Het Nederlands Indische bestuur was tijdens de koloniale periode behoorlijk racistisch, zo blijkt uit het boek 'Vergeten door het Vaderland' dat onze correspondent Wilma van der Maten schreef. Ze sprak met wezen van toen, inmiddels hoog bejaard, die destijds bij hun bruine moeders werden weggehaald en in een Hollands 'gesticht' terecht kwamen. Witte Hollanders mochten niet met inheemse vrouwen trouwen. Indonesië viert maandag 70 jaar onafhankelijkheid. De weesjes van toen voelen zich door Nederland nog steeds in de steek gelaten. Nederland liet ze na 1945 zielsalleen achter.  

Vergeten door het Vaderland - door Wilma van der Maten

De verhalen op deze pagina komen uit het nieuwe boek van OneWorld-correspondent Wilma van der Maten 'Vergeten door het vaderland'.

Het boek is te koop in de boekhandel. ISBN-nummer: 978 90 5429 384 2.

"Toen ik er niet om vroeg stond de Nederlandse overheid bij mij op de stoep om me bij mijn moeder weg te halen. Dat heeft de sociale dienst tot twee keer toe gedaan. Nu ik oud ben en hulpbehoevend, geven ze geen thuis. Waar zijn ze gebleven?", vraagt Jane Hardy (79) zich vertwijfeld af. Nadat haar vader, een matroos, tijdens de Slag in de Javazee op 27 februari 1942 verdronk, haalde deze overheidsdienst de 'onwettige kinderen' bij haar moeder uit de kampung, het buurtschap weg. De regering weigerde haar moeder, een inheemse vrouw, van een uitkering te voorzien. In de afwijzing stond dat ze officieel niet met een Nederlander was getrouwd. "Hij woonde toch in Nederlands-Indië?", stelt Jane. Haar vader verdronk tijdens één van de grootste zeeslagen uit de koloniale geschiedenis. Was Nederland dan niet verantwoordelijk voor zijn dood? 
 
De kinderen kwamen gescheiden van elkaar in aparte weeshuizen terech. Jane was toen nog een peuter. Het koloniale bestuur achtte haar Javaanse moeder zonder een Hollandse man aan haar zijde niet geschikt om voor haar kinderen te zorgen. De meeste ‘inlandse’ vrouwen konden niet lezen of schrijven. Het gevaar bestond dat de bruine moeders de kleine Indo-Europeanen te veel van haar eigen Indische tradities zou bijbrengen. Van de Hollandse cultuur wisten ze niets af. Haar kinderen spraken lokale dialecten en voelden zich senang, gelukkig, in de achterbuurten waar deze vrouwen woonden.  Dat was een gevaarlijke ontwikkeling en een bedreiging voor de kolonialse staat. "Het leven in de kampung kwam de loyaliteit van de kinderen aan het Hollandse gezag niet ten goede. Daar moest snel een einde aankomen", zo redeneerde gouverneur-generaal maarschalk Herman Daendels destijds. In het weeshuis kregen ze een strenge, nationalistisch opvoeding en een beroepsopleiding. Het was in het belang van het kind, zo vond het koloniale bestuur. 

Tante Elly

 

Elly de Beus (80)

Bastaard
Tante Elly, zoals Elly de Beus (80) zichzelf introduceert, ontmoette Jane in hetzelfde weeshuis. Ze werd na het overlijden van haar vader door de huisarts hier naar toe gebracht. Haar moeder was al eerder overleden. Haar familie weigerde voor deze 'bastaard' te zorgen. "Mijn vader was een hoog opgeleide Hollandse advocaat afkomstig van een adellijke familie in Surabaya. Hij werd tegen de zin van zijn ouders verliefd op mijn moeder. Ze was een dochter van een eenvoudige lokale Chinees. Als Nederlander mocht hij niet trouwen met een inheemse vrouw." 

Tante Elly laat een foto van haar moeder zien. Een mooie jonge vrouw die er eerder als een Hollandse dan een Chinese uitziet. "Ik was te jong. Ik begreep er niets van. Vrouwen als mijn moeder  hadden nauwelijks rechten en waren een soort concubine. De Hollandse snobs zaten achter deze verfoeilijke wet. Ze verzetten zich tegen een huwelijk tussen een Hollandse man en een Indische vrouw, omdat ze zich te goed voelden om met Javaanse vrouwen aan de dinertafel te moeten zitten", zegt ze nu woedend.

Ik heb mijn tante zelf horen zeggen dat ze niets met die Chinezen te maken wilden hebben. Ik heb haar die opmerking nooit vergeven

Haar vader negeerde de wens van zijn ouders. "Hij was zo verliefd op mijn moeder. Mijn vader was een enorme lieve schat van een man. Ik weet nog dat mijn moeder ooit met rood behuilde ogen aan tafel zat toen hij thuis kwam. Hij nam haar in zijn armen en zei dat ze zich niets van zijn familie moest aantrekken. Hij hield van haar!" Elly’s vader erkende officieel zijn dochter en ook later zijn zoon. Onder zijn naam heeft hij  zijn kinderen bij de burgerlijke stand ingeschreven. Na zijn dood weigerden zijn broers en zussen voor de twee kinderen te zorgen die hij achterliet. "Ik heb mijn tante zelf horen zeggen dat ze niets met die Chinezen te maken wilden hebben. Ik heb haar die opmerking nooit vergeven. Later is de familie vanuit Surabaya naar Nederland verhuisd. Mijn broertje ging ze in Holland nog wel eens opzoeken. Ik heb altijd ieder contact met deze mensen vermeden", zegt ze bitter. 

Zuster Betteke
Tante Elly kent uit haar weeshuistijd nog zuster Betteke. Een blonde verpleegkundige die op haar fiets de armoedige kampungs in Batavia afstruinde op zoek naar blanke kinderen. Als ze een peuter zag, zette ze het jengelende kind op haar bagagedrager en reed er onbewogen mee naar het weeshuis. De moeders, vaak helemaal in paniek, wisten niet eens waar hun kinderen waren gebleven. Elly weet nog hoe onbedaard de kleintjes tijdens de eerste nacht in het weeshuis huilden. Ze gilden en smeekten om hun moeders.   

De vrees bestond dat verwaarloosde, criminele jongeren wel eens in opstand zouden kunnen komen tegen het koloniale bestuur

Zuster Betteke voerde haar missie uit in opdracht van het koloniale bestuur. Er liepen in deze periode ook nogal wat 'bastaarden' in Nederlands-Indië rond. Kinderen die door een Nederlandse vader waren verwekt, maar vaak nog voor hun geboorte door hem in de steek waren gelaten. De vader was al weer terug in Nederland of had een ander liefje gevonden. Zijn minderjarige nazaten zwierven eenzaam rond. In de meeste gevallen waren ze ernstig ondervoed. Ook zij werden van de straat gehaald en gingen naar 'overheidsgestichten'. De vrees bestond dat verwaarloosde, criminele jongeren wel eens in opstand zouden kunnen komen tegen het koloniale bestuur.

Bonus voor iedere peuter
In 1906 werd de heropvoeding van deze kinderen in Nederlands-Indië zelfs bij wet geregeld. Christelijke weeshuizen kregen het verzoek ze op te vangen. Voor elk kind stond een aardige vergoeding van de staat tegenover. Wellicht kreeg zuster Betteke een bonus voor iedere peuter die ze op haar bagagedrager binnenbracht.

De vader en moeder van tante Elly

 

De vader en moeder van 'tante' Elly

Jane werd door de sociale dienst bij haar moeder weggehaald. Maar toen de Japanners in 1942 Indonesië binnenvielen, stuurde de directrice van het weeshuis de 'wezen' net zo gemakkelijk weer naar huis. Jane vertelt over de dag waarop twee 'hoge heren' haar klas binnenkwamen. Wie nog wist waar de moeder woonde mocht naar huis. Jane is 9 als ze in haar eentje in de tram zit op weg naar de kampung.

Ze was dolblij haar zusjes weer te zien. Maar haar moeder had geen geld om de lege magen van haar kinderen te vullen. Als oudste dochter voelde Jane zich verantwoordelijk om voor haar familie te zorgen. Het gezin leefde van de etensresten die Jane elke dag uit een vuilnisbelt graaide. Ze schaamt zich nog steeds om dat verhaal te moeten vertellen. Met haar blote handen zocht ze iedere dag naar eten. Maar hoe hadden ze anders de oorlog overleefd? De kampung lag achter de Cipinang gevangenis. Daar wachtte ze iedere dag met haar mandje op de etensresten die op de vuilnishopen werden gestort. Jane begint onbedaard te huilen als ze weer terugdenkt aan die dagelijkse, mensonwaardige zoektocht. 

Bittere tranen
Dan wordt haar jongste zusje op een dag ernstig ziek. Uiteindelijk sterft ze aan de gevolgen van ondervoeding. "Ik heb mezelf altijd de schuld gegeven van de dood van Maudie. Door al dat vieze eten uit de vuilnisbelt is ze vast doodgegaan." Ze huilt bittere tranen. Ze mist haar kleine zusje nog steeds. "Toen kwamen twee mannen met een heel klein kistje. Mijn zusje was pas vier. Ze vroegen of ze al gewassen was. Dat had ik gedaan. Ik trok haar het jurkje aan dat mijn moeder van de lapjes uit de gevangenis had gemaakt die ik ook op bij de vuilnis had gevonden. Ze lag er heel vreedzaam en heel mooi bij in haar blauwe jurkje." Later overleed er ook nog een broertje.

Ze moesten de Hollandse staat maar al te dankbaar zijn

Als na de Japanse capitulatie Nederland het gezag in de kolonie gedeeltelijk herstelt, bezoekt opnieuw de Sociale Dienst de kampung waar Jane woont. "Ik weet het nog heel goed. Ik was dertien jaar. Ik was hout aan het sprokkelen toen een blonde mevrouw mij vroeg om met haar mee te gaan. Ik wilde niet. Ik vertelde haar dat ik zoveel van mijn moeder hield." Jane wil bij haar moeder blijven, maar dat mag niet. 

Eenmaal volwassen kwamen de meeste wezen in het leger of bij de Marine terecht. De meisjes gingen werken in de verpleging, in de huishouding of werden onderwijzeres. Ze moesten de Hollandse staat maar al te dankbaar zijn. Want wat was er wel niet van ze terecht gekomen als ze bij hun analfabete moeder in de armoedige kampung waren gebleven?

[[{“fid”:”39077″,”view_mode”:”file_styles_artikel_halve_breedte”,”fields”:{“format”:”file_styles_artikel_halve_breedte”,”field_file_image_alt_text[und][0][value]”:”Jane”,”field_file_image_title_text[und][0][value]”:”Jane”},”type”:”media”,”attributes”:{“class”:”artikel_halve_breedte file-file-styles-artikel-halve-breedte file-styles media-element styles”,”id”:”styles-4-0″}}]]Jane Hardy (79)

Oplopende spanningen
Maar toen president Soekarno in 1957 de laatste Nederlanders het land uitzette vanwege de oplopende spanningen rond de laatste Hollandse kolonie Nieuw-Guinea, was er geen ambtenaar meer die zich druk maakt om de Hollandse wees of het blonde kampungkind. Verzorgers in de weeshuizen probeerden ze met de groep repatrianten naar Nederland te krijgen. Tevergeefs. Een ambtelijke commissie adviseerde de Nederlandse regering al in 1952 afhoudend te zijn en zoveel mogelijk Indische Nederlanders in Indonesië te laten. In 'ons' land zouden ze moeilijk intergreren.

In het document van destijds staat: 'Kinderen van Indische Nederlanders zijn van een tropisch land met een daaraan inherent verbonden laag arbeidstempo, specifieke oosterse eigenschappen en gedragingen. De kans dat ze zouden zakken tot aan de onderste lagen van de Nederlandse samenleving is te groot', zo luidde de conclusie. Slechts in enkele gevallen werd er een uitzondering gemaakt. Als het kind blonde haren of een volkomen blank uiterlijk had, was het wel welkom. Deze kinderen zouden volgens de commissie nimmer in de Indonesische samenleving assimileren. Hoeveel wezen er uiteindelijk in Holland zijn toegelaten is niet bekend. Maar het waren er waarschijnlijk niet veel, concludeert Elly de Beus.    

Kinderen van Indische Nederlanders zijn van een tropisch land met een daaraan inherent verbonden laag arbeidstempo, specifieke oosterse eigenschappen en gedragingen. De kans dat ze zouden zakken tot aan de onderste lagen van de Nederlandse samenleving is te groot

Indische Nederlanders maken zich zeventig jaar na dato nog steeds verschrikkelijk boos om het rassenbeleid. Eerst haal je deze kinderen als een dief in de nacht bij hun moeders weg en vervolgens laat je ze aan hun lot over. "Er waren mannen die na 1945 alleen moesten vertrekken. De Indische vrouwen met de kinderen, kregen nog geen toestemming en bleven alleen achter. Vader dacht dat hij tijdelijk ging", vertelde Ruud Sellier, oprichter van de stichting Help de Indischen in Indonesia, een van de grootste voorvechters voor eerherstel van deze groep mensen. Afgelopen mei overleed hij onverwachts. 

Hartverscheurende brieven
"Na de onafhankelijkheid voelde de Nederlandse staat zich plotseling niet meer verantwoordelijk voor de wezen die ze zelf uit de kampung had gehaald!", tijdens een van de laatste inteviews met Ruud Sellier wond hij zich steeds verder op. "Er waren weeshuizen die vol zaten met achtergebleven kinderen omdat ze geen identiteitspapieren hadden. Geen wonder. De kinderen waren gestolen! Dat is toch schandalig. Nederlandse militairen kwamen hier als dienstplichtigen, kregen verkering met een inlandse vrouw. Maar ze mochten niet trouwen. De kinderen die uit deze relaties zijn geboren en in weeshuizen terecht kwamen, schreven hartverscheurende brieven naar de Nederlandse overheid met het verzoek of ze konden komen. Ze werden genegeerd. Ze zijn aan hun lot overgelaten. Het is toch zo onmenselijk wat hier is gebeurd. Moeders en kinderen dachten echt dat ze naar Nederland konden. Sommigen denken dat nu nog steeds op hun oude dag."

Er waren weeshuizen die vol zaten met achtergebleven kinderen omdat ze geen identiteitspapieren hadden. Geen wonder. De kinderen waren gestolen! Dat is toch schandalig

Na het verblijf in het weeshuis groeiden sommige kinderen boos en gefrustreerd op. Ze dachten dat hun ouders ze in de steek hadden gelaten. Vaak jaren later, als de moeder of vader er niet meer was, kwamen ze pas achter de waarheid. Kinderen die hun moeder in Indonsië wisten op te sporen of hun vader in Nederland, vonden het moeilijk om het contact weer te herstellen. Het gat was niet meer zo gemakkelijk te overbruggen. Moeders en vaders waren hertrouwd. Uit deze relaties werden kinderen geboren. Niet in alle gevallen wist het nieuwe gezin van het bestaan van 'het weeskind' af. Ouders weigerden, soms uit schaamte, zelfs het kind te erkennen. 

Hoge prijs
De meeste wezen van toen zijn  nu hoog bejaard. Verscheidene beseffen dat zonder 'het gesticht' ze nooit een goede opleiding hadden gekregen. De prijs die ze daarvoor betaalden was wel erg hoog. Over het verlies van hun ouders zijn de meeste kinderen nooit meer heengekomen. Ze dragen het verdriet al hun levenlang met zich mee. "Nederland zou die fout moeten erkennen", vindt Ruud Sellier. Ze hebben recht op eerherstel. Niemand in de wereld mag zonder toestemming een kind van de ouders afhalen, ook al is de moeder arm en onopgeleid, en ze zo maar in een gesticht te plaatsen.

Ik heb in mijn bestaan zo’n intens verdriet gehad

Op de muur van haar tweekamerwoninkje in Oost-Jakarta hangt een familiefoto van Jane Hardy (79). Ze staat er tussen haar twee broers en twee zussen enigszins onwennig en verloren op. Iedereen heeft een ernstig gezicht. Niemand lacht. Haar hoogbejaarde Javaanse moeder kijkt vanaf de zijkant eveneens streng in de lens. De foto is een paar jaar geleden tijdens een familiereünie genomen. Haar moeder is inmiddels overleden. Net zoals haar broers. Een zusje leeft nog. Dan breekt ze. "Ik heb in mijn bestaan zo’n intens verdriet gehad", fluistert ze. 

670

Wilma van der Maten woont in Jakarta en werkt als freelance journalist voor onder andere OneWorld, het Parool, DPD, VPRO, VRT en Elsevier.
Profielpagina

Advertentie

Lecture van Max Havelaar