Relatie tussen bedrijfsleven en ontwikkelingssamenwerking beoordeeld

01-01-2007
Door: Tekst: Administrator User


In oktober 2006 kwam de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) op verzoek van de minister met een evaluatie over private sectorontwikkeling en armoedebestrijding. Centraal hierin stond de vraag hoe private sectorontwikkeling in ontwikkelingslanden kan leiden tot economische groei die een maximale bijdrage levert aan armoedebestrijding. Ook formuleerde het rapport een reeks aandachtspunten voor het Nederlandse beleidsinstrumentarium.

Een maand later leverden Berenschot, SEOS en ECOLAS een studie af naar effect en impact van het ORET/MILIEV-programma, het subsidieprogramma gericht op het stimuleren van de Nederlandse export, en het bevorderen van de werkgelegenheid en een gunstig zakelijk klimaat in ontwikkelingslanden.

Onafhankelijk van elkaar komen beide studies tot eenzelfde dringende aanbeveling: stop de versnippering. De ORET/MILIEV-evaluatie bepleit een strategische keuze voor klanten en leveranciers in bepaalde landen en sectoren om de duurzame handelsrelaties te verbeteren. En de AIV pleit voor een centrale aansturing vanuit DGIS, omdat de verschillende programma´s en strategieën nu veel te los van elkaar staan.

Veranderde doelstelling

De voornaamste conclusies over het ORET/MILIEV-programma zijn daarnaast dat het programma weliswaar efficiënt werkt, maar slechts in de helft van de bestudeerde transacties effectief is. Dat zijn dus veel goede processen met een mager resultaat.

Het zakelijk klimaat in ontwikkelingslanden vaart in driekwart van de gevallen wel bij de transacties met Nederland, maar slechts in een kwart van de gevallen krijgen Nederlandse leveranciers vervolgopdrachten uit de eerste ORET/MILIEV-projecten. Het effect op de langdurige handelsbetrekkingen is daarmee laag. De technische en institutionele duurzaamheid ligt duidelijk hoger dan de financiële - niet vreemd voor een programma dat zich in principe richt op niet-commerciële investeringen.

In 2006 is de doelstelling van het programma gewijzigd. Het draait nu om duurzame economische ontwikkeling en de verbetering van het zakelijk klimaat in ontwikkelingslanden. Het programma is daarmee veel losser komen te staan van het Nederlandse economisch belang. Dus natuurlijk is een van de aanbevelingen voor de toekomst om de instrumenten aan te passen aan de nieuwe doelstelling. Die zou zich volgens de evaluatie meer moeten richten op duurzame partnerschappen met klanten in ontwikkelingslanden, via bijvoorbeeld 'twinning agreements'.

Daarnaast moeten goedkeuringsprocedures worden verbeterd en financieringsmechanismen efficiënter worden gemaakt - het kan niet de bedoeling van het programma zijn dat een klant een product in Nederland aanschaft terwijl lokaal dezelfde kwaliteit goedkoper is te krijgen. Betere monitoring en evaluatie - een van de aanbevelingen - zou dit in de toekomst moeten voorkomen.

Formeel en informeel

Dan het AIV-rapport. De kernvraag van de minister aan de AIV is: op welke wijze kan private sectorontwikkeling leiden tot economische groei die maximaal bijdraagt aan armoedebestrijding? Daarbij is het handig te weten dat de AIV een brede definitie hanteert van het begrip 'private sector'.

 

Het gaat ze niet alleen om het bedrijfsleven, van multinational tot eenmanszaakje, maar ook om de informele economie. De riksja-mannen, arme boeren, seizoensarbeiders en schoenpoetsers horen er dus ook bij. Die informele sector is uiteraard veel groter dan de formele en bevat bijna alle werkende armen in ontwikkelingslanden. Bovendien komt een aanzienlijk deel van het Bruto Binnenlands Product ervandaan. Het rapport zegt interessante dingen over de samenhang tussen formele en informele economie, en over de prioriteiten in het beleid die moeten leiden tot een betere positie van de miljoenen armen die werken in de informele sector.

Daarnaast zijn er heldere antwoorden op de vraag of het mogelijk is de 'private-sectorontwikkeling van overheidswege zodanig te stimuleren dat de bijdrage aan armoedebestrijding wordt gemaximaliseerd' (ja, en er zit uitleg bij) en op de vraag of het zin heeft 'om maatregelen te treffen die voor bepaalde sectoren of bedrijven, zoals midden- en kleinbedrijf, meer specifiek van belang zijn' (nee, want dat verstoort de markt).

Wel pleit het rapport voor versnelde en/of extra aandacht en hulpmiddelen voor markten, sectoren en regio's waarin zich veel armen bevinden. Dan gaat het om investeringen in infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg, om het stimuleren van toegang tot de formele economie en om investeringen in financiële diensten. En wat we volgens de AIV vooral niet moeten doen, is het geven van steun aan individuele activiteiten, bedrijven of groepen van bedrijven. Want dat werkt meestal contraproductief. Maar was dat nu niet net wat het ORET/MILIEV-programma deed...?



Reacties