Staat meten gelijk aan weten?

01-01-2007
Door: Tekst: Evert-jan Quak


Over de rol van multinationale ondernemingen in ontwikkelingslanden wordt verschillend gedacht. De een ziet multinationals als motor voor economische ontwikkeling, terwijl anderen de aanwezigheid van multinationals associëren met het in stand houden van lage lonen en het wegvloeien van kapitaal. Beide interpretaties zijn volgens Thierry Sanders, coördinator van het programma Business in Development van de NCDO, 'twee zijden van dezelfde munt'. 'De uitdaging is nu om die twee inzichten bij elkaar te brengen.'

 

Meten

De NCDO is die uitdaging samen met Heineken aangegaan. Samen lieten ze het Economic Impact Assessment Model ontwikkelen, dat eenvoudig de economische invloed van buitenlandse investeringen op een samenleving meet. Het model is toegepast op Sierra Leone Brewery Limited, de Heinekenbrouwerij in Sierra Leone. Uit het onderzoek blijkt dat elke dollar die de brouwerij in het West-Afrikaanse land uitgeeft een kasstroom oplevert die vijfmaal groter is. Het geld wordt door de ontvangers namelijk steeds weer herbesteed, het zogenaamde multipliereffect. Voor de werkgelegenheid geldt hetzelfde. Elke baan binnen de brouwerij levert elders veertig banen op. Acht in de agrarische sector en 32 in de distributiesector. Het multipliereffect van de belastingen is daarentegen in het model bewust laag gehouden, omdat Sierra Leone Brewery Limited volgens de onderzoekers een van de weinige belastingbetalers is, en de effectiviteit van de overheidsbestedingen in Sierra Leone onbekend is.

Interessant aan het model is, dat het onderscheid maakt tussen 'non-poor', 'poor' en 'food poor' huishoudens. Door de aanwezigheid van de brouwerij profiteren alle drie typen huishoudens. De niet-arme huishoudens profiteren het meest, maar - zo stelt het onderzoek - ook komen enkele miljoenen dollars ten goede aan de arme en allerarmste huishoudens. Het netto-effect blijft echter dat de inkomensongelijkheid door de aanwezigheid van Heineken toeneemt.

Vervolgens is gekeken naar het effect op de drie typen huishoudens als Heineken lokaal geproduceerde gerstemout inkoopt in plaats van deze te importeren. Dan blijkt dat 210.000 dollar aan lokale inkopen een indirect effect creëert van bijna een miljoen dollar, waarvan 630.000 dollar ten goede komt aan huishoudens. De kasstroom naar de niet-arme huishoudens neemt toe met zes procent, naar de arme huishoudens met elf procent en naar de allerarmste huishoudens met 2,5 procent.

 

Betrouwbaarheid

De cijfers klinken mooi. Maar hoe betrouwbaar zijn metingen als het gaat om zo'n complex vraagstuk? In het model is bewust gekozen voor economische indicatoren die eenvoudig meetbaar zijn, zoals uitgaven, inkomsten en werkgelegenheid, maar niet voor bijvoorbeeld scholing en milieu, die zich moeilijker laten kwantificeren. Sanders: 'Het model is nog niet toereikend. Maar ik waak over de eenvoud ervan. Ik ben tegen een holistisch model met daarin vele sociale componenten.'

Johan Verburg van Oxfam Novib is het met Sanders eens dat het onbegonnen werk is om alle omgevingseffecten in een model te stoppen. Wel heeft hij kritiek op de eendimensionale benadering van armoede. 'In het model doe je het goed als het inkomen van de huishoudens groeit. Maar het is te beperkt om armoede te reduceren tot een inkomensprobleem.'

 

Francis Weyzig doet voor SOMO onderzoek naar multinationale ondernemingen. 'Als uit het Heinekenmodel blijkt dat de allerarmsten profiteren van de aanwezigheid van de multinational, dan is het verhaal niet af. Want in het model kunnen de "food poor" huishoudens ook profiteren als het bedrijf onder het minimumloon betaalt. Dat mag natuurlijk niet de bedoeling zijn.' Toch is er volgens de SOMO-onderzoeker een 'stap voorwaarts' gemaakt, omdat het model is gericht op de 'core business' van multinationals. 'Het gaat er niet om hoeveel procent je weggeeft aan goede doelen, maar om wat er in de dagelijkse bedrijfsvoering werkelijk gebeurt aan duurzaamheid.'

 

In de ontwikkelingssector wordt veel gemeten. Het model dat de NCDO en Heineken hebben ontwikkeld, staat dan ook niet op zichzelf. Oxfam Novib kwam een jaar eerder dan de NCDO met een soortgelijke studie die de impact van Unilever in Indonesië analyseerde. 'Voor ons was het een eye-opener dat de meeste jobs worden ondersteund aan de verkoopkant. Dus de ijsverkopers en de vrouwen die op het platteland Unileverproducten verkopen', zegt Verburg. 'Dit is interessant, omdat wij ons als ontwikkelingsorganisatie voornamelijk richten op de producentenkant - het effect op de kleine boer. De studie toont aan dat het goed is ook rekening te houden met de andere kant van de keten.'

Toch valt de toegevoegde waarde van de aanwezigheid van Unilever voor de armen laag uit. Verburg: 'Het Unileverconcern trekt in Indonesië het grootste deel van de toegevoegde waarde van de hele keten naar zich toe. Aan de verkoopzijde en de producentenzijde is de toegevoegde waarde veel minder, wat betekent dat werken binnen de Unileverketen weinig groeimogelijkheden biedt.'

Unieke situatie

Uniek is dat multinationals samenwerken met ontwikkelingsorganisaties en zelfs zo ver gaan dat ze hun boekhouding openen om er onderzoek op uit te laten voeren. Waarom zou een multinational dat doen? Mark van Rijn was namens Heineken nauw betrokken bij de ontwikkeling van het Economic Impact Assessment Model. 'Als multinationale onderneming zijn wij ons ervan bewust dat wij door een deel van de samenleving worden gezien als paria's die aan toch al arme landen de schaarse financiële middelen onttrekken. Via deze studie hebben we inzicht willen geven in de rol die de private sector werkelijk speelt in de samenlevingen waarin zij opereert. En we wilden zelf inzicht krijgen in waar de economische effecten van ons ondernemen zich voordoen, zodat wij deze verder kunnen optimaliseren. Immers, als lokale economische operator hebben ook wij baat bij een goede en duurzame economische ontwikkeling in de landen waarin wij opereren.'

De bijdrage van enkele ontwikkelingsorganisaties in een expertpanel was noodzakelijk om de onderzoekers scherp te houden. Grote zorg van Van Rijn was dat er uit de ontwikkelingshoek te veel aangedrongen zou worden om data in het model op te nemen die slechts arbitrair financieel te waarderen zijn. Hij geeft een voorbeeld. 'Wij gebruiken voor onze brouwerij water. Daar betalen wij voor en die betaling is onderdeel van onze impact. Nu kun je stellen dat Heineken door de wateronttrekking bijdraagt aan de verdrogingsproblematiek. Die impact is niet objectief te berekenen. Je moet deze daarom niet in een dergelijk model trachten te stoppen. Over waterverbruik en -bronnen en over activiteiten die wij uitvoeren om tot duurzamer processen te komen, rapporteren wij separaat in ons Duurzaamheidsverslag.'

 

SOMO-onderzoeker Weyzig vindt het 'interessant' dat er bij zowel multinationals als non-gouvernementele organisaties animo is om dichter tot elkaar te komen. Toch moet volgens hem de ontwikkelingssector bij het meten van bedrijfsgegevens goed weten waar ze mee bezig is. 'Veel bedrijven voelen van tevoren aan of zo'n model positief voor ze uitpakt. Dan wordt het al snel als pr-stunt gebruikt.' Van Heineken denkt hij overigens dat het bedrijf oprecht is geïnteresseerd in de ontwikkeling van zo'n model. Blijft de vraag waarom OS-organisaties willen meedoen aan het creëren van een managementinstrument voor multinationale ondernemingen. Verburg (Oxfam Novib): 'Ik zie geen probleem in het feit dat wij meewerken aan het opzetten van managementinstrumenten, omdat het hier niet alleen gaat om puur bedrijfseconomische waarden. Wij helpen het bedrijfsleven beter inzicht te krijgen in de omgeving waarin ondernemingen opereren. Ons doel is het beïnvloeden van het bedrijfsmanagement ten gunste van een "pro-poor"-beleid.' Verder vindt hij dat de behoefte aan meetbaarheid groot is. 'De Wereldbank kan nu met haar eigen modellen vraagtekens zetten bij de schadelijke effecten die grote mijnbouwactiviteiten hebben op armoede. Door het ontwikkelen van onze eigen meetmethodes kunnen we de modellen van de Wereldbank in twijfel trekken.'

 

Is het de bedoeling dat elke multinational in samenwerking met een non-gouvernementele organisatie zijn eigen model ontwikkelt? Sanders van de NCDO: 'Ik hoop dat ons model over twee jaar de standaard wordt voor andere buitenlandse investeerders in ontwikkelingslanden. We gaan het bestaande model verfijnen. Het zou mooi zijn als we het Heinekenmodel en het Unilevermodel kunnen samenvoegen tot een model waarin zowel de economische impact voor de regio, als de invloed op armoede wordt gemeten.'

Weyzig ziet niets in het streven van de NCDO naar een standaardmodel. 'Ik geloof meer in een aantal losse modules, die ook de invloed op het milieu, het lokale midden- en kleinbedrijf, de consumptie en de stabiliteit van de werkgelegenheid kunnen meten als dat relevant is voor een bepaalde sector. Een onderzoek naar Shell in Nigeria is bijvoorbeeld pas echt interessant als je ook de gezondheidseffecten plus alle betalingen aan de overheid en de bestedingen daarvan kunt meenemen. Als Shell in Nigeria de boeken serieus opent, dan heb je echt een vervolgstap gezet.' Verburg onderschrijft dat. 'In Nigeria kunnen we onderzoeken hoe waardevol het model is voor verschillende sectoren door het toe te passen op bijvoorbeeld Shell, Unilever, BAM en Heineken.'

Sanders hoopt het model de komende tijd inderdaad zo aan te passen dat het effectiever kan worden gebruikt voor verschillende sectoren. Uitbreiding van het onderzoek met andere multinationals heeft voor de NCDO op dit moment dan ook prioriteit. Maar Sanders denkt al verder dan dat. 'Uiteindelijk moet het mogelijk worden met een eenvoudige rekensom inzichtelijk te maken hoe het schaarse ontwikkelingsgeld het best kan worden ingezet voor "pro-poor"-ontwikkeling: via het bedrijfsleven, via de nationale overheid of via projecten van non-gouvernementele organisaties.'

Dit laatste is volgens Verburg niet reëel. 'De NCDO focust veel op het bedrijfsleven. Dat is goed voor de discussie en zeker niet verwerpelijk, maar je gaat te ver als je de effectiviteit van investeringen door overheid, bedrijven en ngo's wilt vergelijken.' Weyzig snapt de ambitie van de NCDO evenmin. 'Democratie, scholing, gezondheidszorg en economische ontwikkeling - we streven meerdere ontwikkelingsdoelen na en daar heb je verschillende instrumenten voor nodig. Ik vraag me überhaupt af of de NCDO niet te veel vraagt van het model. Het is een managementinstrument dat eigenlijk alleen geschikt is om de economische invloed in de bedrijfsvoering te meten. Het is niet betrouwbaar genoeg om bedrijven met elkaar te vergelijken. Om over projecten van ngo's en overheden nog maar te zwijgen.'



Reacties