Terugkeer naar het ruziedorp

01-07-2005
Door: Tekst: Jos van Beurden


'Jhagrapur' is een gefingeerde naam en betekent letterlijk 'Ruziedorp'. Begin jaren zeventig lag het plaatsje heel geïsoleerd. In de regentijd was het anderhalf uur lopen naar de dichtstbijzijnde begaanbare weg. Bangladesh was net onafhankelijk en werd geteisterd door hongersnoden, falend bestuur en corruptie. Op een dag bezorgde een regeringsvertegenwoordiger acht zakken tarwe in het dorp. Ze waren bestemd voor de armen. Het enige gemeenteraadslid, een welgestelde boer, legde echter meteen beslag op de zakken en verkocht ze enkele dagen later op de markt, vijf kilometer verderop.

Er heerste in die jaren veel geweld. Dat mannen vrouwen sloegen of mishandelden, was nauwelijks onderwerp van gesprek, maar bloedige botsingen om de allerkleinste stukjes grond waren dat wel. Meestal ging het om ruzies tussen geldschieters en arme boeren over land dat als onderpand diende.
Als ik het dorp nu binnenkom, vallen twee dingen op. Ten eerste ligt het niet langer geïsoleerd. Over de - vroeger in de regentijd onbegaanbare - paadjes ligt een laag asfalt. Er rijden brommers. Ik zie auto's. Fietskarren, vroeger afwezig, komen snel vooruit; ze hebben het transport van rijst, jute, tabak en andere producten gedeeltelijk van de ossenwagens overgenomen. De tweede verandering is de manier waarop ik tegemoet word getreden door vrouwen. Vroeger leidden de meeste vrouwen een teruggetrokken bestaan en bleven ze binnen de afbakening van hun erf. Nu lopen ze op me af, zoeken oogcontact en bombarderen me met vragen.

Ondenkbaar

Aan de rand van het dorp ligt een betonnen rijstwerkplaats met enkele ovens, waar geoogste rijst wordt gewassen, gekookt en gedroogd alvorens naar de molen te gaan. De werkplaats is van de familie van Kedu, de grootste grondeigenaar in het dorp. Kedu zelf is voorzitter van het gemeenbestuur. Kedu Bhai, zoals zijn broer bekend staat, houdt toezicht op al het landbouwwerk. 'Wij oogsten twee keer per jaar. Per oogst halen we meer op dan vroeger. De pompen die we gebruiken, hebben we helemaal zelf betaald.'

Kedu Bhai heeft vier arbeidsters in dienst. Vrouwen die zo in het zicht werk verrichten, dat was vroeger ondenkbaar. Nu zie je ze overal. Het dagloon varieert volgens Kedu Bhai van veertig tot honderd taka, voldoende voor de aanschaf van twee tot vijf kilo gepelde rijst. Ter vergelijking: in de jaren zeventig was het dagloon soms niet eens voldoende voor een half pond rijst. De vrouwen die voor Kedu Bhai werken, zeggen vijfhonderd taka per maand te verdienen, plus kleding, kost en inwoning.

Gevraagd naar wat het meest heeft bijgedragen aan zijn welvaart, antwoordt Kedu Bhai: 'De irrigatie. Die heeft vanaf de jaren tachtig een hogere rijstproductie mogelijk gemaakt.' Ook de efficiëntere distributie van zaaigoed en kunstmest door de regering heeft geholpen. Bovendien, zo heb ik in Dhaka geleerd, is sinds enkele jaren de handel in rijst, zaaigoed en kunstmest geprivatiseerd. De regering blijft echter wel in de gaten houden of er tekorten dreigen. Is dat het geval, dan wordt er rijst of kunstmest uit bijvoorbeeld India of Vietnam aangevoerd.

Machtigste man

Uzzol is een middenboer in Jhagrapur. Zijn overgrootvader was de machtigste man van het dorp, maar omdat de grond steeds verder werd opgedeeld onder zijn nakomelingen, bezit Uzzol net voldoende land om rijst en groente voor zijn familie te verbouwen en wat over te houden voor verkoop op de markt. Zijn familie heeft daarnaast een visvijver en het nodige huisvee. Als ik hem vraag of hij weleens gebruikmaakt van een microkrediet, heb ik al tientallen dorpelingen gesproken die dat doen. De Grameen Bank en enkele andere ngo's verzorgen microkredietprogramma's in Jhagrapur.

Uzzol leent wel, maar ziet niets in microkredieten. Hij vindt de bedragen te gering en de last van de wekelijkse afbetaling te zwaar. Op zijn erf zijn werklui bezig een pomp te plaatsen ('Nee, we hebben hier gelukkig geen last van arsenicum in het grondwater') en een nieuwe badkamer en wc te bouwen. Hij heeft daarvoor bij een commerciële bank geleend. Uzzol: 'Daar bepaal ik zelf wanneer ik terugbetaal. Meestal is dat na een oogst.' De bank weet hoeveel grond Uzzol bezit, en dus ook dat er altijd iets is te halen.

Weinig om het lijf

Een van de werkmannen heeft drie zonen. Zijn vrouw heeft net zevenduizend taka van de Grameen Bank geleend. Daarmee wil hij een paar geitjes kopen. Zij zorgt dat ze groot worden, hij verkoopt ze dan weer op de markt. Doorgaans levert dat een flinke winst op. Twee jaar geleden leende zijn vrouw vijfduizend taka. Daarvan heeft hij toen twee jonge koeien gekocht. Na ruim een jaar verkochten ze die voor tienduizend taka per stuk. Iets verderop vertelt een vrouw drieduizend taka te hebben geleend voor groentekweek. Zij helpt haar man bij het werk op het land, hij verkoopt de oogst op een naburige markt. Bij elkaar maken enkele honderden vrouwen in het dorp gebruik van microkredieten. Volgens de vrouwen heeft deze manier van financieren voor veel verbeteringen gezorgd. 'Er is meer te eten', zegt de groentevrouw. 'We kunnen soms de dokter betalen. Onze kinderen gaan naar school.'

Die van haar zijn eerst een paar jaar naar een BRAC-school geweest, waar informeel, laagdrempelig onderwijs wordt gegeven voor arme mensen, en vervolgens doorgestroomd naar de openbare dorpsschool. Zowel de dagloner als de groentevrouw zijn lid van een microkredietgroep, maar dat heeft volgens beiden weinig om het lijf: 'Elke donderdag komt er iemand van de Grameen Bank naar het dorp om geld te innen, meer gebeurt er niet.'

Wanneer ik een dorpeling vraag naar de plaatselijke activiteiten van de diverse ngo's en de regering, hoor ik meestal dat die in Jhagrapur nauwelijks actief zijn. Dat is niet waar. Wel is het zo dat zij zich weinig laten zien en daarom weinig voelbaar zijn. De regering heeft echter wegen en elektriciteit aangelegd, de aanvoer van zaaigoed en kunstmest verbeterd en gezorgd voor landbouwkundige diensten. UNICEF schonk, alweer jaren geleden, zevenhonderd handpompen. Er is een BRAC-schooltje. Dit is weliswaar al een paar maanden dicht, maar gaat binnenkort weer open. Ook de door een ngo en de regering gezamenlijk georganiseerde gezinsplanning is aangeslagen. Veel vrouwen gebruiken nu de pil of hebben zich laten steriliseren. Mannen doen dat laatste nauwelijks. Ten slotte hebben een paar ngo's een poging gedaan om de organische landbouw te stimuleren en bomen te planten. 'Dat was voor mij aantrekkelijk, want ik kon geen kunstmest betalen', vertelt een kleine boer. 'Maar er was helaas te weinig belangstelling.'

Telefoonkantoor

Abdul Hadi, manager van het regiokantoor van de Grameen Bank, noemt nog enkele activiteiten. Zo heeft de Grameen Bank enkele jaren geleden een 'mobiele telefoonmaatschappij' opgericht, die nu al drie miljoen abonnees heeft. De maatschappij stimuleert arme vrouwen in verafgelegen dorpen om een soort mobiel telefoonkantoor te beginnen. In deze regio gebeurt dat in driehonderd dorpen, onder meer in Jhagrapur. Hadi wijst verder op het Grameen-bedelaarsprogramma en het beurzenprogramma. Op de deelnemerslijsten staat echter niemand uit het dorp. De telefoon vind ik wel (maar naar Nederland bellen lukt niet). Hij wordt bediend door een man. Het bewijst dat vrouwen steeds de ingang zijn voor de microkredietverstrekking en dat de mannen meeprofiteren.

Wildgroei microkrediet

Terwijl het buitenland het in de jaren zeventig in Bangladesh bedachte microkredietmodel bejubelt en de bedenker ervan, Mohammed Yunus, een bijna onaantastbare status toekent, groeit in Bangladesh zelf de kritiek. Het model is bijvoorbeeld ongeschikt voor de allerarmsten: deze missen domweg de middelen om wat dan ook terug te kunnen betalen. Het aantal aanbieders van microkredieten is de laatste jaren zeer snel gestegen, waardoor er vaak moet worden gevochten om klanten. Lang niet alle nieuwe kredietverstrekkers zijn geregistreerd. Sommige dorpelingen nemen een krediet bij een andere ngo om oude leningen af te betalen. Veel mannen oefenen eindeloos druk uit op hun vrouwen om leningen af te sluiten en gebruiken het geld dan niet voor productieve doeleinden maar voor zichzelf of voor een huwelijk of begrafenis. De schuldplichtigheid van sommige mensen dreigt daardoor weer even zwaar te worden als vroeger.

Ook de hulporganisatie Nijera Kori is actief in Jhagrapur. Deze ngo is verantwoordelijk voor een belangrijke vernieuwing: de 'salish'. Dit is een dorpsrechtbank die kleine conflicten rond grond, huiselijk geweld en huwelijksproblemen helpt beslechten. Een salish bestaat altijd uit vier mannen en twee vrouwen, allemaal gekozen. Uzzol over de salish: 'Het is echt een stap vooruit. De salish is er vooral voor de gewone mensen. Uitspraken worden meestal gerespecteerd.' Tegenwoordig functioneert de dorpsrechtbank vrijwel zonder tussenkomst van Nijera Kori. Vroeger, voor de salish, had Jhagrapur een andere rechtbank. De rechters waren machtige mannen. Veel mensen herinneren zich de arme boerenweduwe nog die onverwacht zwanger werd. De dorpsrechters wezen een middenboer aan als de vader van het kind en dwongen hem, ondanks zijn herhaalde ontkenning, haar te trouwen. De man mishandelde zijn nieuwe echtgenote zo zwaar dat zij wegrende en het huwelijk werd ontbonden. De rechters deden verder niets om de echte vader te vinden. Dat was namelijk een van de rechters zelf. 'De kans dat zoiets weer gebeurt, is nu kleiner', zegt Uzzol.

Zelfverzekerder

Het enige wat in Jhagrapur hetzelfde is gebleven, zijn het belabberde bestuur en de corruptie. Een Bengaalse krant berichtte onlangs dat Kedu, de voorzitter van het gemeentebestuur, geld achterover heeft gedrukt. Tijdens de werving van een aantal nieuwe, door de regering toegezegde, leraren had hij aan alle kandidaten drieduizend taka gevraagd, anders geen baan.

Maar uit economisch oogpunt gaat het veel beter dan dertig jaar geleden. Vooral de vrouwen zijn veel zelfverzekerder geworden. De meeste verbeteringen zijn tot stand gekomen door initiatieven van de dorpelingen zelf. De sterke groei van de Bengaalse landbouw en (bijvoorbeeld) de textielsector is grotendeels te danken aan particuliere ondernemingslust. Rijke boeren hebben hierbij wel met de overheid te maken, maar nauwelijks met ngo's. Ook voor middenboeren hebben ontwikkelingsorganisaties slechts in beperkte mate iets te betekenen. Ze spelen vooral een rol in het leven van de armen - en daar ligt ook hun eigenlijke taak.



Reacties