Rijke landen bedenken schijnoplossingen voor armoedeprobleem

15-07-2005
Door: Tuur Elzinga/Roeline Knottnerus
Bron: OneWorld

 

De slotverklaring van de G8 mocht er wezen: de schulden van achttien van de armste landen worden kwijtgescholden, vanaf 2010 wordt de hulp aan Afrika verdubbeld, op termijn gaan ook de ontwikkelingsbudgetten van de G8-landen omhoog en er komt meer uitzicht op eerlijke handel.

 

Dit wordt alom geprezen als een belangrijke stap voorwaarts, zij het met enige kanttekeningen. De internationale norm van 0,7% van het BNP voor ontwikkelingshulp wordt ook na deze verdubbeling door de meeste G8-landen bij lange na nog niet gehaald. Er zijn geen concrete afspraken gemaakt voor het afbouwen van de Westerse landbouwsubsidies die de landbouw in ontwikkelingslanden zoveel schade toebrengen. Daarnaast is er de kritiek dat niet de schulden van álle 38 arme landen zijn kwijtgescholden, terwijl deze aan renteaflossingen in de loop der jaren al veel meer hebben terugbetaald dan ze ooit hadden geleend.

 

Scheve machtsverhouding

 

Maar er zijn veel meer reserves op hun plaats. De G8 komen met schijnoplossingen, die niets veranderen aan de scheve machtsverhoudingen in de wereld. Zo is er nog niets veranderd aan het feit dat de kwijtschelding van schulden nog altijd wordt gekoppeld aan economische condities die nationale armoedebestrijdingsprogramma's ondermijnen. Ontwikkelingslanden krijgen nog altijd geen rechtstreekse zeggenschap over hun eigen economische ontwikkeling.

 

Alle mooie woorden ten spijt, lijkt het beleid van de G8 er vooral op gericht mondiaal de spelregels te dicteren om de eigen economische groei veilig te stellen. Dat blijkt ook uit de verklaring van de G8 over de wereldeconomie. Daarin wordt onomwonden gesteld dat de 'verantwoordelijkheid om de groei van onze eigen economieën te bewaken en te bevorderen' voorop staat.

 

Markten ontwikkelen

 

De hernieuwde belangstelling voor ontwikkelingslanden houdt daarmee nauw verband. De ontwikkelde landen zijn er vooral op uit de markten van die landen te ontwikkelen ten behoeve van hun eigen transnationaal opererende bedrijfsleven. Een van de beste bewijzen daarvoor is dat landen die in aanmerking willen komen voor het kwijtschelden van schulden nog altijd eerst het zogenoemde HIPC-programma moeten doorlopen, waarbij zij moeten voldoen aan door de financiële instellingen opgelegde voorwaarden voor een meer open en geliberaliseerde economie met een stabiel investeringsklimaat.

 

'Good governance' - goed bestuur - is daarbij het nieuwe sleutelwoord. Naar buiten toe wordt daarbij de nadruk gelegd op het bestrijden van corruptie. Dat doet het immers goed in de publieke opinie. Maar dit verhult dat 'goed bestuur' vooral wordt ingevuld met deregulering, liberalisering en privatisering. Het structurele aanpassingsbeleid van het IMF, met zijn dictaat van terugdringing van de overheid, meer markt en meer investeringszekerheid voor Westerse multinationals blijft onverminderd van kracht voor wie voor schuldverlichting in aanmerking wil komen.

 

Eigenbelang voorop

 

Voor de goede verstaander is het pijnlijk duidelijk dat het niet de ontwikkeling van de armste landen is die voor de G8 voorop staat. Zo staat in een van de verklaringen van de G8 letterlijk dat, omwille van de mondiale economische stabiliteit, de krapte op de oliemarkt bestreden moet worden. Het middel: 'Olieproducerende landen dienen te zorgen voor open markten met transparant zakelijk klimaat en stabiele regelgeving voor investeringen in de oliesector, waaronder betere mogelijkheden voor buitenlandse investeerders'. Met andere woorden: de olieproducerende landen moeten het transnationale bedrijfsleven betere mogelijkheden bieden om hun greep op de oliemarkten te versterken. Wiens belangen daarmee zijn gediend, behoeft geen nadere uitleg.

Dat geldt ook voor het inzetten van ontwikkelingshulpgelden voor het bevorderen van handel. Handel is, volgens oud vertrouwd neoliberaal recept, nog altijd vrijhandel, ongehinderd door 'belemmerende regelgeving'. Het neoliberale model schrijft voor dat de sturende rol van de overheid in de economie wordt beperkt. Tegelijkertijd gaat het inzetten van ontwikkelingsgeld voor het bevorderen van de economische infrastructuur voor het (inter)nationale bedrijfsleven, zoals nu ook in Nederland wordt bepleit, ten koste van het versterken van sociale voorzieningen als onderwijs, schoon drinkwater en gezondheidszorg.

 

Vrijhandel: eerlijke handel?

 

Op slinkse wijze hebben de G8 onder Brits voorzitterschap de roep om 'eerlijke handel' naar hun hand gezet. Door - met steun van een deel van de protestbeweging - de landbouwsubsidies van de EU en de VS nadrukkelijk te agenderen, hebben zij hun vrijhandelsideaal een nieuwe impuls gegeven. Vijf invloedrijke landen uit het zuiden: Brazilië, Zuid-Afrika, Mexico, India en China, hebben zich met de G8 in Gleneagles gecommitteerd aan een nieuwe impuls voor de zogenoemde Doha-ontwikkelingsronde van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). In Hong Kong, waar de Wereldhandelsorganisatie in december bijeen komt, moeten de contouren van een overeenkomstduidelijk zijn.

 

Dat vrijhandel de arme landen in feite juist verder van huis helpt, mocht uit eerder onderzoek al duidelijk zijn. Een recent onderzoek naar handelsliberalisering van Egor Kraev (Estimating GDP effects of trade liberalisation for developing countries) toont op basis van cijfers van Wereldbank en IMF de schade aan voor 32 van deze armste landen over de laatste kwart eeuw.

 

De Britse organisatie Christian Aid heeft dit onderzoek gebruikt om te berekenen hoe de verliezen voor alle Afrikaanse landen beneden de Sahara uitvallen. Dat verlies bedraagt 272 miljard US dollar. Christian Aid tekent daarbij aan dat zonder de liberalisering die voor dit verlies verantwoordelijk is de betreffende landen al hun externe schulden hadden kunnen afbetalen, en dat dan nog voldoende geld was overgebleven om alle kinderen te vaccineren en naar school te laten gaan!

 

Neoliberaal

 

In feite hebben de G8 met lippendienst aan armoedebestrijding en eerlijke handel slechts de uitgangspunten van het neoliberale model herbevestigd. De ontwikkelde landen hebben met succes gehamerd op handel als aanjager voor ontwikkeling. Dat heeft het uitdragen van commerciële belangen en het nastreven van de eigen economische ontwikkeling als groeimotor voor de derde wereld weer meer salonfähig gemaakt.

 

In de WTO-mini-ministerials, waarvan de eerste in China alweer heeft plaatsgevonden, zullen de rijke landen zich er ongetwijfeld weer zonder enige terughoudendheid voor in gaan zetten dat de markten van ontwikkelingslanden worden opengebroken voor het transnationale bedrijfsleven.

De EU heeft al aangegeven in de WTO-onderhandelingen over de handel in diensten zogenaamde benchmarks te willen invoeren. Daarmee wordt de mate van marktopening in ontwikkelingslanden gemeten en vergeleken om zo de druk om verder te liberaliseren op te voeren. Aandacht voor echte ontwikkelingsdoelen - die meestal niet stroken met de belangen van het internationale zakenleven - is voorlopig weer even met succes naar de achtergrond gedrongen.

 

 

Roeline Knottnerus, GATS-platform (een samenwerkingsverband van Attac, CEO, LSVb, Milieudefensie, SOMO, TNI, Wemos, WISE en XminY)

 

Tuur Elzinga, XminY Solidariteitsfonds

 

 

Egor Kraev: Estimating GDP effects of trade liberalisation for
developing countries
 (PDF)

Christian Aid: The real cost of free trade for countries (PDF)

 

 

Reacties