We kunnen veel beter

22-07-2010
Door: Rob Visser
Bron: IS Online
Karel van Kesteren

Diplomaat Karel van Kesteren beschreef ‘de negatieve gevolgen van de hulpchaos’ aan de hand van zijn eigen dertig jaren lange ervaringen. ‘Verloren in wanorde’ is een waardevol kijkje in de keuken van de hulp volgens zijn voormalige collega Rob Visser: het openbaart het gebrekkige functioneren van de hulpgevers.

Ontwikkelingssamenwerking moet. Het is een teken van beschaving, aldus Karel van Kesteren, ambassadeur in onder andere Tanzania en Nicaragua, en nu geplaatst in Sofia. Maar hulp moet wel maximaal rendement opleveren. Dat doet het niet. De gangbare praktijk is gebrekkig. Die praktijk is zelfs verloren in wanorde’. Er is sprake van een ondermaatse organisatie, van chaotisch en versplinterd optreden van de donorgemeenschap, van ‘leegzuigen’ van lokale organisaties en….nog veel meer. Maar het is niet alleen kommer en kwel. De auteur geeft mooie voorbeelden van hoe armoedebeleid wel kan. Zoals de – relatief kleine – steun aan de Algemene Rekenkamer in Nicaragua. De Rekenkamer zag zelfs kans malversaties van de president aan het licht te brengen. Het zijn ‘high politics’ interventies die schoolvoorbeelden zijn van ‘verbreding van de hulp’, een hoofdthema van het spraakmakende rapport van de WRR.
De titel ‘verloren in wanorde’ zou ook kunnen slaan op de auteur zelf. Alhoewel, daar hoort zware kost bij en het is veeleer een onderhoudend, lichtvoetig relaas. De auteur is soms een onderhoudend chroniqueur, soms een scherp analyserende journalist, dan weer een creatief beleidsschrijver, een verontrust observator, soms ook een onderwijzer en hij lijkt ogenschijnlijk moeiteloos van het ene in het andere perspectief te schuiven.

Milde ironie
‘Verloren in wanorde’voorziet in een leemte, of beter, in twee leemtes. Aleereerst komt het onderwerp ‘het functioneren van donoren’ niet genoeg aan bod, te weinig en te gekleurd door de wetenschap, te oppervlakkig door de zogenoemde practitioners, de uitvoerders van de hulp, en te opportunitisch door evaluatoren (die doorgaans hun opdrachtgevers liever niet bijten).
Verder heeft een ingewijde, ‘practitioner’, bij die noodzakelijke reflectie op de donorpraktijk een essentiële meerwaarde. Het is voor wetenschappers namelijk heel lastig om zicht te krijgen op de werkelijke gang van zaken achter de formele en correcte facade.
Heel boeiend vind ik de kijkjes in de keuken die Van Kesteren biedt. Hier is de schrijver mijns inziens op zijn best, met fijngetekende, mild-ironische schetsen krijgen we een onalledaags inzicht in de alledaagse ‘high politics’ in ontwikkelingslanden.
De milde ironie wordt afgewisseld met gedoseerde verontwaardiging. Die vinden we bijvoorbeeld in het betoog over inefficiëntie en hoe donoren elkaar in de weg lopen in Tanzania. Voorbeeld: een jeugdclub uit een donorland ontvangt 100.000 euro van de hulpbegroting om aan aids-bestrijding te besteden. Ze financieren daarvan een extra activiteit van een internationale hulporganisatie, IPPF geheten. Maar IPPF ontvangt ook direct geld van datzelfde donorland, terwijl dat land ook het VN-bevolkingsfonds UNFPA steunt dat weer dezelfde soort hulporganisaties ondersteunt. Let wel, merkt de auteur op, “bij al die geldverstrekkingen horen rapportages, inspecties, evaluaties en veldbezoeken van prominenten”.
Maar dat wisten we toch al lang? Ja, maar niet op basis van zo’n degelijk en overtuigend relaas.

Dertig procent verloren
Zou de pers zich uitsluitend richten op slechts die ene uitspraak dat 30 procent van het hulpgeld in Tanzania verloren ging? Dat zou jammer zijn, want andere passages in het laatste hoofdstuk zijn veel interessanter. Van Kesteren komt met stevige conclusies zoals: er is een veel te groot aantal donoren, en die moeten hun eindeloze reeks voorwaarden en voorschriften eens thuis laten. Verder vindt hij de gangbare argumentatie voor bilaterale hulp niet juist en moet de financiering voor hulporganisaties wat minder. Aan het slot van de aanbevelingen komt de auteur weer dicht bij zijn hoofdthema: laten we eens goed kijken naar het hoe van de hulpindustrie.
Ik ben een gelukkig mens, zo stelt de auteur, als ik met dit boek een bijdrage kan leveren aan de discussie die de WRR heeft losgemaakt. Het boek voegt in mijn ogen een essentieel onderwerp toe aan de discussie.
De WRR maakt veel werk van een uitgebreid ‘menu’ ter professionalisering van de donorpraktijk. Dat lijkt verdacht veel op eerdere, vergelijkbare menu’s. En waarom werden die menu’s dan niet uitgevoerd? Dat had zeker ook te maken met het functioneren van donoren. En dat wordt door de WRR nou net niet ter discussie gesteld.

De oplettende lezer van ‘Verloren in wanorde’kan haast niet anders dan concluderen dat gegeven het huidige peil van donorpraktijk de roep om professionalisering neerkomt op een betoog om te gaan bouwen op te zwakke fundamenten.
Dat staat er niet zo expliciet. Dat zou ook niet gepast hebben, want ik vermoed – maar nu ga ik speculeren – dat de auteur moeite heeft moeten doen om binnen de marges van de functionele loyaliteit te blijven. Daar is hij in geslaagd, de kritiek blijft telkens constructief. Maar tussen de regels door klinkt wel degelijk ongeduld, zoemt de behoefte aan daadkracht en staan er vette uitroeptekens bij het betoog om de discussie voort te zetten.

Rob Visser is gasthoogleraar ‘beleid voor ontwikkelingssamenwerking’, capaciteitsgroep antropologie, UU Utrecht en verbonden aan het CIDIN in Nijmegen. Tot voor kort werkte hij in de ontwikkelingssamenwerking in Den Haag bij Buitenlandse Zaken.

Reacties