Dubbele gevoelens

14-11-2011 Bron: OneWorld

 

Ik zeg het maar eerlijk: ik heb altijd een dubbel gevoel gehad over IS. Als onafhankelijk journalist voelde het raar om te schrijven voor een overheidsblad dat draagvlak wil creëren voor ontwikkelingssamenwerking. Dat moet wel botsen met objectieve journalistiek.Vrijwel geen enkele instantie neemt immers zelf het initiatief om de vuile was buiten te hangen. Als ik in IS verhalen las over ontwikkelingsprojecten dacht ik per definitie: het klinkt mooi, maar zou het ook waar zijn? Als Shell journalisten financiert zou iedereen moord en brand schreeuwen, maar hier deed vrijwel niemand moeilijk over.

Verschillende hoofdredacteuren deden erg hun best het onafhankelijke karakter van IS te benadrukken. “We staan open voor kritiek”, kreeg ik te horen. Of: “We hebben zelf ook vaak onze bedenkingen over het effect van hulp”. Maar in de kolommen van IS werd kritiek op ontwikkelingssamenwerking zelden serieus genomen. In plaats van op de materie in te gaan, kregen critici te vaak het verwijt dat ze ‘ongenuanceerd’ waren of  ‘inspeelden op onderbuikgevoelens’. Ook de loftuitingen van de hoofdredactie aan het adres van Bono zaten me niet lekker.

Ander probleem vond ik dat nogal wat medewerkers van IS nauwe banden hadden met de hulpindustrie. Journalisten die zichzelf onafhankelijk noemden, bleken bijna hun hele inkomen te vergaren bij ontwikkelingsorganisaties. De vraag is hoe onafhankelijk je in zo’n geval kunt zijn. Door ongezouten kritiek kun je een belangrijk deel van je inkomen kwijt raken. Mij persoonlijk viel op dat ik minder vaak voor IS werd gevraagd nadat ik in andere media vraagtekens zette bij het nut van ontwikkelingshulp.

Toch had ik ondanks de minpunten sympathie voor IS. Naast de vaak wat eenzijdige verhalen over ontwikkelingsprojecten was er ook aandacht voor andere thema’s. Ik kon lange achtergrondreportages maken over Sudan en Nigeria, met veel ruimte voor politiek en economie. Met de leden van de Touareg-band Tinariwen ging ik voor IS op stap in de Malinese hoofdstad Bamako. In Mauretanië maakte ik een verhaal over slavernij en rassendiscriminatie.

Maar helemaal lekker zat het niet. Tegenover collega’s had ik de behoefte me te verontschuldigen. Meestal noemde ik IS wat misprijzend ‘het propaganda-blad’ van de minister (of staatssecretaris). Om er snel aan toe te voegen dat ik financieel niet afhankelijk was van de hulpsector, waardoor ik geen rekening hoefde te houden met de belangen van de verschillende spelers in het veld. Als ze mijn stukken niet meer wilden, zei ik, dan kwam ik daar wel overheen. Ander pluspunt was dat er bij IS leuke mensen werkten.

De stroom geld vanuit de hulpindustrie voor Afrika-journalistiek vormt volgens mij een belangrijke bedreiging voor goede berichtgeving. Het valt me op dat ik in bijna alle media steeds meer verhalen zie over hulpprojecten, terwijl politieke en economische ontwikkelingen minder aan bod komen. Bij IS was die ontwikkeling de laatste jaren helaas ook zichtbaar. Daardoor vertroebelt ons beeld van wat er echt gebeurt in Afrika. Ontwikkelingshulp is slechts een druppel op een gloeiende plaat, politiek en economisch beleid van Afrikaanse regeringen is wat echt het verschil maakt. Daarover zou IS veel meer moeten schrijven. Hopelijk weet het nieuwe OneWorld die valkuil te omzeilen.

Gerbert van der Aa

Gerbert van der Aa is historicus en journalist die gespecialiseerd is in...

Lees meer van deze auteur >

Reacties