TMF-evaluatie: ontwikkelingssector mag trots zijn

01-07-2006
Door: Tekst: Elsbet van der Heij


De evaluatie - uitgevoerd door een onafhankelijke stuurgroep - is niet alleen voor de TMF-organisaties relevant. Van Ardenne schrijft in de begeleidende brief aan de Kamer: 'Ik wil met dit rapport meer inzicht krijgen in het functioneren van thematische medefinancieringsorganisaties en concrete aanknopingspunten krijgen voor de inrichting van het nieuwe Medefinancieringsstelsel.'

Vanaf 2007 zijn er nog twee vierjarige thematische subsidieperiodes te gaan. In datzelfde jaar gaat het nieuwe Medefinancieringsstelsel van start.

Het rapport begint lekker: de Nederlandse ontwikkelingssector kan trots zijn. OS-organisaties spelen een belangrijke rol in directe armoedebestrijding, maatschappijopbouw, en lobby en bewustwording. Thematische medefinanciering heeft daarin een toegevoegde waarde. Hier ligt meer potentie dan we benutten, maar toch: trots mogen we zijn. Dat geldt ook voor de effectiviteit van de hulp. De meeste Nederlandse, buitenlandse en internationale TMF-organisaties brengen 'vaak met bescheiden middelen naar alle waarschijnlijkheid substantiële effecten teweeg'. Vooral de relevantie voor MDG 8 is duidelijk: toegang tot betaalbare medicijnen, een eerlijk handelssysteem en minder schulden voor ontwikkelingslanden. Wel vermeldt het rapport dat de institutionele vernieuwing die daarmee in het Zuiden op gang wordt gebracht, niet altijd voldoende gericht is op armoedebestrijding. Verder is de Nederlandse expertise op het gebied van gender en biodiversiteit minder ontwikkeld.

Professionaliseren moet

'So far so good', maar hoe zit het met de efficiëntie? De voorlopige conclusie is dat die nog omhoog kan. Vooral door betere monitoring- en evaluatiesystemen, gekoppeld aan het lerend vermogen van organisaties. De laatste jaren besteden de TMF-organisaties hier meer aandacht aan, en dat leidt duidelijk tot een beter lerend vermogen van de organisaties en hun partners. Maar met dat vermogen moet je wél iets doen. Kennis delen, de hulpketen versterken. Professor Ton Dietz, een van de auteurs van het rapport: 'Professionalisering is op drie niveaus nodig: in de sector - bij Partos -, bij de ngo's en bij de lokale partners. Leren moet een vaste plaats krijgen in die organisaties.' Dat hoeft niet veel te kosten. Dietz: 'Als je alles door externe consultants laat doen, is het duur. Dat moet je dus achterwege laten. Leer vanzelfsprekend, met je eigen mensen. Maak er geen speeltuintje voor ingehuurde experts van. Want dan dwing je mensen niet het leren te internaliseren, terwijl dat juist wel moet gebeuren.' Maar helemaal gratis hoeft ook niet. Dietz: 'Wij vinden dat je de totale managementkosten van de organisaties op tien tot vijftien procent kunt stellen. In het huidige MFS-stelsel moeten de organisaties alles in een percentage van acht procent proppen. Dat is te knijperig, dan heb je te hoge verwachtingen die ten koste gaan van de kwaliteit.'

Onduidelijkheden

Een ander puntje van aandacht voor het departement: de ontwikkeling van beleidstheorie. Dietz: 'Het is belangrijk om de hele hulpketen in beschouwing te nemen. Vanaf het beleid van het ministerie tot aan de uitvoering in de praktijk en de terugkoppeling vanuit het veld. Wij zijn nogal kritisch geweest over het begin van die hele keten. In de formulering van het beleid van Ontwikkelingssamenwerking zitten vrij veel onduidelijkheden. Dan is het niet gek dat dit later in de keten tot problemen leidt. Zo heeft het ministerie pas zeer recentelijk een beleidstheorie ontwikkeld waarin ook de positie van de civiele sector is opgenomen. En voor een aantal sectoren, zoals biodiversiteit en armoede, is nog altijd geen beleid ontwikkeld.'

Opvallend: de TMF-organisaties benadrukken dat ze anders zijn dan 'de grote zes', de medefinancieringsorganisaties, maar partners zien die verschillen niet. De stuurgroep noemt als verschil de nadruk op specifieke thema's en doelgroepen, en het feit dat de relaties met partnerorganisaties over het algemeen intensiever en risicovoller zijn - meer gebaseerd op een specifieke waardeoriëntatie. TMF-organisaties vervullen de rol van waakhond. Ze staan dicht bij de armen en de lokale organisaties, en ze hechten groot belang aan partnerschap en de beleidsdialoog met hun partners. Daarin verschillen ze echter steeds minder van de medefinancieringsorganisaties. Van Ardenne concludeert in haar brief aan de Kamer dan ook dat 'de opzet van het nieuwe medefinancieringsstelsel, waarin thematische en algemene medefinancieringsorganisaties zijn samengevoegd die meerjarig worden gesubsidieerd, een goede keuze is'.

De Kamerbrief zegt echter niets over de opvallendste onderzoeksconclusie. Dietz: 'De pogingen van het ministerie om het genderthema te mainstreamen, hebben weinig zoden aan de dijk gezet. In veel sectoren is gender amper beklijfd. Het ministerie is drie jaar geleden te vroeg geweest met het afschaffen van flankerend beleid op dit terrein. Dit blijft gewoon nodig.'

Het volledige rapport kunt u lezen in het onderstaande document. Meer informatie over de TMF-evaluatie vindt u hier.



Reacties