Visie overheid op ondernemen in conflictgebieden te mager

01-07-2004
Door: Tekst: Judith Sargentini , Micha Hollestelle


Dit werd 29 juni 2004 duidelijk tijdens een Tweede Kamer-overleg met Minister Van Ardenne (CDA) voor Ontwikkelingssamenwerking en Staatssecretaris Van Gennip van Economische Zaken (CDA). In dit overleg werd de nota Ondernemen in Conflictgebieden besproken.

Verschillende kamerleden, waaronder die van CDA, vragen om juridische instrumenten om bedrijven aan te pakken die met hun activiteiten conflicten steunen. De focus van de minister ligt echter niet op beleidsvorming met betrekking tot ondernemen in conflictgebieden. Zij spreekt alleen over stimulering van handel met ontwikkelingsgeld. Dat is een gemiste kans voor een minister die zo veel nadruk legt op conflict- en armoedebestrijding. Bonafide bedrijven in conflictgebieden kunnen alle steun gebruiken om te voorkomen dat ze betrokken raken bij het conflict. Daarbij is een goed geïnformeerde ambassade al een hele verbetering. Maar alleen dat is niet voldoende. Het gaat de Kamer, die had gevraagd om een notitie 'ondernemen voor vrede', niet om de bescherming van Nederlandse investeringen. Het gaat erom dat bedrijven niet bijdragen aan gewapende conflicten, maar juist bijdragen aan een oplossing, aan vredesopbouw.

Met juridische instrumenten kunnen malafide bedrijven worden aangepakt en weten de bonafide bedrijven waar ze aan toe zijn. De minister denkt echter vooral aan assistentie bij de evacuatie van Westers personeel. Dat laat zien dat zij het idee ondernemen-voor-vrede niet heeft begrepen. Voor een Minister voor Ontwikkelingssamenwerking die partnerschappen tussen bedrijven en overheid en/of maatschappelijke organisaties hoog in het vaandel draagt, moet de centrale vraag zijn: 'Wat kunnen  bedrijven doen voor ontwikkeling?', en níet 'wat kan ontwikkeling doen voor Nederlandse bedrijven?'

De minister en staatssecretaris zien veel heil in dialogen met bedrijven. Als voorbeelden noemen zij het Kimberley-proces aangaande bloeddiamanten, de vorderingen van Shell in Nigeria en de Publish What You Pay campagne. Maar al deze initiatieven zijn afkomstig van maatschappelijke organisaties, en hebben beslist meer succes als de overheid verantwoordelijkheid neemt en juridische kaders stelt waarbinnen bedrijven moeten opereren. Er is een grens aan wat een open dialoog kan bewerkstelligen. Voorbij die grens is sturend overheidsbeleid nodig.

In de nota 'Ondernemen in Conflictgebieden' verwijst de minister naar de OESO-richtlijnen als een effectief instrument om bedrijven op het rechte pad te houden. Volgens de Kamer schieten die bestaande (internationale) richtlijnen echter te kort. Dat bleek onlangs nog, toen NiZA en Pax Christi samen met enkele Nederlandse en Congolese maatschappelijke organisaties, tevergeefs een klacht indienden tegen het Nederlandse bedrijf Chemie Pharmacie Holland (CPH). Dat bedrijf handelde volgens een VN-expertpanel in strijd met OESO-richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dat panel onderzocht grondstoffenroof uit de Democratische Republiek Congo. CPH kocht Coltan uit Oost-Congo van rebellen en financierde zo de aanschaf van wapens door die rebellen. Het Nederlands Contact Punt van de OESO, ondergebracht bij het ministerie van Economische Zaken, verwierp de klacht, omdat het ging om handel, terwijl de OESO-richtlijnen alleen van toepassing zouden zijn in het geval van investeringen. Wel werd geconstateerd dat CPH beter had kunnen handelen en dat de Nederlandse overheid dit bedrijf onvoldoende had geadviseerd over de politieke situatie ter plekke.

Oftewel: een bedrijf heeft winst gemaakt door in zee te gaan met plunderende en moordende rebellen, en komt daar met de zegen van de OESO mee weg. Als het handelen met rebellenbewegingen al niet voldoende is om de vrijwillige richtlijnen toe te passen, waar praten we dan nog over? De verwijzing van de minister naar vrijwillige richtlijnen is dus misplaatst. De Nederlandse regering lijkt zich terecht te schamen voor de uitspraak van Het Nederlandse Contact Punt van de OESO. Staatssecretaris van Gennip heeft desgevraagd toegezegd bij de OESO erop aan te dringen dat de richtlijnen in meer situaties toepasbaar worden. Dat is winst, maar vooral op de lange termijn. De overheid moet veel sneller met een concreet beleid komen dat ondernemen voor vrede bevordert; een beleid dat malafide bedrijven straft en bonafide bedrijven de goede kant op stuurt. Het maken van dat beleid kan niet worden uitgesteld; mensen in conflictgebieden als Oost-Congo gaan nú dood.

De auteurs werken bij het Nederlands Instituut voor Zuidelijk Afrika en Pax Christi 



Reacties