelf de handen uit de mouwen.
Ze leggen een weg of brug aan, slaan een waterput, richten een weeshuis in of sturen een afgedankte ambulance. “We willen dat alle Marokkanen ervan profiteren.”

Ze zien hun jeugdvrienden, neven en nichten in Marokko worstelen met armoede, werkloosheid en verveling. Zelf keren ze na de vakantie weer terug naar hun comfortabele huizen en banen in Nederland. Steeds meer hoogopgeleide jonge Nederlandse Marokkanen besluiten zich in te zetten voor de ontwikkeling van Marokko. Sterker nog, de ontwikkelingsorganisaties van de tweede generatie Marokkaanse Nederlanders jongeren die in Nederland zijn geboren ‘schieten als paddenstoelen uit de grond’, zegt Mohamed Bouimj (50), voorzitter van Netwerk Internationale Samenwerking Marokko (NISM). En dat komt volgens hem niet alleen vanwege de armoede die zij tijdens hun vakanties in Marokko zien. Het huidige politieke en maatschappelijke klimaat in Nederland versterkt volgens Bouimj hun betrokkenheid. Zij zijn het beu om alleen maar slecht in het nieuws te komen. “Allochtonen zijn het gesprek van de dag en Nederlandse Marokkanen, vooral hoogopgeleiden, hebben genoeg van de discussies. Zij voelen daardoor meer psychische binding met hun roots en willen helpen.”  Dat doen de jongeren vooral door veel kleinschalige activiteiten op te zetten in het gebied waar hun ouders vandaan komen. Ze leggen een weg of brug aan, slaan een waterput, richten een weeshuis in of sturen een afgedankte Nederlandse ambulance. De tijd van louter geld sturen aan achterblijvers is voorbij. “Gelukkig”, aldus Bouimj. “De eerste generatie migranten onderhield hun familie financieel, maar daar werden mensen lui van. Het heeft niet geholpen bij een structurele ontwikkeling van het geboortedorp of -gebied.”

Scheefgroei
De jongeren van nu geven niet meer zomaar, ze willen projecten samen oppakken met de bewoners. Oxford-wetenschapper Thomas Lacroix, die jarenlang onderzoek deed naar de relatie tussen migratie en ontwikkeling in het Marokkaanse Atlasgebergte en de Sous-vallei, ziet vooral op sociaal vlak dat de projecten effect hebben. “Hele gebieden in Marokko zouden zonder de hulp van migranten veel armer zijn. Het onderwijsniveau is verhoogd doordat migranten scholen hebben gebouwd, de gezondheidszorg is verbeterd, wegen en watersystemen zijn aangelegd, er is vaak elektriciteit. Maar op economisch niveau heeft de bemoeienis van migranten geen impact. Hun hulp creëert geen banen. De werkloosheid blijft hoog.” Ook ziet Lacroix dat de ontwikkelingshulp van de migranten tot een scheefgroei aan voorzieningen leidt. “Migranten uit bepaalde dorpen of streken zijn veel actiever dan migranten uit andere regio’s. En er ontstaat competitie tussen nabij gelegen dorpen. Heeft het ene dorp een gezondheidscentrum, dan wil een dorp op twee kilometer afstand dat ook. Zo ontstaan er concentraties van gezondheidscentra, terwijl de rest van de regio geen centrum heeft, maar wel weer te veel scholen. Er is geen regionale visie op ontwikkelingsbeleid.”

Na de aardbeving in Al Hoceima in het noorden van Marokko in 2004 werd ook Bouimj het gebrek aan samenwerking en coördinatie pijnlijk duidelijk. “Hulp uit Nederland kwam er volop, maar versnipperd en zonder coördinatie.” Het leidde een jaar later tot de oprichting van netwerkorganisatie NISM, om ervaringen uit te wisselen en krachten te bundelen. NISM, waarbij 32 organisaties zijn aangesloten, ondersteunt en begeleidt particuliere initiatieven en heeft een fonds opgericht. Ook is het netwerk bezig met een keurmerk voor ontwikkelingsprojecten in Marokko en wil het duurzame projecten opzetten om regio’s verder te ontwikkelen. Bouimj: “Per regio bedenken we initiatieven waarmee er werkgelegenheid wordt gecreëerd, zoals toerisme, microkrediet of zonne-energie. We willen het ontwikkelingswerk in Marokko naar een hoger niveau tillen, zodat alle Marokkanen ervan profiteren.”

Mustapha & Mohamed
De broers Mohamed (29) en Mustapha (27) Lhari zullen het bezoek aan hun geboortedorp Tamargoult in Marokko, twee jaar geleden nooit vergeten. “Een jongetje was door een schorpioen gestoken en wij waren de enige met een auto.” Met de patiënt op de achterbank raceten de broers over de kilometerslange, ongeasfalteerde weg naar het ziekenhuis in de stad Taroudant. Vergeefs, de jongen overleed al tijdens de rit. De kindersterfte is hoog in het dorp, dat honderd permanente inwoners telt. “Elke vrouw uit het dorp heeft wel drie kinderen verloren”, vertelt Mohamed. Niet alleen door schorpioensteken, maar ook tijdens de bevalling, door een val in een waterput of van een berg. De vrouwen staan er meestal alleen voor in Tamargoult. De mannen vertrekken voor werk naar grote steden als Casablanca of migreren naar het Westen. Zo ook het gezin Lhari dat 25 jaar geleden naar Hengelo kwam. Elke zomer gingen zij op vakantie terug naar Tamargoult in de Sous-vallei in het zuidwesten van Marokko, waar de broers speelden met leeftijdgenoten, van wie er nu een aantal werkloos in het dorp rondhangt. “Dat raakt me”, zegt Mohamed. “Ik voel me goed en vrij in Nederland. Wij hebben kansen gekregen. Zij niet.”

Daarom richtten Mohamed, manager bij een automatiseringsbedrijf, en rechtenstudent Mustapha drie jaar geleden stichtingen in Nederland en Marokko op voor de ontwikkeling van Tamargoult. Van de overheid of grote ontwikkelingsorganisaties hoeft het dorp niets te verwachten, zegt Mohamed. “Overheidssubsidies gaan naar de grote steden, niet naar het platteland.” In het dorp is geen school, eerstehulppost, kraanwater, vervoer of werk. Door extreem natte of juist kurkdroge periodes is het verbouwen van groenten of fruit, zoals vroeger gebeurde, onmogelijk geworden. Het dorp kan niet overleven zonder het geld van de Lhari’s en andere migranten.  Elk jaar komen Mohamed en Mustapha naar Tamargoult om over hun ontwikkelingsprojecten te overleggen. In de kleine ontvangstruimte van de moskee verzamelen zich tientallen mannen en jongens van het lokale stichtingsbestuur en de dorpsraad, die bestaat uit migranten die op vakantie zijn in Tamargoult. De migranten leggen vrijwillig 50 euro in als ze in Europa wonen of 25 euro als ze elders in Marokko werken.  “Als je niet met de dorpsraad overlegt, krijg je problemen”, zegt Mustapha. Met een openingsgebed zegent de lokale imam de vergadering. Op de agenda staan de bouw van een ‘vrouwenhuis’, waar vrouwen kleren kunnen naaien voor de verkoop, en de verbetering van de toegangsweg naar het dorp. Na een korte discussie worden donaties toegezegd. Met een gebed zegent de imam het besprokene. “Niet altijd verloopt een bijeenkomst zo rustig”, vertelt Mohamed. “Soms is er wrevel of wantrouwen. Dan leggen Mustapha en ik uit dat we het doen om ze te helpen en dat wij er zelf geen enkel belang bij hebben. Meestal is dat genoeg om de weerstand te breken.”

Hassan
In de ziekenhuistuin van het stadje Berkane staan Ilyass Dahhane (19), Issam Ben Salem (20) en Rabiê Maâch (25) beteuterd te kijken naar een berg gedumpte vuilniszakken, gevuld met bebloede operatiehemden en handschoenen. Twee jaar geleden knapten zij met zeventien andere jongeren uit Marokko en Nederland de verloederde tuin op in het kader van de stedenband tussen Zeist en Berkane. Inmiddels ligt de tuin er weer verwaarloosd bij. Na de opknapbeurt zou het ziekenhuis zelf de tuin onderhouden, zo was beloofd. “Ambtenaren en politici beloven vanalles, maar er komt niets van terecht”, verzucht Issam.
Hij vindt ‘bijna alles slecht’ in Berkane. “De stad is vies, veel mensen zijn analfabeet, scholen zijn vervallen en hebben geen lesmateriaal.” Daarom riepen de drie jonge Marokkanen een stichting in het leven om Berkane verder te ontwikkelen. Met twintig andere jongeren zamelen ze geld in – donaties en salaris van bijbaantjes – waarmee ze scholen voorzien van schoolborden en boeken en kleren kopen voor de armen.
De jongens krijgen steun uit Nederland, van Youth Without Borders uit Zeist. Deze stichting organiseert inzamelingen en kleinschalige activiteiten om jongeren te stimuleren zich in te zetten voor ontwikkelingshulp. Dat doet mede-oprichter Hassan Taoufik (22) door Nederlands-Marokkaanse jongeren direct aan te spreken, op bijeenkomsten of in de moskee. “De meesten zijn heel betrokken bij de armoede in Marokko. Het raakt ze, zij hebben er familie en voelen zich er thuis. Maar ze ondernemen niet veel actie, omdat ze denken dat ze niet veel kunnen veranderen aan de situatie daar.” Geld geven doen ze wel, vooral als ze vertrouwen hebben in de werver, meestal een kennis, vriend of familielid. Hassan ziet liever dat Nederlandse Marokkaanse jongeren actief meedoen, ook in Marokko. Een duwtje in de rug kan daarbij helpen. Taoufik: “Vorig jaar is er een jongen met Marokkaanse roots met Youth Without Borders naar Berkane gereisd. Die zit nu in het stichtingsbestuur.”
Het eerste project dat de jongeren hebben afgerond, was een gift van schoolboeken en een schoolbord aan een klas analfabete vrouwen in de stad. Hassans ouders komen uit het nabij gelegen Oujda. Toch is hulp geven voor hem niet per se gekoppeld aan Marokko. “Ik zou me net zo goed kunnen richten op een ander land, maar ik moet ergens beginnen. Door mijn gebrek aan ervaring ligt starten in Marokko voor de hand. Ik ken het land, heb een band met de jongens daar en in Nederland is er een grote ‘achterban’. Dat maakt het wat makkelijker.”

Met het idee voor dit artikel over jonge Nederlandse Marokkanen in ontwikkelingshulp won journalist Bart Speleers de eerste prijs voor het beste ‘Vergeten Verhaal van 2010’, georganiseerd door de Dick Scherpenzeel Stichting. Dit artikel kwam tot stand mede dankzij de financiële bijdrage die aan de prijs is verbonden. www.hetvergetenverhaal.nl

Reacties