Advertentie

Flag-Banner_B

Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Schrijver en avonturier Ton van der Lee is ervan overtuigd dat duizenden kleine, goed doordachte en op maat vormgegeven projecten vele malen effectiever zijn dan enkele grote programma’s. De ontwikkelingsorganisatie van de toekomst moet inzetten op maatwerk.

Drie jaar geleden begon ik op eigen initiatief een klein ontwikkelingsproject in Mali. Het ging om Sanouna, een vissersdorp aan de Banirivier met driehonderd inwoners waar ik enkele jaren vlakbij had gewoond. Ik kende de bewoners van het dorp en hun cultuur goed.
In de jaren dat ik op enkele honderden meters van het dorp woonde ging het formaat van de gevangen vissen sterk achteruit. Eerst waren ze nog zo groot als een onderarm maar uiteindelijk niet groter dan een vinger. Overbevissing was de oorzaak. De bevolking van de 600 kilometer verderop gelegen hoofdstad Bamako was snel gegroeid en ondernemers waren begonnen, koelwagens over de verbeterde wegen naar de vissersdorpen aan de Bani te sturen. Een eeuwenoud evenwicht werd verstoord. De vissers begonnen meer te vangen dan ze zelf nodig hadden en de vis kreeg de tijd niet meer om volwassen te worden en te paaien. De kinderen van Sanouna raakten ondervoed en ook de volwassenen hadden te weinig te eten.
Ik ging met de pet rond in mijn eigen omgeving en wist enkele tienduizenden euro’s bij elkaar te praten. Met drie medestanders richtte ik een stichting op en zo gingen we aan de slag. Nu, drie jaar later, staat er een ‘activiteitencentrum’ in Sanouna en krijgen de kinderen drie gratis maaltijden per week. Ook hebben we een viskwekerij en een grote moestuin aangelegd en twee gastenkamers voor toeristen gebouwd. Inmiddels verdient het project een flink deel van de lopende kosten zelf terug en over twee jaar hoopt de stichting zich helemaal terug te trekken. Het dorp zal dan weer zelfvoorzienend zijn, net als voor de komst van de koelwagens, en op nieuwe manieren geld kunnen verdienen.

Vier voorwaarden voor succes
Het bovenstaande verhaal bevat alle elementen die naar mijn mening nodig zijn om kleinschalige ontwikkelingssamenwerking succesvol te laten verlopen. De vier belangrijkste zou ik als volgt willen formuleren.
1. De hulpvraag moet vanuit de gemeenschap zelf komen, anders zal het project nooit worden ‘gedragen’ en dus voortgezet na het vertrek van de buitenlanders. In ons geval vroeg de gemeenschap in volgorde van belangrijkheid om: voedsel voor de kinderen, de mogelijkheid om zelf vis te kweken, en de aanleg van een collectieve moestuin. Met die behoeftes gingen we aan de slag.
2. Het project moet passen in de culturele context. Zo wist ik, dat er bij de Bozo traditioneel mannen- en vrouwencollectieven bestaan. Het vrouwencollectief beheert in Sanouna de moestuin (ook financieel), de mannen zijn verantwoordelijk voor de viskwekerij. Uiteraard zijn er meer culturele parameters waar rekening mee moet worden gehouden.
3. Het project moet ter plaatse geleid worden door een lokale partnerorganisatie. In ons geval zetten we een bestuur op, gevormd door het dorpshoofd en de leiders van de vrouwen- en mannencollectieven. Zij hebben in de beginperiode veel geleerd en runnen het project nu al bijna helemaal zelfstandig.
4. Dan is er de exitstrategie. Veel van de problemen van de ‘oude’ ontwikkelingssamenwerking zoals hulpverslaving werden veroorzaakt door het ontbreken van een exitstrategie en een daaraan gekoppeld verdienmodel. De mensen van Sanouna wisten vanaf het begin dat wij over vijf jaar zouden vertrekken en dat het project dan zelf zou moeten rondkomen van de opbrengst van de vis, de groente en de gastenkamers.

Maatwerk
In het geval van Sanouna kon onze stichting maatwerk leveren. Het project kreeg vorm naar aanleiding van de behoeftes en de cultureel-economische context van een groep van slechts driehonderd mensen. Ook het verdienmodel was daarop gebaseerd en daarmee de exitstrategie. In het verleden is er vooral grootschalige hulp gegeven door overheden en internationale instanties en daar is veel geld aan verspild. De grote ontwikkelingsorganisaties in Nederland zijn gelukkig aan het overschakelen naar steeds kleinschaliger hulp en zetten in op lokale partners. Hier ligt de sleutel voor succesvolle samenwerking: werk kleinschalig, werk binnen de lokale cultureel-economische context (op regionaal en liefst dorpsniveau) en laat de lokale partners bepalen wat er gedaan moet worden, want zij kennen de situatie het beste. De rol van de buitenlandse partner zou zich (naast financiering van de opstartfase) zo veel mogelijk moeten beperken tot begeleiden, motiveren en controleren. Het laatste is essentieel en moet bespreekbaar zijn. Een bekend Afrikaans spreekwoord zegt immers: ‘La confiance n’empêche pas la controle’; controle impliceert geen wantrouwen.
Ik pleit er gezien dit alles voor, dat zowel de Nederlandse overheid als de grote hulporganisaties inzetten op kleinschalige vormen van samenwerking met Afrikaanse gemeenschappen. Er zal daarvoor onderling meer moeten worden overlegd en samengewerkt dan nu het geval is, want men werkt in Nederland nog te veel langs elkaar heen. Dat geldt ook voor de snel groeiende sector van de particuliere projecten, waar mijn eigen stichting een voorbeeld van is. Men kan nog veel van elkaar leren; overheid en grote organisaties over kleinschaligheid, de particuliere projecten over professionaliteit.
Ik ben er afsluitend van overtuigd, dat honderden (of zelfs duizenden) kleine, goed doordachte en op maat vormgegeven projecten vele malen effectiever zullen zijn dan enkele tientallen grote. Laten we daarom in de toekomst samen inzetten op maatwerk.

Ton van der Lee woonde twaalf jaar in Afrika. Hij publiceerde er acht boeken over, waaronder ‘Kinderen van Afrika’, dat gaat over het boven beschreven project. Hij maakte ook een aantal televisiedocumentaires over Afrika. Met zijn nieuwe project ‘Spirits of Africa’ zet hij zich in voor het behoud van het spirituele erfgoed van het continent.

Advertentie

Rectangle-Banner_B

Advertentie

WeDo2030