Vrije textielhandel ruïneert ontelbare naaiateliers

22-12-2004
Door: OneWorld Redactie

 

Wat is het multivezelakkoord?

Het multivezelakkoord werd in 1974 gesloten bij de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT), de voorloper van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Met deze overeenkomst probeerden de geïndustrialiseerde landen de eigen textielindustrie te beschermen tegen de concurrentie van lagelonenlanden. Van die landen kregen er 47 quota toegekend voor de export van kleding en stoffen naar de Westerse markten. In 2004 mocht Cambodja bijvoorbeeld ter waarde van 1,4 miljard dollar katoen en zijde naar de Verenigde Staten exporteren.

Waarom wordt het nu opgeheven?

Deze quota bieden de ontwikkelingslanden een zekere afzet van hun producten. Dit heeft de landen de gelegenheid gegeven om hun textielsector op te bouwen. Tegelijkertijd beperkt het systeem hen in de uitvoermogelijkheden. De Wereldbank heeft berekend dat het bedrag dat de arme landen aan exportinkomsten mislopen twee keer zo hoog is als het bedrag dat ze aan buitenlandse hulp ontvangen.

Adrie Papma, directeur van de handelscampagne van Novib, noemt het multivezelakkoord daarom 'een van de meest schadelijke wapens in het protectionistische arsenaal van de rijke landen.' Voor iedere baan die wordt beschermd in het Westen gaan volgens haar 35 banen verloren in ontwikkelingslanden. In 1994 in Uruguay is dan ook besloten om de importquota geleidelijk af te bouwen. 

Wat gaat er straks veranderen?

Inmiddels is ongeveer de helft van deze exportplafonds inmiddels opgeheven. Per 1 januari moeten alle overige exportbeperkingen zijn verdwenen.
Dan nog hebben de ontwikkelingslanden niet helemaal vrij spel. Voor de meeste producten blijft nog een importheffing bestaan van 16 procent in de Verenigde Staten en 18 procent in Europa.

Wie profiteert van het wegvallen van de exportbeperkingen?

Hoewel de arme landen straks vrijwel onbeperkt textielproducten kunnen uitvoeren,  heerst er bij de meeste geen hoerastemming. Sinds China in december 2001 lid werd van de WTO heeft het land de textielmarkt gaandeweg veroverd. De grote jongen van de ontwikkelingslanden walst sindsdien over de andere kleintjes uit het nest heen. Door het enorme arsenaal aan arbeidskrachten die bereid zijn om tegen nog lagere lonen keihard en stipt op tijd te werken, zijn de broeken, T-shirts en andere kledingstukken van Chinese makelij stukken goedkoper dan de kleding die in andere lagelonenlanden wordt gemaakt.

In drie jaar tijd wist de Chinese reus zijn aandeel in de quotavrije kledingimport in Amerika van 9 procent tot 72 procent uit te breiden. In Europa krijgen de Chinezen minder snel voet aan de grond, maar ook hier hebben Chinese exporteurs al 15 procent van de quotavrije textielmarkt en 30 procent van de confectiemarkt in handen.
De WTO voorspelt dan ook dat China en grote zus India de belangrijkste winnaars zijn van de afschaffing van de importquota. De WTO verwacht dat straks aan de helft van alle kleding die in Amerika wordt verkocht het label 'Made In China' zal hangen. India zal 15 procent van de Amerikaanse markt opslokken.

Grote kledingverkopers en merken zoals Wal Mart en Gap zien de goedkope Chinezen en Indiërs graag komen. Ook voor de consument zal het openbreken van de textielmarkt merkbaar zijn in de portemonnee. Kleding wordt goedkoper en zal daardoor waarschijnlijk een nog hogere omloopsnelheid krijgen. Brachten winkels vroeger alleen een zomer- en een wintercollectie, tegenwoordig hangen de nieuwe blouses en jurken al na een paar weken in de winkel. Deze trend zal waarschijnlijk worden versterkt.

Wie wordt de dupe?

Terwijl de Westerse tiener zich in een goedkope spijkerbroek hijst, zullen miljoenen huishoudens in ontwikkelingslanden de broekriem juist strakker aan moeten trekken. Nurun Nahar uit Bangladesh bijvoorbeeld. Zij is 28, maar ziet de toekomst inmiddels niet meer zitten. Per 1 januari verliest ze waarschijnlijk haar baan in het naaiatelier in Dhaka waar ze al 14 jaar werkt. Tegen persbureau IPS vertelde ze dat ze bang was dat ze de rest van haar leven moeite zal houden om werk te vinden. De concurrentie op de arbeidsmarkt is immers groot. Alleen al in Bangladesh staan een miljoen banen op de tocht.

Niet alleen in Bangladesh, maar ook in bijvoorbeeld Turkije, Sri Lanka en Mauritius zullen de naaimachines ingepakt en verscheept worden om in China of India weer te worden uitgeladen. Waarnemers spreken van een sociale slachting die zal worden aangericht door het wegvallen van de importquota. De textielsector is enorm arbeidsintensief. Naar schatting dreigen wereldwijd 30 miljoen mensen hun baan te verliezen.

Die banen komen er waarschijnlijk weer bij in China of India, maar daar zal de 24-jarige Chrek Sophea uit Cambodja weinig boodschap aan hebben. Haar gezin van negen kinderen moet rondkomen van het geld dat zij in het naaiatelier verdient. Als de fabriek straks sluit, is er voor haar niet zo snel een andere baan te vinden. In de textielindustrie werken veel vrouwen. Gevreesd wordt dat er voor velen niets anders rest dan hun lichaam te verkopen in de seksindustrie.

Ook in de geïndustrialiseerde landen zullen werknemers in de textielindustrie moeten vrezen voor hun baan. De shake-out zal hier echter minder heftig zijn dan in arme landen. Veel Westerse landen zoals Nederland hebben zich al eerder gespecialiseerd in de productie van hoogwaardige textielen. Het Nederlandse bedrijf Ten Cate maakt bijvoorbeeld brandwerend textiel voor de chemische industrie of de brandweer. In Zuid-Europa waar nog wel massaproductie is van textiel, maken de werknemers zich ook grote zorgen over hun toekomst.

Kunnen de Aziatische tijgers niet afgeremd worden?

Eind september probeerden Bangladesh, Mauritius, de Dominicaanse Republiek en nog vier andere ontwikkelingslanden met een grote textielsector bij de WTO een onderzoek door te drukken naar de gevolgen van de afschaffing van de importquota. Het clubje hoopte zo een verlenging van het bestaande akkoord eruit te slepen. Die verlenging is volgens hen gerechtvaardigd omdat het liberaliseringsproces door de toetreding van China tot de WTO volledig op zijn kop is gezet.

Die verlenging kwam er niet. China en India stemden tegen en Europa en de Verenigde Staten schaarden zich achter hen. Critici denken dat de laatsten het grote China om politieke redenen niet voor het hoofd willen stoten.

De Chinezen voorzien natuurlijk ook wel dat hun sterke positie op de textielmarkt angst en irritatie opwekt. Om de critici de wind uit de zeilen te nemen, kondigde het land onlangs aan dat het zijn textielexport gaat belasten en investeringen in de sector zal afremmen. Hiermee hoopt China het optrekken van nieuwe handelsbarrières te voorkomen. Maar het blijft de vraag in hoeverre de Chinese regering de eigen producenten in toom weet te houden. Ook al heft het land straks belastingen, toch blijft het comparatieve kostenvoordelen houden al was het alleen maar omdat de Chinese reus makkelijker aan grondstoffen kan komen en grote havens heeft.

Kunnen de landen die de dupe worden, nog ergens aankloppen voor hulp?

De Wereldbank en het IMF hebben dit najaar al laten weten dat de landen die door de concurrentieslag in de textielmarkt kopje onder gaan, alleen steun kunnen verwachten op een zogenaamde case-by case basis. Om hoeveel geld dat zou gaan, is nog onduidelijk. Grote ontwikkelingsorganisaties zoals Oxfam en Christian Aid pleiten in elk geval voor grote financiële en technische steun.

Hoewel deze clubs de afbraak van de importquota toejuichen, hebben zij ervoor gepleit om dit toch niet al te snel te doen en bepaalde gunstige handelsvoorwaarden voor de kleine textielproducerende landen in stand te houden. Nu het tij niet meer te keren valt, rest hen niet veel meer dan een beroep te doen op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de kledingindustrie. Bedrijven als Nike, maar ook het Nederlandse VendexKBB worden opgeroepen om niet meteen de poorten te sluiten en naar een (buur)land met nog lagere lonen te vertrekken. De multinationals zouden ook oog moeten hebben voor hun huidige werknemers.  

Reacties