Van Ardenne: Angst voor concurrentie bij hulporganisaties is onnodig

10-03-2005
Door: OneWorld Redactie
Bron: OneWorld

'Ik acht het in de regel ongewenst dat particuliere organisaties geheel afhankelijk zijn van overheidsbijdragen en heb daarom de drempel voor de eigen bijdrage op 25 procent gezet', schrijft Van Ardenne in haar antwoord op maar liefst 72 schriftelijke vragen van de Tweede Kamer.

Volgens Van Ardenne hoeven ontwikkelingsorganisaties zich helemaal niet massaal op de zogenaamde chari-markt te storten, zoals die organisaties zelf vrezen. De minister vindt dat de maatschappelijke organisaties 'zich serieus en in samenwerking met de brancheorganisatie moeten bezinnen op de mogelijkheden voor betere samenwerking binnen de sector, zowel bij de uitvoering van hun programma's als ook bij het werven van fondsen'. Ook wijst zij op de mogelijkheden van andere subsidiebronnen zoals fondsen binnen de Europese Commissie.

Organisaties klagen dat zij moeten investeren in marketing en fondsenwerving, terwijl subsidievoorwaarden bepalen dat zij daaraan slechts beperkt geld mogen uitgeven. Van Ardenne wijst er op dat deze 'gemaximeerde apparaatskostenvergoeding' komt te vervallen. Voortaan wordt bij de beoordeling van de kwaliteit ook gekeken naar welke middelen hoe voor fondsenwerving zijn ingezet.

Autonoom

Uit een aantal vragen spreekt de zorg dat maatschappelijke organisaties mogelijk meer als 'onderaannemers' voor het ministerie van Buitenlandse Zaken komen te werken. Het beleidsvoorstel van de minister spreekt enerzijds over eigen verantwoordelijkheid en doelstellingen van organisaties, maar verwacht ook dat subsidie-aanvragers bijdragen aan de belangrijkste thema's in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid zoals de zogenaamde Millenniumdoelstellingen.

Van Ardenne herhaalt in haar reactie dat maatschappelijke organisaties autonoom zijn en 'geen uitvoerders van overheidsbeleid'. Maar als zij een beroep doen op haar begroting verwacht ze wel dat ze 'elk op hun eigen wijze' bijdragen aan de thema's van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Organisaties mogen ook buiten deze thema's werken maar 'mede met het oog op een zo volledig mogelijke rapportage over de Nederlandse bijdrage aan het bereiken van de Millenniumdoelstellingen vraag ik hen echter om mij in de toekomst duidelijk inzicht te bieden in wat hun bijdrage op deze prioritaire thema's is geweest'.

Complementariteit

De minister stelt dat de vraag of organisaties wel of niet in landen werken, waarmee Nederland een (bilaterale) samenwerkingsrelatie heeft, niet van invloed is op beoordeling van de subsidie-aanvraag. Ze vindt wel dat waar bilaterale samenwerking en particuliere samenwerking elkaar treffen, 'we onze krachten bundelen bij het bereiken van de millenniumdoelstellingen'.

Van Ardenne: 'Daar waar in dezelfde landen en sectoren gewerkt wordt, dient complementariteit bewust nagestreefd te worden. Daarbij heeft elke actor zijn eigen rol en doet wat hij of zij het beste kan. Uit de strategische analyse zal moeten blijken dat de particuliere aanvragers dit veld goed overzien, duidelijk hun plaats hierin bepalen en relevante operationele doelstellingen formuleren. Ik zie dit op geen enkele wijze als onderaannemerschap.'

Het Concept Beleidskader Medefinancieringsbeleid wordt later dit voorjaar nog in de Tweede Kamer besproken.

Schriftelijke antwoorden Van Ardenne

Reacties