Regering beslist over voortzetting duurzaamheidsverdragen

11-05-2001
Door: OneWorld Redactie
Bron: onzeWereld

De duurzaamheidsverdragen met Benin, Bhutan en Costa Rica zouden een nieuw partnerschap voor samenwerking tussen rijke en arme landen op het vlak van milieu en ontwikkelingshulp betekenen. Toenmalig Minister van ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk kreeg het idee in 1992 tijdens de mondiale milieuconferentie in Rio.

Het plan was om tegelijk in Nederland én in het buitenland te werken aan een duurzaam milieu. Maar vanaf het begin was er verwarring over de wijze waarop. De verdragstekst spreekt van een ‘nieuw patroon van relaties, gebaseerd op participatie, gelijkwaardigheid en wederkerigheid’. De neo-koloniale verhouding tussen het donorland en ontvangende land zou hiermee ook opgeheven worden.

Na vijf jaar bleek dit bitter tegen te vallen. Een maand geleden luidde het harde oordeel van een internationale evaluatiecommissie over de duurzaamheidsverdragen: ‘De bijdrage aan duurzame ontwikkeling in de vier betrokken landen is verwaarloosbaar.’

De rapporteurs stelden 'politieke desinteresse' vast, mede gevoed door het feit dat het parlement de verdragen uitkleedde. Het werd ondenkbaar gevonden dat bijvoorbeeld Bhutan serieus invloed zou krijgen op het Nederlandse milieubeleid. ‘De verdragen raakten politiek verweesd,’ concludeerde de evaluatie.

Eco-operation, de organisatie die in Nederland belast is met uitvoering van de verdragen, schreef zelf dat er sprake was van 'een weeffout': 'De regels en procedures van ontwikkelingssamenwerking, de eenrichtingsweg, werden teveel toegepast op verdragen die een tweerichtingsweg beogen.'

De verdragen werden dus aangestuurd door het ministerie van Herfkens volgens het traditionele recept van ontwikkelingssamenwerking. 138 Van de 152 miljoen gulden die de afgelopen vijf jaar zijn besteed gingen naar traditionele ontwikkelingsprojecten. Een kleine 13 miljoen gulden werd uitgegeven aan vernieuwende projecten.

Herman Verheij van Eco-operation reageerde in onzeWereld: ‘De start is inderdaad ongelukkig geweest. En het was een experiment. Maar de conclusie van de evaluatie is toch wel dat de verdragen waardevol zijn. Alleen de invulling en de randvoorwaarden moeten beter. Dat vinden wij ook.’

Minister Herfkens ging in New York praten met de betrokken landen om een aanpassing van de verdragen te kunnen voorstellen. Uit uitgebreid onderzoek van de Katholieke Universiteit Nijmegen, onder leiding van Paul Hoebink, in de landen Mali, Benin, Costa Rica en Nicaragua blijkt dat er sprake is van een grote kenniskloof tussen donorlanden en ontvangende landen.

Het deze week gepubliceerde onderzoek stelt dat het begrip 'ownership', landen als eigenaar van de eigen ontwikkeling, in de praktijk een loos begrip is. Er is weinig coordinatie in de hulpstromen vanuit de rijke landen en de procedures die daarbij worden gevolgd. Er is weinig vernieuwing in de ontwikkelingssamenwerking, concludeert Hoebink. Het is koren op de molen van Herfkens. Zij wil onder andere meer invloed van de ontwikkelingslanden, met daar aan gekoppeld ook meer wederzijdse verplichtingen voor zowel donor als ontvanger.

Eco-operation stelde deze week zelf een aantal wijzigingen voor om de verdragen nog eens kans te geven. De politieke aansturing moet niet langer bij Ontwikkelingssamenwerking liggen. De verdragen moeten worden gekoppeld aan de Nationale Strategie voor Duurzame Ontwikkeling, waardoor Pronk als minister van Vrom 'zijn' verdragen weer op zijn bord zou krijgen. Wel moeten meerdere ministeries de verdragen helpen financieren.

Eco-operation wil verder dat er een kanaal komt voor betalingen van Nederland aan partnerlanden en dat de 'beleidsdialoog bepalend is voor de keuze van sectoren en projecten waar het geld wordt besteed.'

Tot slot bepleit de organisatie een nieuw duurzaamheidsverdrag met Zuid-Afrika om de 'benaderingswijze te verbreden'.

Eco-operation:

Reacties