Luyendijk: "Blijf kritisch kijken naar ontwikkelingswerk"

25-09-2008
Door: Tjitske Ypma
Bron: OneWorld

 

"Het enige positieve ontwikkelingswerk dat ik heb gezien, was tekentherapie voor kinderen in de Gaza-strook. Eerst tekenden ze nog bommen en granaten, maar later werden het gewoon huizen en mensen", begon Luyendijk zijn betoog.

Blinde vlekken
Niet bang om op de tenen van de lustrumvierende ontwikkelingswerkers te gaan staan, kaartte de voormalige Midden-Oosten correspondent en winnaar van de Dick Scherpenzeel Prijs de blinde vlekken op de kaart van ontwikkelingswerkers aan. "Ontwikkelingswerk is alleen mogelijk onder goed bestuur, maar met goed bestuur in een land is het niet meer nodig. Het is belachelijk om ontwikkelingsgeld plus smeergeld te geven aan despoten voor voedselhulp, terwijl ze de hongersnood zelf hebben gecreëerd, zoals in Ethiopië", zei hij voor een scherm waarop beelden van voedselhulp en zielige kinderen werden herhaald. 

Zaal met LuyendijkMisstanden
Volgens de journalist komen zulke misstanden door de vergroeide belangen van de instituties en de ontvangers. "Instituties willen zichzelf in stand houden en hebben daarom belang bij het behoud van het ontwikkelingsbudget. Dat budget is afhankelijk van de nood, die dus gezocht wordt. Donoren zijn daarmee afhankelijk van ontvangers voor hun voortbestaan. Dat weten die ontvangers ook, dus die vragen grote auto´s en mooie huizen. Het wordt tijd dat dat eens benoemd wordt."

Donor darlings
Die grote auto´s en mooie huizen zijn bovendien volgens Luyendijk niet de enige bijwerkingen: de komst van ontwikkelingsorganisaties is desastreus voor basisvoorzieningen zoals scholen en ziekenhuizen. "Dan krijg je het verschijnsel van de donor darlings: mensen die een NGO oprichten -bijvoorbeeld op het gebied van gender want dat doet het goed- verdienen veel meer dan doktoren in een ziekenhuis. Dus alle Engelssprekende hoger opgeleiden verlaten de ziekenhuizen, met als gevolg een schrijnend gebrek aan artsen. En op gender gebied verandert er niets: de met westerse steun opgebouwde instanties wekken alleen maar weerstand op."
Het bewijs dat ontwikkelingshulp niet werkt, vindt Luyendijk in een vergelijk tussen Iran en Egypte: in Iran krijgen vrouwen steeds minder kinderen -een teken van ontwikkeling- en in Egypte gaat het steeds slechter.

Goed bedoeld?
De verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van scheve ontwikkelingshulp legt Luyendijk grotendeels bij de media neer. "Ze zijn veel te positief. Het is immers allemaal zo goed bedoeld? Niemand kijkt kritisch naar wat er werkelijk gebeurt. Niemand schrijft lelijke woorden over de ontvangers, ook al zijn het vrouwen- en homohaters."
 

"Niemand schrijft lelijke woorden over de ontvangers, ook al zijn het vrouwen- en homohaters."

 

Naming & shamingLuyendijk pleit dan ook voor een proces van naming & shaming, om de verkeerde structuren achter ontwikkelingswerk zichtbaar te maken. "Maar dat is lastig, want de ontwikkelingsmedia hebben daar geen belang bij. Die betalen journalisten fors om hun eigen boodschap aan de man te brengen. En bij naming & shaming blijft het niet meer gezellig zoals nu. De andere media zijn -onterecht- niet geïnteresseerd. Daar zitten HEAO jongens die niet zien hoe populair media-kritiek is: ik heb 250.000 exemplaren van mijn boek verkocht."

De ontwikkelingswerkers uit de zaal reageerden gepikeerd: zij hebben immers wel 400.000 mensen van een hongersdood gered én zij helpen journalisten immers vaak aan informatie over misstanden, zoals in de visserij. Daar moest Luyendijk hen wel gelijk in geven. "Maar dan heb je hooguit bewustzijn, en nog geen actie. Waarom zetten ontwikkelingsorganisaties niet massaal een actie op om handelsbarrières op te heffen?"
 

 

Meer Luyendijk over ontwikkelingssamenwerking bij onzeWereld
In de wereld van de hulp doet Nederland van alles een beetje, waardoor miljarden euro's worden versnipperd en we nergens echt in uitblinken. Waarom specialiseren we niet in datgene wat we al eeuwen goed doen - en waar bovendien de hele wereld ons van kent? Waterbeheer!
Lees ook dit essay van Joris Luyendijk, dat hij in december 2009 voor onzeWereld schreef.

 

Reacties