‘Welvaartcreatie’

01-11-2004
Door: Tekst: Frans Bieckmann


'Er overheerst nog een ouderwets eendimensionaal beeld als we het over ontwikkelingslanden hebben. Van slachtoffers. Van mensen die behoeftig zijn. Poelen van ellende, hopeloosheid, afhankelijkheid en gebrek aan middelen.' Michael Barth steekt gelijk van wal als om zijn visie op ontwikkeling wordt gevraagd. En hij windt zich op, voor zover deze genuanceerde ontwikkelingsbankier dat kan: 'Wij denken nog steeds dat we de arme mensen moeten helpen, dat wij meer weten, meer kennis hebben. En dat dit wel eindeloos zo zal blijven. In feite wordt er nog steeds te veel uitgegaan van ontwikkelingshulp, in plaats van ontwikkelingssamenwerking. De vrouw van een succesvolle Afrikaanse bankier zei een tijdje geleden tegen mij: "Ik ben ervan overtuigd dat de wereld ons wil helpen, maar ik ben niet zo overtuigd dat men wil dat wij ons ontwikkelen." Soms lijkt ontwikkeling - vooruitgang, succes - zelfs een vies woord te zijn. Mensen die erin slagen de absolute armoede te ontstijgen, worden vaak met enige argwaan bezien.'

De score card

FMO heeft op dit moment 405 projecten lopen, voor een totaal van 1.878 miljoen euro. Daarnaast beheert FMO voor het ministerie van Buitenlandse Zaken onder meer ORET, het subsidieprogramma voor het bedrijfsleven. Lees meer...

Barth beschrijft een ervaring uit de tijd dat hij nog werkte bij de International Finance Corporation (IFC, de tak van de Wereldbank die zich bezighoudt met de particuliere sector). James Wolfensohn was net aangetreden als directeur van de Wereldbank en hij vond dat het topkader van de Bank en gelieerde instellingen als IFC aan den lijve moesten ervaren 'how the other half lives': 'Ik heb toen een tijdje doorgebracht in een dorp, bij een Aziatische kredietorganisatie. Dat was ontzettend inspirerend - het heeft mijn denken diepgaand beïnvloed. Zij bereikten erg veel. Vooral onder vrouwen, die via de organisatie opleidingen kregen. En geld konden lenen om kleine investeringen te doen. Dat werkte goed. Er was één vrouw die er echt uitsprong. Zij was net als de rest analfabeet, maar toch op haar eigen manier geniaal. Ze werkte harder en effectiever en verdiende iets meer dan de rest. Voor een tweede lening kwam ze dus niet meer in aanmerking; ze was niet meer superarm, geen slachtoffer meer, geen doelgroep meer van ontwikkelingshulp. Dus wie het best gebruikmaakte van een microkrediet, kon een volgende lening op zijn buik schrijven. Hij of zij behoorde immers niet meer tot de allerarmsten. Het lijkt erop dat je ineffectief moet zijn, arm moet blijven, om verzekerd te zijn van ontwikkelingshulp. Dat geldt op microniveau, maar net zo goed op macroniveau: de meeste Latijns-Amerikaanse landen werden uit de westerse hulpprogramma's gegooid toen ze een beetje succes begonnen te krijgen. Goede initiatieven zouden beter beloond moeten worden, ook in de ontwikkelingssamenwerking. Je moet prikkels inbouwen om te groeien, om groter te worden. Het is niet alleen maar "small is beautiful". Het criterium is niet of een bedrijfje groot of klein is, maar of het goed is. De maatstaf is effectiviteit.'

Potentieel

Barth pleit ervoor de perceptie van ontwikkelingslanden aan te passen. 'Natuurlijk zijn er grote problemen, maar we moeten de mensen daar zien als bronnen van capaciteit en creativiteit, die initiatieven nemen. Ontwikkeling is iets positiefs. Het is vooruitgang. Het gaat om de verbetering van de levens van mensen. Het gaat erom dat mensen in staat worden gesteld hun eigen leven en dat van hun naasten in de hand te nemen. Landen, en hun bevolking, zijn soms ontzettend arm en staan in hun dagelijks leven voor bijzondere uitdagingen. Maar ze zijn niet alleen arm. Ze zijn nog veel meer. Definieer mensen niet alleen aan de hand van wat ze niet hebben. Denk eens na over hoe de ontwikkelingsprogramma's zouden veranderen als je het niet zou hebben over armoedebestrijding, maar over welvaartcreatie.'

Het is deze filosofie die ten grondslag ligt aan Barths overtuiging dat er veel meer moet worden gedaan om het particuliere bedrijfsleven in ontwikkelingslanden te stimuleren. Dat is wat hij met FMO probeert en wat hij ook in tal van eerdere functies in zijn 25-jarige loopbaan als ontwikkelingsbankier heeft gedaan. Hij citeert uit rapporten als het recente World Development Report 2005 - 'A Better Investment Climate for Everyone' - van de Wereldbank. Hij haalt ook het rapport aan dat in het voorjaar van 2004 werd aangeboden aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan: 'Unleashing Entrepreneurship: Making Business Work for the Poor'. Dat document werd opgesteld door de Commission on the Private Sector & Development, met daarin vooraanstaande (ex-)politici en wetenschappers uit de hele wereld. Barth was een van de adviseurs van de commissie. 'Uit die onderzoeken blijkt weer wat eigenlijk onze dagelijkse realiteit als ontwikkelingsbankier is: er ligt in ontwikkelingslanden een enorm potentieel braak, ongezien en niet gebruikt.'

Wat is een ontwikkelingsbank?

FMO, opgericht in 1970, is met een investeringsportefeuille van 1,9 miljard euro en meer dan tweehonderd medewerkers een van de grootste ontwikkelingsbanken van Europa. Ontwikkelingsbanken doen in feite hetzelfde als 'gewone' banken: ze lenen geld uit aan klanten en bedrijven die een investering willen doen. Het verschil is dat ontwikkelingsbanken zich richten op ontwikkelingslanden, en dus per definitie grotere risico's lopen dan een doorsnee bank. Lees meer...

Barth laat een tabel zien waarin de investeringen in 92 ontwikkelingslanden zijn samengevat. Er wordt gemiddeld vijf keer zo veel geïnvesteerd door bedrijven uit de landen zelf als door buitenlanders. 'Dat toont aan dat de particuliere sector veel meer omvat dan alleen westerse multinationals. Het is vooral ook lokale bedrijvigheid in alle soorten en maten. Dat lokale initiatief zou veel meer gewaardeerd moeten worden. Als je het hebt over participatie van de civil society, moet je niet alleen denken aan het meepraten van bepaalde maatschappelijke organisaties. Maar ook aan de deelname van de essentiële onderdelen van de maatschappij die welvaart creëren: kleine en grotere ondernemers.'

Volgens Barth bestaat er nog te veel dédain voor het bedrijfsleven in het Zuiden. 'De private sector wordt daar nog te vaak alleen getolereerd, waar ze actief gevoed zou moeten worden. Niet door specifieke bedrijven te subsidiëren of aan gebonden ontwikkelingshulp te doen. Maar door de omstandigheden te scheppen waarin het bedrijfsleven optimaal kan functioneren. Regeringen moeten er dus actief aan werken om de risico's, de kosten en de barrières weg te nemen voor ondernemingen - van boeren en eenmanszaakjes tot lokale productiebedrijven en multinationals.' Hij haalt het grootschalige Wereldbankonderzoek 'Voices of the Poor' (gepubliceerd in 2000) aan, waarin zestigduizend armen in tientallen ontwikkelingslanden werden ondervraagd. 'Daaruit blijkt nog eens dat ook de armen zelf een baan of een eigen bedrijfje als de belangrijkste weg uit hun armoede zien. De particuliere sector is de motor van ontwikkeling.'

Enabling environment

Waar het Barth en de onderzoekers van Wereldbank en VN vooral om gaat, is het creëren van een situatie waarin de lokale bedrijvigheid zich kan ontplooien, in jargon 'enabling environment' genoemd. 'In die rapporten worden grote reeksen maatregelen opgesomd. Boven aan de lijst staat het creëren van zekerheid en stabiliteit. Geloofwaardigheid en continuïteit in het overheidsbeleid zijn van groot belang. Onderdeel daarvan zijn duidelijke eigendomsrechten.' Door het opbouwen van een rechtsstaat en het verminderen van bureaucratische regeltjes kan het enorme economische potentieel dat nu in de informele sector blijft hangen, veel beter worden gebruikt, stelt Barth. 'Meer dan de helft van de economische activiteiten in ontwikkelingslanden vindt plaats in de informele sector. Het ondersteunen van initiatieven die bedrijfjes in staat stellen om over te gaan naar de formele, officiële economie zou veel meer ontwikkelingsresultaat opleveren. Ook voor de armen en de samenleving als geheel.' Maar het blijkt vaak erg moeilijk en duur te zijn om formeel een bedrijf op te richten. In Haïti kost het registreren van een nieuwe onderneming tweehonderd dagen, in Australië slechts twee. Bedrijven betalen in ontwikkelingslanden gemiddeld 25 procent van hun omzet aan onnodige zaken, stelt Barth. 'Dat is drie keer zo veel als ze aan belasting betalen. Bedenk wat dat de schatkisten van die landen zou kunnen opleveren, als ze hun belastingadministratie en douanevoorzieningen op orde zouden hebben. Die kosten worden veroorzaakt door bureaucratische regelgeving. Door onbetrouwbare elektriciteitsvoorzieningen en andere infrastructurele tekortkomingen. En door misdaad en corruptie.'

Met een ander voorbeeld laat Barth zien wat er gewonnen kan worden. 'In 2003 werd in Ethiopië een aantal hinderlijke regels geschrapt, waarna het aantal nieuwe bedrijven met 48 procent steeg. Er hoefde bijvoorbeeld geen verplichte - en dure - advertentie meer geplaatst te worden in een lokale krant. Ook gingen bedrijven veel minder betalen voor hun formele inschrijving. In China heeft het verbeteren van het eigendomsrecht een proces in gang gezet waardoor 400 miljoen mensen boven de armoedegrens geraakten.' Behalve een rechtsstaat moet er ook een goede fysieke en sociale infrastructuur komen - én een stabiele en rechtvaardige inrichting van de nationale en mondiale economie. 'Want natuurlijk is het ook erg belangrijk om de markten van de rijke landen open te gooien. Ik sprak laatst met een Mozambikaanse minister. Die zei tegen mij: "We hebben veel liever een open Nederlandse suikermarkt dan ontwikkelingsgeld." Maar zelfs als de rijke landen eindelijk de daad bij het woord voegen en hun eigen markten opengooien, moeten de ontwikkelingslanden klaar zijn om de dan geboden kansen te grijpen.'

Katalysator

Barth haalt nog een aantal onderzoeken aan waaruit blijkt dat er een sterke samenhang bestaat tussen een hogere economische groei (door verbetering van het investeringsklimaat en de resulterende opkomst van een particuliere sector) en de afname van de armoede. 'Dat is gebeurd in China en India, maar bijvoorbeeld ook in Uganda en Midden-Amerika.' De essentie van al die rapporten is dat je met een aantal relatief simpele maatregelen al heel wat kunt bereiken. Om zijn boodschap kracht bij te zetten, schakelt Barth over op de taal waarin hij meestal communiceert: 'It is about persistence and predictability, more than perfection - volharding en voorspelbaarheid zijn belangrijker dan perfectie. Eenvoudige verbeteringen in de wetgeving zorgen voor een opzienbarende vooruitgang in bedrijvigheid. Goede katalysatoren kunnen een grote dynamiek op gang brengen.'

Een belangrijke rol in dit proces speelt volgens Barth de financiële sector. 'De financiële sector, dus zeg maar de banken, vormt de "brains of development". Een goed functionerende financiële sector zorgt ervoor dat het beschikbare kapitaal op de goede plekken terechtkomt, waar het het meeste oplevert. Het zorgt ervoor dat er rationele en zakelijke besluiten worden genomen, dat er wordt gekeken naar de haalbaarheid van bepaalde zakelijke plannen. Of er wel een goed bedrijfsplan is, of de onderneming enige kans van slagen heeft en een gezonde winst kan opleveren. Want zonder een redelijke winst is zo'n bedrijf ten dode opgeschreven.' Een van de specialiteiten van FMO is het stimuleren en verbeteren van de financiële sector in ontwikkelingslanden. 'Een financiële sector die niet goed functioneert, is desastreus voor een land. In de afgelopen 25 jaar is ongeveer 1.000 miljard dollar aan ontwikkelingshulp gegeven; hetzelfde bedrag ging verloren door financiële crises in ontwikkelingslanden. Hadden we een fractie van het hulpbedrag in versterking van de financiële systemen gestopt, dan was er een veelvoud bespaard.'

Profiel Michael Barth. Lees meer...

Volgens Barth gaat het erom twee werelden, twee zienswijzen, dichter bij elkaar te brengen. Hij vindt dat er nog veel te weinig oog is voor de rol die de particuliere sector kan spelen. 'Er is wel vooruitgang geboekt. In de nota "Ondernemen tegen Armoede", die onder minister Herfkens werd uitgebracht, staat bijvoorbeeld duidelijk hoe het zou moeten. Minister Van Ardenne heeft actiever geprobeerd om de ontwikkeling van de private sector tot een van haar speerpunten te maken. Desondanks blijft de particuliere sector in de praktijk vaak nog het stiefkindje van het ontwikkelingsbeleid.' Barth pleit ervoor de daad bij het woord te voegen. 'Er moet een einde komen aan de discussie voor dovemansoren. Al vele jaren weigeren de partijen in het debat uit hun loopgraven te komen. Aan de ene kant klinkt - weliswaar wat meer op de achtergrond - nog steeds het geluid dat bedrijven de arme landen en hun bevolking uitbuiten en er alleen zelf beter van worden. Aan de andere kant wordt nog steeds beweerd dat liberalisering automatisch leidt tot een grotere rijkdom voor iedereen. Achter deze simpele tegenstelling ligt een cultuurverschil: de publieke sector versus de particuliere sector, de sociologen versus de economen, de overheid versus het bedrijfsleven. Dat is een andere manier van denken. Het is zaak die kloof te overbruggen. Door het beste van beide werelden te integreren in één visie die leidt tot een effectief ontwikkelingsbeleid waar de armen in de wereld écht beter van worden.'



Reacties