Kijk beter naar Afrika

17-03-2010
Door: Bram van Oijk
Bron: OneWorld
one world

De auteurs van het WRR-rapport worden echt niet ‘uit de sector verbannen’, omdat ze de mantra’s van ontwikkelingssamenwerking ter discussie hebben gesteld. Maar anders dan de Raad stelt, zijn onderwijs en gezondheidszorg wel degelijk belangrijke voorwaarden voor groei, betoogt ontwikkelingsdeskundige Bram van Ojik, Directeur Sociale Ontwikkeling op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.
Het debat over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking gaat meestal over het verleden. Heeft de hulp geholpen, luidt dan de centrale vraag. Het antwoord varieert, maar is vaak niet erg positief. Hulp maakt nauwelijks verschil, veel hulp komt verkeerd terecht, hulp helpt veel te weinig, of: we weten het eigenlijk niet. Sinds enige tijd kan steeds vaker worden vernomen dat het allemaal nog erger is. Hulp werkt averechts, zegt de Zambiaanse Dambisa Moyo. Ze bevordert de afhankelijkheid en doodt het eigen initiatief, ze maakt het de zittende regeerders veel te gemakkelijk, en belemmert een zelfstandige economische ontwikkeling. Moyo werd in Nederland als een popster binnen gehaald. De ware tegenhanger van Bono en Marco Borsato en al die andere echte artiesten die de zaak van de ontwikkelingssamenwerking nou juist met enthousiasme hadden omarmd. Als er al eens iemand probeerde haar vernietigend oordeel over de effecten van de hulp tegen te spreken dat had hij tenminste de schijn tegen. Dat was zeker iemand die zelf ook mee eet uit de ruif, of in elk geval een preker voor eigen parochie, een gelovige die zijn ogen en oren sluit voor de evidente schaduwkant van de ontwikkelingssamenwerking.

Onontkoombaar
Het is zonder twijfel een van de grote verdiensten van het lang verwachte WRR rapport over hulp dat het de simplificaties uit het helpt-de-hulp-debat vakkundig om zeep helpt. Dat het er daarbij fijntjes op wijst dat ook de tegenstanders inmiddels zo hun eigen belangen hebben (“kritiek op ontwikkelingssamenwerking is inmiddels zelf een miljoenenbusiness geworden”) , is grappig, maar natuurlijk niet meer dan een aardige voetnoot. Wezenlijker is de conclusie van de Raad dat de vraag of hulp helpt in zijn algemeenheid niet is te beantwoorden. Dat mag voor beide zijden in het debat teleurstellend zijn, maar ze zullen er toch mee moeten leren leven. De Raad laat er geen enkel misverstand over bestaan. Al in de tweede alinea  op de eerste bladzijde van het 350 pagina’s tellende rapport  constateert hij dat het onmogelijk is om op basis van de ontwikkeling van hele continenten zinvolle uitspraken te doen over de betekenis van hulp. En op de tweede bladzijde: “Ontwikkelingshulp, zo leert een immense stapel evaluaties, kent vele successen en vele mislukkingen.”
Daaruit valt veel te leren, en dat doet de Raad ook, maar de les dat we beter kunnen stoppen hoort daar niet bij. Integendeel. De WRR acht internationale samenwerking ‘onontkoombaar’.
Als dat eenmaal is vastgesteld, dan kan de rest van het rapport zich concentreren op de vraag die er werkelijk toe doet: hoe kunnen we wat we met zestig jaar vallen en opstaan hebben geleerd gebruiken voor een zo effectief mogelijk ontwikkelingsbeleid. De WRR vindt dat er veel moet veranderen en de voors en tegens van hun vaak opvallend concrete aanbevelingen – minder landen (namelijk tien), meer kennis (en daar 6 procent van het budget voor uitgeven), een versterkte specialisatie op thema’s waar Nederland goed in is, een aparte ontwikkelingsdienst buiten BZ (NLAid), een andere grondslag voor de norm van 0,7 procent van het BNP, bruggenhoofden tussen BZ en andere departementen voor coherentie, een Europese Ontwikkelingsbank naast de Wereldbank – worden inmiddels breed bediscussieerd. Daarmee krijgt het ontwikkelingsdebat eindelijk de toekomst- en oplossingsgerichte oriëntatie die het tot voor kort zo node miste.

Grote mondiale vragen
Veel van wat er aan veranderingen wordt voorgesteld is te herleiden tot twee centrale lessen die de Raad trekt: hulp was te veel armoedebestrijding en moet zich in de toekomst meer richten op ontwikkeling, en: ontwikkelingsbeleid dient zich nadrukkelijker bezig te houden met de grote mondiale vragen.
Die laatste aanbeveling ontmoet tot nu toe weinig kritiek. Het valt gemakkelijk in te zien dat de relevantie van internationale samenwerking toeneemt als ze oplossingen biedt voor grote mondiale thema’s als migratie, klimaatverandering en financiële stabiliteit. Het idee dat Nederland een eigen globaliseringstrategie dient te ontwikkelen, dat coherentie van beleid centraal hoort te staan en dat de zorg om mondiale publieke goederen een wezenlijk element in ons buitenlands beleid moet zijn, lijkt onomstreden. Het pleidooi van de WRR is goed onderbouwd, mooi opgeschreven en daardoor moeilijk te weerleggen.
Problematischer is de eerste les: minder armoedebestrijding, meer ontwikkeling.
Halverwege het rapport, op bladzijde 172 vat de Raad zijn visie als volgt samen: “Het vergroten van de zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden en het bevorderen van het gemeenschappelijk, mondiaal eigenbelang zouden centraler moeten staan in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid ….., maar het probleem is dat … de aandacht systematisch uitgaat naar de meer ‘palliatieve’ vormen van hulp….. Dat leidt tot een sterke concentratie op de sociale sectoren …. Een andere blik is echter nodig … een breuk met een aantal van de historisch gegroeide mantra’s van ontwikkelingssamenwerking: het primaat van de armoedebestrijding, de directe focus op de allerarmsten en het sterke geloof in het belang van investeren in voorzieningen als drinkwater, basisonderwijs en gezondheidszorg.”

Zelfredzaamheid
Het is een provocerende stelling. Onderzoeksleider Peter van Lieshout denkt, getuige zijn uitlatingen in het vorige nummer van IS, zelfs dat je ‘onmiddellijk uit de sector verbannen zou worden als je dat ter discussie stelt’. Ik denk dat het wel mee valt. Ik merk in elk geval bij mijn collega’s van Buitenlandse Zaken niet dat de door de WRR voorgestelde breuk met oude mantra’s onbespreekbaar is. En ik werk nota bene op de directie die zich bezig houdt met precies de dingen – investeringen in onderwijs en gezondheidszorg – waarvan de WRR zegt dat het allemaal maar eens een beetje minder moet.
Dat het bespreekbaar is, betekent echter niet dat het juist is wat de WRR stelt. De hoogleraren Gunning en Elbers zijn er in de NRC snel klaar mee: “De WRR slaat de plank mis als hij hulp voor onderwijs en gezondheid wil verminderen omdat die niet zo bijdragen aan groei.”
Minister Koenders liet zich in een voorlopige reactie iets voorzichtiger uit. Voor hem is groei en verdeling al sinds zijn aantreden in 2007 een ‘topprioriteit’, maar dat kan in zijn visie niet zonder forse investeringen in de sociale sectoren.
De tegenstelling die de WRR ontwaart tussen bevordering van zelfredzaamheid en armoedebestrijding bestaat niet. Onderwijs en gezondheid zijn belangrijke voorwaarden voor economische groei en daarmee voor autonome ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Wie dat niet al op voorhand een logische gedachte vindt, zou bij een betere bestudering van de feitelijke ontwikkelingen in de laatste tien jaar alsnog tot die conclusie moeten komen. Anders dan vaak wordt gedacht is er ook op het Afrikaanse continent (totdat de effecten van de wereldwijde crisis ook daar voelbaar werden) sprake geweest van forse economische groei, toename van de binnenlandse besparingen en belastingsopbrengsten, stijging van de particuliere investeringen en een dalend aandeel van buitenlandse hulp in de overheidsbegroting en het nationaal inkomen. Deze toegenomen zelfredzaamheid ging hand in hand met de inderdaad sterke focus in de hulpverlening op onderwijs, gezondheid en drinkwater. Die focus was er niet voor niets. Ze was en is de uitkomst van een welbewuste door rijke en arme landen samen gemaakte keuze om de inzet van publieke middelen te richten op het bereiken, in 2015, van een beperkt aantal nauwkeurig geformuleerde millenniumdoelen. Die doelen zullen wellicht niet allemaal worden gehaald. Maar niemand zal ontkennen dat de gerichte inzet van hulpgeld er samen met een sterk toegenomen inspanning van lokale regeringen voor heeft gezorgd dat vele tientallen miljoenen burgers in ontwikkelingslanden de laatste tien jaar gezonder zijn geworden en beter zijn geschoold. De tragiek is niet dat we, zoals de WRR kennelijk vindt, te veel in die sectoren hebben geïnvesteerd. De tragiek is juist dat nu de gevolgen van de economische crisis wereldwijd zichtbaar worden, de geldstroom steeds verder opdroogt – met nog vijf jaar te gaan voor de millenniumdoelen. Daar zal toch ook de WRR niet blij mee zijn.

Reacties