Vrije handel maakt armsten nog armer

03-06-2004
Door: OneWorld Redactie
Bron: OneWorld

Linking international trade with poverty reduction - Least Developed Countries Report 2004 bestudeert op grondige wijze het effect van liberalisering op armoede in de 49 minst ontwikkelde landen (MOL's).

In deze MOL's leeft de helft van de mensen van minder dan een euro per dag, is de economie meestal afhankelijk van een enkel exportproduct en is de bevolking veelal slecht gevoed en laag geschoold. Van de MOL's liggen er 31 in Afrika. Sinds december 2003 is Oost-Timor de vijftigste MOL, maar dit land is in de studie niet meegenomen.

Hoewel 10 procent van de wereldbevolking in de MOL's woont, is hun aandeel in de wereldhandel slechts 0,4 procent. De meeste MOL's zijn (Afrikaanse) exporteurs van landbouwproducten en grondstoffen. Van de vijf grote Afrikaanse olieproducenten, Angola, Equatoriaal Guinea, Nigeria, Sudan en (opkomend) Tsjaad, is alleen Nigeria geen MOL. De armere landen in Azië voeren vooral fabrikaten uit.

Groei

Volgens Unctad presteren de MOL's de laatste jaren economisch steeds beter. Tussen 2000 en 2002 zette de jaarlijkse groei van het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking door met 4,9 procent, tegenover 4,4 procent in de periode 1998-2000. De landen zelf hebben in het MOL-actieprogramma voor 2001-2010 de lat op 7 procent jaarlijkse groei gelegd.

Onderling laten de MOL's wel sterke verschillen in ontwikkeling zien. Zo haalden 7 landen tussen 2000 en 2002 wel de lat van 7 procent; Angola, Bhutan, Tsjaad, Eritrea, Mozambique, Rwanda en Sudan. Veertien landen haalden minimaal een groei van 3 procent terwijl in 24 arme landen de groei stagneerde of daalde.

Dat er in andere landen überhaupt van groei sprake was, is vooral te danken aan een toename van ontwikkelingshulp en directe investeringen. Zo ontvingen de 49 MOL's in 2002 28 procent van de ontwikkelingshulp van de rijke lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Donoren blijken hun hulp sinds 2000 meer te concentreren op de armste landen.

In 2002 werd bovendien voor 5,2 miljard dollar geïnvesteerd in MOL's. Daarvan kwam 87 procent terecht in slechts 10 landen en 63 procent in de 5 olieproducerende MOL's, Angola, Equatoriaal Guinea, Sudan, Jemen en Tsjaad. Zonder Tsjaad maar met Bangladesh zijn het ook de landen die het beeld van de exportinkomsten van de MOL's scheef trekken; samen waren ze verantwoordelijk voor 56 procent van alle exportinkomsten. Landbouwstaten zagen hun exporten teruglopen.

Niet duurzaam

Hoe welkom ook, de groei her en der zou wel eens niet zo duurzaam kunnen zijn, waarschuwen de Unctad-onderzoekers. Landen die de afgelopen jaren sterk groeiden, kenden eind vorige eeuw nog een grote instabiliteit. In die periode kregen dertig MOL's te maken met conflicten.

Risicofactoren die de groei kunnen frustreren zijn onder meer de afhankelijkheid van buitenlands geld, toenemende schuldenlast en dalende wereldmarktprijzen. Maar ook het verlies aan handelsvoordelen, sterke bevolkingsgroei, burgeroorlogen en aids remmen de groei.

Duurzame groei impliceert ook dat de levenstandaard van de bevolking verbetert. De schrijvers van het rapport stellen echter dat het aantal mensen dat in de MOL's van minder dan 1 dollar per dag moet rondkomen tussen 2000 en 2015 stijgt van 334 miljoen tot 471 miljoen mensen. Ook op het gebied van levensverwachting van kinderen, moedersterfte, ondervoeding en toegang tot water groeit de laatste jaren de kloof met de overige ontwikkelingslanden.

De meest recente gegevens over de economische en sociale status van de minst ontwikkelde landen geven aan dat het Millenniumdoel van halvering van de armoede in 2015 een onhaalbare zaak is.

Handel als remedie

Nog steeds overheerst de opvatting dat arme landen gebaat zijn bij een betere integratie in de wereldmarkt. Unctad onderzocht over een periode van zo'n 20 jaar of de armoede inderdaad kan worden teruggedrongen als landen zich volledig openstellen voor de wereldhandel.

Dat blijkt dus niet zo zijn. Sinds de jaren tachtig zijn steeds meer arme landen hun markt gaan openstellen. Dat was niet zozeer het gevolg van strategische onderhandelingen over handelsliberalisering als wel van de druk van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank, die vermindering van staatseigendom, bezuinigingen op overheidsuitgaven en toenemende concurrentie afdwongen in ruil voor leningen.

MOL's blijken zich zelfs meer te hebben aangepast dan de andere ontwikkelingslanden en hun markten zijn net zo open als die van de Oeso-landen. Het Unctad-rapport laat zien dat landen die geleidelijk en over een langere periode beschermende mechanismen hebben afgeschaft tot betere resultaten komen dan landen die in vier, vijf jaar tijd zo'n beetje alle invoertarieven drastisch hebben verlaagd.

Zambia

Benin, Gambia, Malawi, Mozambique, Sudan en Zambia pakten het te drastisch aan. In Zambia werd tussen 1991 en 1996 de handel sterk geliberaliseerd. In diezelfde periode nam de armoede dramatisch toe tot 81 procent van de bevolking. Na 1996 trad verbetering op en in 1998 was de armoede terug op het niveau van 1991, ongeveer 72 procent van de bevolking.

Opvallend was dat de armoede vooral toenam onder de stedelijke bevolking als gevolg van stijgende werkloosheid in de formele sector. Privatisering en hervormingen in de mijnbouw en de publieke sector leidden ertoe dat de formele werkgelegenheid tussen 1991 en 1998 met 15 procent daalde terwijl de beroepsbevolking in dezelfde periode met 46 procent groeide.

Steeds meer mensen zochten halverwege de jaren 90 werk op het platteland. Daarvan profiteerden weliswaar de grote boeren, en in geringe mate ook de kleinere boer, maar onder de niet-agrarische bevolking buiten de steden nam de armoede tussen 1991 en 1998 toe van 70 tot 80 procent.

Zambia kende na 1995 een sterk groeiende export (meer dan 5 procent) maar zag tegelijkertijd de stijging van de particuliere consumptie teruglopen tot minder dan 1 procent (was 2,4 procent).

Uganda

Uganda, dat het geleidelijke pad van de liberalisering bewandelde, zag daarentegen het armoedecijfer dalen van 56 procent in 1992 tot 35 procent in 2000. Die verbetering trad zowel in de stedelijke als landelijke gebieden op.

Gewastelers profiteerden maar mondjesmaat. De koffieteelt beleefde toen nog gouden tijden, inmiddels heeft het land de gevolgen van een instabiele wereldmarkt aan den lijve ondervonden.

De praktijk van Uganda laat ook zien dat de inkomsten van landbouwexporten zelden de armsten bereiken. In Noord-Uganda hebben tabaksplanters bijvoorbeeld te maken met één koper, British American Tobacco Uganda. En vissers moeten minstens de helft van hun vangsten afstaan aan de bootverhuurders. Weinig vissers kunnen een eigen boot kopen.

Uganda blijkt een van de slechts drie MOL's die een sterke groei in export zien volgen door een jaarlijkse groei van de particuliere consumptie met meer dan 1 procent tussen 1990 en 2002.

Betere exportmogelijkheden als gevolg van liberalisering van de handel, blijken echter in bijna de helft van de gevallen niet tot groei van de koopkracht te leiden. Het succes van exportzones zoals de bauxiet- en aluminiummijnen in Guinee, levert niets op voor ruim tweederde van de bevolking, het deel dat voor zijn inkomsten afhankelijk is van de landbouw.  

Verder blijken groeiende exportinkomsten gepaard te gaan met afnemende ontwikkelingshulp. De meeste MOL's importeren bovendien uiteindelijk meer dan zij exporteren en blijven zo afhankelijk van extern geld, leningen die de schuldenlast vergroten.

Ten slotte worden de exportkansen van vooral agrarische MOL's momenteel verkleind door dumping van overschotten, exportsubsidies en inkomenssteun aan boeren in de Europese Unie en de Verenigde Staten.

Structurele zwakten

Blijvende armoede is dus volgens Unctad meer een gevolg van onderontwikkeling dan van gebrek aan economische integratie. Vrije handel draagt alleen dan bij aan armoedebestrijding in een land als integratie in de wereldmarkt gepaard gaat met een evenwichtige ontwikkeling van dat land.

De MOL's kampen met structurele zwakten in hun economieën. Handel moet de smeerolie zijn maar als essentiële motoronderdelen ontbreken, stagneert alles, zo luidt de metafoor. Volgens Unctad is de eigen productiecapaciteit van de MOL's onderontwikkeld, blijft het technologische niveau te laag en trekken de landen onvoldoende buitenlandse investeringen aan.

Van de ontwikkelingshulp ging te weinig naar de productieve sectoren of infrastructuur (transport, opslag en communicatie). De meeste hulp werd besteed aan sociale voorzieningen. Dat was niet in de laatste plaats om de ergste 'bijwerkingen' van het beleid dat IMF en Wereldbank oplegden te compenseren.

Evenwichtige ontwikkeling

Opdat handel een bijdrage kan leveren aan armoedebestrijding pleiten de opstellers van het rapport onder meer voor een 'post-liberale' ontwikkelingsstrategie. Een onderdeel van deze benadering is de integratie van handel en ontwikkeling in de zogenaamde Poverty Reduction Strategy Papers (PRSP), waarin de MOL's hun beleid voor armoedebestrijding formuleren. Dat zou bijvoorbeeld inkomensongelijkheid kunnen voorkomen tussen verschillende sectoren zoals de publieke sector en de landbouw.

De PRSP's zijn nu nog te export-georiënteerd, oordeelt het Unctad-rapport. Een evenwichtige groeiverhouding tussen agrarische productiviteit en exportactiviteiten zou beter op zijn plaats zijn. Verder bepleit het rapport investeringen in infrastructuur en agrarische technologie, diversificatie in grondstoffenwinning en versterking van werkgelegenheid.

Ook stellen de onderzoekers voor een einde te maken aan handelsverstorende praktijken van de Oeso-landen als het gaat om producten als bonen, rundvlees, katoen, maïs, rijst, suiker en aardappelen. Marktvoordelen voor MOL's blijven op hun plaats. Daarnaast wijst de Unctad op het belang van transparantie in besteding van de inkomsten uit olie, gas en mineralen.

Ten slotte zal de internationale hulp, die is toegezegd, meer aangewend moeten worden voor versterking van de eigen productiecapaciteit en handelsfaciliteiten. Ook eventuele schuldkwijtschelding zou in het teken hiervan moeten komen te staan. Alle buitenlandse hulp moet bovendien ongebonden zijn, dat wil zeggen dat het donorland er niks voor terugverwacht.

Reacties