Pronks duurzaamheidsverdragen totaal mislukt

28-03-2001
Door: OneWorld Redactie
Bron: onzeWereld/Jeroen van Dommelen

‘De bijdrage aan duurzame ontwikkeling in de vier betrokken landen is verwaarloosbaar.’ Dat is de harde conclusie die een internationale evaluatiecommissie trekt over de duurzaamheidsverdragen die Nederland op voorspraak van minister Jan Pronk sloot met Benin, Bhutan en Costa Rica.

Vijf jaar geleden, toen het parlement de verdragen na veel gesputter ratificeerde, bedong het deze evaluatie. Op basis van dit rapport, dat 1 april officieel verschijnt, besluiten het Kabinet en de Tweede Kamer over het al of niet voortbestaan van de duurzaamheidsverdragen.

Het is zo’n rapport waar een mens niet vrolijk van wordt: eigenlijk zijn de verdragen totaal mislukt.

Tegelijk in Nederland én in het buitenland werken aan een duurzaam milieu, dat was het idee. Maar vanaf dag één was er vooral verwarring over de manier waarop. De verdragstekst spreekt van een ‘nieuw patroon van relaties, gebaseerd op participatie, gelijkwaardigheid en wederkerigheid’.

Daardoor zou de traditionele, ongelijkwaardige hulp (met een donor en een ontvanger) nu eindelijk eens doorbroken worden.

Dat is dus niet gelukt, aldus de evaluatie. De rapporteurs hebben daar een paar verklaringen voor. Het hoofdprobleem is het wegvallen van de politieke rugdekking. Met name minister Pronk, toenmalig minister van Ontwikkelingssamenwerking, krijgt een veeg uit de pan.

Hoewel hij de grote initiator van de verdragen was, geloofde hij er zelfs vóór het debat in het parlement al niet meer in. Hij ‘lijkt de belangstelling te hebben verloren of gedesïllusioneerd geraakt te zijn,’ stelt de commissie vast.

Politiek verweesd
Die desinteresse werd nog eens gevoed doordat het parlement de verdragen uitkleedde; het kon natuurlijk niet zo zijn dat bijvoorbeeld Bhutan serieus invloed zou krijgen op het Nederlandse milieubeleid. Zo werd het revolutionaire van de verdragen onmiddellijk in de kiem gesmoord. ‘De verdragen raakten politiek verweesd,’ concludeert de evaluatie.

Daarnaast noemt de commissie het ‘een vergissing’ dat de uitvoering van de verdragen werd aangestuurd door het Directoraat-Generaal voor Internationale Samenwerking (DGIS). Hierdoor lukte het niet om los te komen van de traditionele manier van ontwikkelingssamenwerking en om nieuwe regels en procedures te ontwikkelen. 138 Van de 152 miljoen gulden die de afgelopen vijf jaar zijn besteed gingen naar traditionele ontwikkelingsprojecten. Slechts een kleine 13 miljoen gulden werd uitgegeven aan potentieel vernieuwende projecten.

Hoe nu verder? De commissie stelt vast dat het mogelijk is de samenwerking met de verdragslanden onder te brengen in het reguliere Nederlandse ontwikkelingsbeleid.

Benin kan toegevoegd worden aan het lijstje concentratielanden van minister Herfkens. Bhutan kan worden opgenomen in het lijstje landen waar Nederland actief is op het terrein van mensenrechten en goed bestuur, en Costa Rica kan in de ‘milieugroep’ worden ondergebracht.

Toch vindt de commissie dit geen goed idee. De gedachte achter de verdragen – het ondersteunen van nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling – verdient een nieuwe kans. Voorwaarde is dan wel dat de aansturing door meerdere ministeries gebeurt en wordt weggehaald bij DGIS.

Herman Verheij van Eco-operation, de organisatie die in Nederland belast is met uitvoering van de verdragen, laat de moed dan ook nog niet zakken. ‘De start is inderdaad ongelukkig geweest. En het was een experiment. Maar de conclusie van de evaluatie is toch wel dat de verdragen waardevol zijn. Alleen de invulling en de randvoorwaarden moeten beter. Dat vinden wij ook.’

Volgens Verheij leeft inmiddels in Nederland het besef dat duurzaamheid een vast onderdeel van het beleid moet worden breder dan eerst. Als die tendens zich doorzet, zijn er misschien toch nog kansen voor de duurzaamheidsverdragen. Het is de vraag of minister Herfkens en de Tweede kamer er ook zo over denken.

Website van Ecooperation

Reacties