Slachtoffers van internationale misdrijven in Nederland vallen vaak buiten de boot

13-02-2015 Bron: OneWorld
Onderzoek – 

Elk jaar raakt een aantal slachtoffers van internationale misdrijven (waaronder genocide) verwikkeld in Nederlandse strafzaken. Tijdens een stage bij het Landelijk Parket in Rotterdam onderzocht Sylvia Hazenbroek de positie van deze groep slachtoffers en schreef een scriptie over haar bevindingen. Het blijkt dat hun positie achterblijft ten opzichte van die andere slachtoffers in Nederland, omdat het systeem niet goed op hen is toegerust.

Internationale misdrijven (IM) die voor het Internationaal Strafhof in Den Haag komen, krijgen relatief gezien veel belangstelling. Denk bijvoorbeeld aan de zaak tegen LRA-commandant Ongwen die zich onlangs overgaf in de Centraal-Afrikaanse Republiek en verdacht wordt van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Waar echter maar weinig mensen zich van bewust zijn, is dat er ook via het Nederlandse strafrechtsysteem IM-zaken worden behandeld; verdachten worden berecht volgens het Nederlandse recht in Nederlandse rechtbanken. Hoewel het een klein aantal strafvervolgingen betreft, vormen deze zaken een grote uitdaging voor het cluster Internationale Misdrijven van het Landelijk Parket.

Nederlandse IM-zaken
Wereldwijd worden internationale misdrijven gezien als de ernstigste misdaden die het internationale recht kent. In Nederland verwijst deze term doorgaans naar een vijftal misdaden: genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering en gedwongen verdwijningen. In enkele gevallen komt het voor dat verdachten van zulke delicten voor de Nederlandse rechter moeten verschijnen. Dit terwijl de misdrijven zelf buiten Nederland plaatsvonden. Dat kan bijvoorbeeld wanneer een Nederlander zich schuldig maakt aan één of meerdere van deze delicten in het buitenland. Maar ook als een buitenlandse misdadiger in Nederland asiel aanvraagt en hier later opgepakt wordt op verdenking van het plegen van zulke misdrijven elders.

Zo is het voorgekomen dat Congolese slachtoffers van marteling jaren nadat zij naar Nederland vluchtten, in Nederland met een Congolese misdadiger werden geconfronteerd. 

Sinds 2002 heeft het Openbaar Ministerie verschillende strafzaken behandeld die betrekking hebben op internationale misdrijven gepleegd in Afghanistan, de Democratische Republiek Congo, Irak, Liberia, Rwanda en Sri Lanka.

Slachtoffers in Nederlandse IM-zaken
Slachtoffers die betrokken zijn bij deze Nederlandse IM-zaken hebben in feite dezelfde rechten als slachtoffers van ‘conventionele’ ernstige delicten in Nederland. Zo hebben zij onder andere het recht op informatie over de procedure en hun eigen rechten, op rechtsbijstand, om te spreken tijdens de zitting en om compensatie te eisen en te ontvangen. Slachtoffers kunnen dan ook actief deelnemen aan strafzaken; bijvoorbeeld als getuige, benadeelde partij en spreekrechtgebruiker. De rechten en voorzieningen sluiten in de praktijk echter maar moeilijk aan bij de behoeften van deze slachtoffers. Dit komt omdat de bestaande regelingen over het algemeen zijn ingericht om met slachtoffers van ‘conventionele’ misdrijven om te gaan. Het Landelijk Parket en de slachtoffers zelf lopen hierdoor tegen verschillende problemen aan. Zo is het in de praktijk bijvoorbeeld  lastig om te bepalen welke slachtoffers zij kunnen informeren over de procedures; bij internationale misdrijven zijn vaak grotere groepen slachtoffers betrokken die in veel gevallen in het buitenland wonen.

Hoe bereik je slachtoffers die bijvoorbeeld in een afgelegen deel van Afghanistan of Rwanda wonen, zonder de veiligheid van de betrokkenen in gevaar te brengen? 

Een ander probleem is dat het voor slachtoffers vaak onmogelijk lijkt om compensatie te ontvangen via het Nederlandse strafrecht. In de zaak tegen de Rwandees Joseph M. kregen de slachtoffers Jacqueline en Wolfgang Blam beiden een schadevergoeding van €680,67 toegekend door de rechter. De inning van dit bedrag blijkt in de praktijk erg moeilijk omdat hun dader levenslang in de gevangenis zit en geen duidelijke bezittingen heeft. En zo beschrijf ik in de scriptie nog een aantal andere problemen op victimologisch, juridisch en praktisch niveau.

Aanbevelingen
De meeste problemen die bij IM zaken naar voren komen zijn echter niet onoverkomelijk. Het zijn wel problemen die meer aandacht verdienen  en die aangepakt moeten worden om te voldoen aan verplichtingen die op Europees niveau zijn vastgelegd. Niet alleen door het Landelijk Parket, maar bijvoorbeeld ook door beleidsmakers. Op het gebied van compensatie, kan bijvoorbeeld  van de aanpak van het Internationaal Strafhof en het Trust Fund for Victims worden geleerd. Tot slot is  het belangrijk om beter na te denken over wat het Nederlandse slachtofferbeleid en regelgeving realistisch gezien voor deze groep slachtoffers kan betekenen. 

Sylvia Hazenbroek

Sylvia Hazenbroek behaalde onlangs haar diploma’s voor de LLM Research Master...

Lees meer van deze auteur >

Reacties